Institutie van Bucanus

de christelijke leer in vragen en antwoorden


Zijbalk

institutie:48

Inhoud

Het avondmaal

1. Hoe wordt het tweede sacrament van het Nieuwe Testament genoemd?

  1. Het nachtmaal of avondmaal van de Here1). Dat geldt voor wat de tijd betreft, want het werd ’s avonds of ’s nachts ingesteld vlak voor de dag dat Christus gekruisigd werd. Het geldt ook voor wat de zaak zelf betreft, de reden waarom het ingesteld is, want het is een heilige maaltijd die de Here ingesteld heeft. Dat deed Hij niet zozeer voor het lichaam, maar voor de ziel. Het wordt het ‘avondmaal van de Here’ genoemd, vanwege Hem Die het ingesteld heeft, of ook vanwege het doel ervan. Het is namelijk door de Here ingesteld en het wordt gehouden tot Zijn gedachtenis; of ook vanwege de tijd, omdat het meestal gehouden wordt op de dag des Heren, dus op de zondag.2)
  2. Het breken van het brood, maar dan opgevat als een beeldende manier van spreken, namelijk die van de metonymie, en wel een synecdocheEen stijlfiguur waarbij het geheel wordt aangeduid door een deel (of andersom). Voorbeeld: een gemeente met 100 zielen ('zielen' betekent hier 'mensen', met lichaam én ziel).. Want op andere plaatsen wordt deze uitdrukking gebruikt om een gewone maaltijd aan te geven; zie Lucas 24:3535 En zij verhaalden wat onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het brood., waar Christus door twee discipelen herkend wordt door het breken van het brood. Zie ook Handelingen 27:3535 En terwijl hij dit zeide, nam hij brood, dankte God in aller tegenwoordigheid, brak het en begon te eten., waar gesproken wordt over Paulus die op het schip het brood gebroken en gegeten heeft. De uitdrukking wordt ook gebruikt als het gaat om het mild uitreiken van de aalmoezen; zie Jesaja 58:77 Is het niet, dat gij voor de hongerige uw brood breekt en arme zwervelingen in uw huis brengt, ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem bekleedt en u niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed?: “Is het niet, dat gij voor de hongerige uw brood breekt…?” Deze manier kenden de Joden, omdat hun broden niet zo rond en dik waren zoals bij ons; ze waren juist heel breed en plat, zodat ze hun maaltijden begonnen niet door het brood te snijden zoals wij doen, maar door het te breken.
  3. Door een beeldend spreken ten aanzien van de uitwerking, wordt het ook de gemeenschap van het lichaam en bloed van Christus genoemd.3) Het is immers zoals DamascenusJohannes Damascenus (676-749) was een monnik die wel bekendstaat als de laatste Griekse kerkvader. Hij schreef onder meer 'Een nauwkeurige uiteenzetting van het orthodoxe geloof' en strijdschriften tegen de islam, tegen het manicheïsme en tegen andere ketterijen. in Boek 4 van zijn Het orthodoxe geloof, hoofdstuk 14, zegt dat wij deel mogen hebben aan Christus en zo ook in gemeenschap met elkaar leven en verenigd zijn.
  4. De tafel des Heren4), en dat door beeldend te spreken over het voorwerp, namelijk de tafel, waarop het brood en de wijn gezet worden. Daaruit blijkt duidelijk dat de apostelen bij het vieren van het avondmaal des Heren geen altaar gebruikt hebben; zie Handelingen 6:22 En de twaalven riepen de menigte der discipelen bijeen en zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen.: “Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen.” Zij dienen dus wel de tafels, maar geen altaren!
  5. Door de kerkvaders wordt het een bijeenkomst genoemd vanwege het feit dat ze bij elkaar samenkwamen om het avondmaal des Heren te houden. Het moest namelijk dienen als middel om de gelovigen samen te laten komen, en dus niet om hen van elkaar te scheiden.5) Het avondmaal behoort immers in het openbaar onder velen die met elkaar vergaderd zijn, gehouden te worden, en niet alleen in aanwezigheid van een misdienaar.
  6. Een eucharistie of dankzegging. Het woord eucharistie komt van eucharistein (danken), want het avondmaal kon niet gehouden worden zonder dankzegging.
  7. Een liefdesmaaltijd of liefdemaal, omdat bij deze maaltijd onderlinge liefde vereist wordt onder degenen die tot het avondmaal des Heren gaan. Dit woord wijst overigens ook op de broederlijke maaltijden6) tijdens een kerkelijke bijeenkomst; in dat verband wordt er ook over “broederschap” gesproken.7) Die maaltijden werden zo genoemd, omdat ze werden klaargemaakt uit de geschonken giften, en zo een duidelijk bewijs waren van de broederlijke liefde, waarbij niet vergeten mocht worden om de armen een milde handreiking te doen. Daar wijst de uitdrukking in Handelingen 2:4646 en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten. op, waar gezegd wordt dat zij huis aan huis het brood braken. Tijdens die maaltijden vierde men dan aan het einde ervan ook gewoonlijk het Heilig Avondmaal des Heren; dit blijkt duidelijk uit teksten als Handelingen 6:22 En de twaalven riepen de menigte der discipelen bijeen en zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen. en 1 Korintiërs 11:2121 want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de een hongerig is en de ander dronken..
  8. Het wordt ook een offer genoemd, omdat het brood en de drinkbeker aan de voorganger van de broeders gebracht wordt. Het gaat hier om de collecten en aalmoezen die tot onderhoud van de armen gegeven worden; en het is dus niet zo dat het avondmaal aan God opgeofferd wordt; nee, het wordt gegeven aan degenen die aan de tafel gaan. Zo leert Justinus het in zijn tweede Verantwoording aan de christenen. Het kan volgende de genoemde Justinus ook zo zijn dat de voorganger van de broeders aan God de Vader de lof, de dank en de aanbidding toezendt en opoffert, welk offer Hem aangenaam is. Hij zegt echter niet dat de Zoon door de misdienaar aan de Vader wordt geofferd.
  9. Het kan een offer, een slachtoffer en brandoffer genoemd worden, maar dan krijgt het een betekenis die wat al te vrij is en wat te ver verwijderd is van de kern. Met komt aan deze aanduiding vanwege de gebeden en de gedachtenis van het offer van Christus, dat eenmaal voor ons aan het kruis heeft plaatsgevonden. Maar dan is het wel figuurlijk en niet in eigenlijke zin bedoeld. Het is immers een gedachtenis van het enige offer [van Christus] waardoor wij ten volle verzoend zijn. Christus heeft het sacrament van Zijn lichaam Zijn eigen lichaam genoemd. Toen Christus Zijn discipelen zei dat ze het brood moesten nemen en niet te offeren, heeft Hij een sacrament ingesteld en geen offer.
  10. Cyprianus noemt het in zijn Tract. de coena Domini een sacrament dat alles voltooit. Het heeft namelijk een einde gemaakt aan al de ceremoniën van de wet, waarvan het paaslam wel het belangrijkste onderdeel was geweest. Het wordt zo ook genoemd, omdat dit sacrament de verborgenheid van onze volmaaktheid in Christus bevat.

