====== Het beeld van God in de mens ====== ==== 1. Wat is een beeld? ==== Het is de expressie of uitbeelding van een bepaald iets. Dat kan zijn uitdrukking vinden in de ziel, en dan met name in het verstand door de kracht van de herkenning – dan wordt het door de filosofen een //idea// genoemd – of het heeft een plaats in het hart gekregen. Het beeld kan zich ook buiten de ziel bevinden. Dan heeft het een zekere gelijkheid en overeenstemming in voorkomen. Dat kan zich manifesteren in het wezen en de eigenschappen ervan, zoals we van Adam kunnen zeggen dat hij mensen heeft voortgebracht naar zijn beeld (Genesis 5:3). Het kan ook zijn dat het zich manifesteert in een bepaalde verschijningsvorm, zoals in Lucas 20:24, waar de schelling het beeld van de keizer heeft. Ook is het mogelijk dat het beeld een bepaalde uitbeelding of afschaduwing is [van iets in de werkelijkheid]. ==== 2. Is er een groot verschil tussen beeld en gelijkenis? ==== Het woord gelijkenis heeft een wijdere strekking, want waar een beeld is, daar is ook een gelijkenis, maar dat geldt niet voor het tegenovergestelde. Er kan namelijk van iets gezegd worden dat het op iets anders lijkt, maar dan is toch nog niet het beeld van dat andere. Als we het echter hebben over het vraagstuk van het beeld van God in de mens, wordt het woord “gelijkenis” eraan toegevoegd om het woord “beeld” des te beter te verklaren. Dat zien we ook in Filippenzen 2:7. ==== 3. Is de mens naar Gods beeld geschapen? ==== Ja, want in Genesis 1:27 lezen we: “God schiep de mens naar zijn beeld”. En Paulus zegt in 1 Korintiërs 11:7: “Een man moet het hoofd niet dekken: hij is heet beeld en de heerlijkheid van God.”((*Kolossenzen 3:10)) ==== 4. Is alleen de mens het beeld van God, of [anders gezegd] naar het beeld van God geschapen? ==== Christus is het natuurlijke, waarachtige en meest volmaakte beeld van God de Vader.((*2 Korintiërs 4:4 *Kolossenzen 1:15)) Dat geldt ten aanzien van het feit dat Hij de eeuwige Zoon is, want Hij is uit het wezen van de Vader geboren, en niet gemaakt. Daarom wordt Hij ook ‘de afdruk van zijn wezen’ genoemd (Hebreeën 1:3). Dat geldt ook ten aanzien van het feit dat Hij in het vlees geopenbaard is, want heel het wezen van Zijn Vader en Zijn volkomenheid wordt in de gestalte van de Zoon, Die in Zijn lichaam voor ons zichtbaar is geworden, gezien en geopenbaard.((*1 Timoteüs 3:16)) Ja, wat meer is, om door de directe aanschouwing van God niet verzwolgen te worden, is de Zoon in Zijn lichamelijke gestalte voor ons als een spiegel, waarin de Vader ons Zijn oneindige en almachtige majesteit, heerlijkheid, goedheid, wijsheid, waarheid en rechtvaardigheid laat zien. Daarom zegt Christus: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Johannes 14:9).((*Johannes 12:45)) Ook de engelen zijn naar het beeld van God geschapen, want ook zij worden kinderen of zonen van God genoemd.((*Job 1:6 *Job 2:1)) Ze zijn als geestelijke, rechtvaardige en onsterfelijke wezens geschapen. En Christus leert ons duidelijk dat wij in de hemel in waarheid gelukzalig zullen zijn en daarom aan God gelijk als we daar als de engelen van God zijn geworden.((*Matteüs 22:30)) De mens wordt het beeld van God genoemd (1 Korintiërs 11:7) en is geschapen naar het beeld van God, wat niet alleen voor Adam geldt, maar ook voor Eva.((*Genesis 1:26,27 *Kolossenzen 3:10)) Dit laatste beeld is zowel bij de mensen als bij de engelen alleen gegrond op genade. ==== 5. Waarom wordt de mens het beeld van God genoemd? ==== Vanwege de gelijkenis die hij met God vertoont. ==== 6. Waarom is hij náár Gods beeld geschapen? ==== Vanwege het onvolkomene in die gelijkenis, want hij vertoonde niet volkomen het beeld van God, zoals Christus de Vader volkomen representeert of vertoont. ==== 7. Is de ‘hele Adam’, dus met ziel en lichaam, naar Gods beeld geschapen? ==== Ja, geheel en al, en dus niet alleen een bepaald deel. God spreekt namelijk door Mozes in Genesis 1:26: “Laat Ons mensen – dus niet alleen de ziel of het lichaam – maken naar ons beeld, als onze gelijkenis.” Dit blijkt ook uit het tegenovergestelde van het beeld van God, namelijk de zonde. Die zetelt immers niet alleen in de ziel, maar ook in het lichaam.((*Romeinen 6:12)) Daarom mogen we zeggen dat het beeld van God niet alleen in de ziel en niet alleen in het lichaam maar in de hele mens is geweest. Ook de vernieuwing van Gods beeld in de mens laat ons dit zien. Dat beeld is immers niets anders dan de heiliging, want niet alleen de ziel wordt geheiligd maar ook het lichaam.((*Romeinen 12:1 *1 Tessalonicenzen 5:23)) Hier komt nog bij dat God verbiedt een mens dood te slaan. Genesis 9:6 geeft als reden op: “Want naar het beeld Gods Hij de mens gemaakt.” Daarom moet het beeld van God dus op heel de mens betrekking hebben. Het is echter wel zo dat het beeld van God het eerst, het meest en in het bijzonder in de ziel tot uiting kwam, maar wel zo dat de glans en de fonkeling ervan zich ook in het lichaam manifesteerden. ==== 8. Wat is het beeld van God in de mens geweest, en uit hoeveel delen bestaat het? ==== Het beeld van God in de mens zien we in drie delen naar voren komen: - In het wezen van de mens, dat is vooral de ziel. - In zijn gaven en eigenschappen, die van zijn wezen onderscheiden zijn. - In zijn uitwendige kenmerken, zoals zijn waardigheid, zijn hoge positie, zijn heerschappij en zijn bevoorrechte positie boven alle andere schepselen. ==== 9. Waarom wordt de mens het beeld van God genoemd voor wat zijn wezen betreft? ==== Omdat de ziel, die God in de mens onuitwisbaar heeft ingedrukt, een geestelijke natuur is; ze is een verstandig, niet-lichamelijk, onsterfelijk en geestelijk wezen is, dat naar de haar gegeven mate de goddelijke natuur laat zien. De ziel is in de mens begiftigd met veel eigenschappen of vaardigheden, zoals het geheugen, het denkvermogen en de wil. Dat is een teken, zoals Augustinus zegt, dat op de eenheid van het goddelijk Wezen en de veelheid van de Personen wijst. ==== 10. Waarom geldt dat ook voor de gaven en eigenschappen van de mens? ==== De eerste reden is dat God in het begin een straal van hemelse wijsheid in het verstand van de mens heeft ontstoken. Daardoor kende hij God en Zijn wil die hem geopenbaard was, heel goed en dus ook al de werken van God en het karakter en de eigenschappen van alle dingen. Dat kunnen we afleiden uit het feit dat Adam, toen hij uit zijn slaap wakker werd, van Eva direct wist waaruit zij was voortgekomen. Hij zei immers: “Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees” (Genesis 2:23). Hij gaf ook alle dieren een naam die bij hun aard paste. Vervolgens heeft God de mens ook rijk bedeeld met de gaven van volkomen gerechtigheid en heiligheid. Daardoor volgde hij Gods gerechtigheid en heiligheid als in een spiegel na en liet die zo zien. God had hem ook de krachten gegeven waardoor hij in staat was om alles te doen wat goed was. Ten slotte had de mens ook een lichaam gekregen dat op een voortreffelijke manier geschikt was om de ziel die hem inspireerde, met gemak en zonder enige vermoeidheid te gehoorzamen.((*Genesis 1:31 *Prediker 7:29)) Daarom zegt Paulus in Efeziërs 4:24: “En de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.” En in Kolossenzen 3:10 lezen we: “En de nieuwe [mens] aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper.” ==== 11. Waarom zegt men dat de mens naar het beeld van God is geschapen voor wat betreft zijn waardigheid en heerschappij over de dingen? ==== De mens had heerschappij over de dieren en alle schepselen van het aardrijk, en daardoor beeldde hij op aarde God Zelf af, Die de Here van alle dingen is. Want Hij sprak: “… opdat zij – namelijk man en vrouw – heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde” (Genesis 1:26). In Psalm 8:7 lezen we: “Gij doet hem heersen over de werken uwer handen.” Daardoor kon Adam in het begin alle dieren tot zich roepen en daaraan gehoorzaamden ze ook (Genesis 2:19,20). Dit beeld past bij Gods uitwendige instelling en ordening; en daarom wordt in 1 Korintiërs 11:7 de man als het hoofd van de vrouw en het huisgezin, het beeld van God genoemd. In het hoofd-zijn van de man over de vrouw en alle andere dingen wordt iets gezien van de heerlijkheid en het beeld van God, evenals in alle vorm van overheid.