Het woord missa, mis, vindt men nergens in de Schrift genoemd als aanduiding voor het Avondmaal des Heren, en het is in de apostolische kerk ook niet bekend geweest. Sommigen zeggen dat het afgeleid is van het Hebreeuwse woord missath, dat een ‘gave’ of een ‘heffing’ betekent.8) Maar deze afleiding is niet waarschijnlijk, omdat de Hebreeuwse woorden niet tot de Latijns sprekende kerken zijn doorgedrongen dan alleen via het Grieks. Men leest echter nergens dat de Griekse kerkvaders dit woord gebruikt hebben. De kerk in Griekenland heeft het Avondmaal des Heren echter wel een leitourgian, dat wil zeggen een heilige bediening, genoemd. In de Handelingen van de apostelen wordt immers in hoofdstuk 13:22 En terwijl zij vastten bij de dienst des Heren, zeide de heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. gezegd: “terwijl zij de Heere dienden” (HSV), oftewel: toen zij de dienst deden. Anderen zeggen – en dat stemt ook het meest met de waarheid overeen – dat het woord missio, afgeleid van mittere (laten gaan, ontslaan, verlaten) is gebruikt omdat de oude kerkvaders zoals TertullianusTertullianus (ca. 160-230) staat bekend als een van de grootste 'kerkvaders'. Hij heeft vele belangrijke geschriften nagelaten, waaronder met name strijdschriften tegen heidenen en joden, alsook tegen ketters. Hij was een fel bestrijder van het gnosticisme en legde steeds de nadruk op de feitelijkheid van het christelijk geloof. zeiden: remissa peccatorum, in plaats van remissio peccatorum, dat in beide gevallen de vergeving van de zonden betekent.9) Zo hebben ze ook missa gezegd in plaats van missio; en daaruit is de manier van spreken ontstaan Ite, missa est, dat wil zeggen: Ga, de dienst is gedaan; of: Het volk heb ik laten gaan. Het is zoals in vroeger tijd de Romeinen zeiden als de offers waren gebracht: I, licet, missa est; dat wil zeggen: Het staat u vrij om te gaan, het is gebeurd. En zoals de priester bij de Grieken in vroeger tijd zei als de offers waren gebracht: Laois aphesis, alsof hij afscheid nam van het volk en hen verliet. Zie hiervoor Apuloeus, lib. II. Metamorph. Anderen echter zeggen dat het woord missa dezelfde betekenis heeft als transmissa, namelijk een zending van het offer door de priester tot God.