((*Psalm 82:6)) De vrouw is niet naar Gods beeld geschapen, maar dat komt in het bijzonder aan de man toe. Deze positie blijkt uit de ordening en het doel van de schepping. De vrouw is uit de man geschapen, ter wille van de man (1 Korintiërs 11:8-9) en niet andersom. ==== 12. Heeft Adam door de zonde alle delen van het beeld van God verloren? ==== Het eerste en laatste deel genoemd onder 8 zijn nog in de mens overgebleven, al gaat het daarbij slechts om enkele flauwe schaduwen:((*1 Korintiërs 11:7)) de wilde dieren laten zich nog temmen, zodat ze de mens gehoorzamen of hem in ieder geval geen schade aanbrengen. En wat de gaven en eigenschappen van de mens betreft, daarvan is ook nog iets over voor wat betreft zijn verstand en wil. Anders zou hij nauwelijks nog een mens zijn, maar een geheel en al een onredelijk dier. Maar wat zijn ware kennis van God, zijn gerechtigheid en zijn heiligheid betreft, die heeft de mens door de zonde geheel en al verloren. In de wedergeboren mensen worden die echter door Christus dagelijks weer aangebracht.((*2 Korintiërs 3:18)) De volmaaktheid zal er echter zijn als wij in de toekomende heerlijkheid ten volle gelijkvormig zullen zijn aan Christus, Die haar weer in ons opricht. ==== 13. Hoe wordt het beeld van God zichtbaar in het lichaam van de mens? ==== - Niet op die manier dat dit beeld ook eenvoudigweg een lichaam is met de gestalte als van het menselijke lichaam. Nee, dit beeld is een “lichaam” dat samengevoegd is met de redelijke ziel. En zo draagt het lichaam een deel van het beeld van God, en bevat het bij wijze van spreken de hele wereld in zich. Daarom wordt de mens ook wel “de kleine wereld” genoemd, waarin de Schepper en het beeld van de hele wereld tot uiting komen. - De vele onderdelen van het menselijk lichaam, zoals ogen, mond, tong en handen laten de geestelijke eigenschappen van God zien, zoals Zijn wijsheid en Zijn macht, en nog andere. Zie Hebreeën 8:5((*Hebreeën 8:5)) en ~Hebreeën 10:1((*Hebreeën 10:1)), waar de tabernakel, de ark van het verbond, de tafel, het heilige vaatwerk en de offers afbeeldingen waren van de hemelse en geestelijke zaken. - De gaven van de ziel straalden uit naar het lichaam, zoals het licht van de kaars de lantaarn verlicht. De gerechtigheid en heiligheid hadden invloed op het lichaam en de onderdelen ervan. Daardoor oefende de mens door zijn lichaam de waardigheid en het hoge gezag van de mens uit over alle schepselen hier op aarde. Met name door zijn voorkomen straalde hij een gebiedende, heersende majesteitelijke kracht uit, waardoor hij door de dieren als een overste over hen werd gezien. ==== 14. Met welk doel heeft God de mens naar Zijn beeld geschapen? ==== - God is in Zichzelf en vanwege Zijn natuur onzichtbaar, maar zo maakt Hij Zich in Zijn wezen en natuur in de mens – als in een spiegel – enigszins zichtbaar. Op deze wijze laat Hij Zich aan de mens kennen. De eigenlijke bedoeling van een beeld is namelijk dat de afgebeelde daardoor gekend wordt. - De mens die God zo kent, kan Hem nu beminnen, eren en verheerlijken. Alles wat “gelijk” is, heeft elkaar namelijk lief. - God Zelf kan Zich nu met de mens, die aan Hem “gelijk” is, verenigen tot eeuwige gelukzaligheid. - De mensen die naar het beeld van God geschapen zijn, kunnen nu niet alleen God liefhebben maar ook elkaar, en zo mogen ze elkaar dan zien in dit en in het eeuwige leven. - De verworpenen kunnen, omdat ze naar het beeld van God geschapen zijn, zich niet verontschuldigen. ==== 15. Welke zaken zijn in strijd met deze leer? ==== - De ketterij van de manicheeërs en de antropomorfisten. Zij hielden zich aan het verzinsel dat God lichamelijk is en dat Hij Adams lichaam geschapen had naar het beeld en de gelijkenis van Zijn eigen lichaam. En ook de nogal lompe mening van allen die gemeend hebben dat de uitwendige gestalte van de mens het beeld van God is geweest. - De dwaze mening van Osiander, die leerde dat het menselijk lichaam gemaakt is naar de gestalte van het lichaam dat door Christus zou worden aangenomen. - De mening van Flacius Illyricus, die stelde dat het beeld van God (dat is: de gerechtigheid en heiligheid van de ziel) het wezen van de ziel zelf is. - De dwaling van de scholastici, die geleerd hebben dat het beeld van God niet anders is geweest en nog is dan een casueel, van buitenaf aangebracht en uitwendig versierend element.