Maar de roomsen hebben de mis – maar dat is een verzinsel – een offer genoemd dat in het bijzonder voor de priesters is tot vergeving van de zonden; en dat geldt dan zowel de levenden als de doden. Dit staat echter heel ver van het Avondmaal des Heren, zoals Christus het Zelf heeft ingesteld. De mis is dus beladen met verschrikkelijke afgoderij – en daarom is het beklagenswaardig dat het Heilig Avondmaal onteerd wordt door de naam ‘mis’. Bovendien is het ook niet toegestaan om dit het sacrament van het altaar te noemen.

2. Wat houdt het Avondmaal des Heren in?

Het is het tweede sacrament dat het Evangelie aanwijst en door Christus– Die direct daarna zou sterven – ingesteld is voor volwassen mensen die gedoopt zijn en zichzelf kunnen beproeven. Door het breken van het brood en het uitgieten van de wijn in de beker wordt het kruisigen van het lichaam van Christus en het uitstorten van Zijn bloed voor ons uitgebeeld en de gelovigen als het ware voor ogen gesteld. Door het geven, het aannemen en proeven van het brood en de wijn wordt de vergeving van onze zonden, die Christus door Zijn dood voor ons verworven heeft, ons voor ogen gesteld, bevestigd, voor de gelovigen verzegeld en de gedachtenis van deze grote weldaden levend gehouden. Het Avondmaal is een uitbeelding van het in geestelijke zin nemen en genieten van het lichaam en het bloed van Christus; en zo beeldt het ook de gemeenschap met Christus, het gevoed worden door Hem en de gemeenschap met Zijn andere lidmaten uit. God wordt hierdoor ook gedankt, en aan de gelovigen wordt de opdracht gegeven om het sacrament vaak te gebruiken, opdat de gelovigen in geloof en liefde toenemen en versterkt worden.

Zoals wij door de Heilige Doop herboren worden, zo worden wij door het Avondmaal – nu we herboren zijn – gevoed, en dat is een voeding in Christus tot het eeuwige leven. We weten dat de Doop maar één keer bediend wordt, maar het Avondmaal moet dikwijls gebruikt worden, omdat Christus ons daarin door het genieten van het voedsel gegeven wordt. Het voedsel en de drank die Hij geeft, moeten we in dit leven dikwijls gebruiken, omdat we daardoor gevoed worden. Het model of voorbeeld van deze omschrijving van het sacrament is de geschiedenis van het eerste Avondmaal des Heren, die door Paulus10) en de andere evangelisten11) meegedeeld en uitgelegd wordt.

3. Wie is de belangrijkste werkende oorzaak voor wat betreft het Avondmaal des Heren?

Dat is de Heere Zelf; Hij alleen is de testament-maker van het Nieuwe Testament en Hij heeft het verbond der genade ingesteld. Hij is God, onze Verlosser, in Wie alleen het de Vader behaagd heeft alles onder één hoofd samen te vatten (Efeziërs 1:1010 om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten.). Hij is de weg, de waarheid en het leven (Johannes 14:66 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.), de Hogepriester (Hebreeën 3:11 Daarom, heilige broeders, deelgenoten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus.), en de eeuwige Koning van Zijn gemeente (Psalm 2:66 Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg.). Alleen van Hem heeft de Vader vanuit de hemel geroepen: “Hoort naar Hem” (Matteüs 17:55 Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!). Hij is het ook door Wie het de naam “het avondmaal des Heren” heeft gekregen. Dit sacrament behoort dan ook door de dienaars van het Evangelie getrouw onderwezen en eerbiedig bediend te worden. Het mag niet worden veranderd, niet door er iets aan toe te doen of er iets aan af te doen, en ook niet door er iets aan te wijzigen. In 1 Korintiërs 11:2323 Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam. zegt Paulus immers: “Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb”. In Galaten 1:1212 Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus. zegt hij: “Ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.” Die openbaring ontving hij wellicht, toen hij in het paradijs oftewel in de derde hemel werd opgenomen. Dat betekent overigens niet dat hij allerlei ook niet gekregen kan hebben van anderen, zoals bijvoorbeeld Ananias of van andere discipelen, die ze van Christus zelf gehoord en gezien hebben, en wellicht ook van [zijn mededienaar] Lukas zelf.

4. Wanneer is het ingesteld?

Het Avondmaal des Heren werd ingesteld in het jaar 3995, in het jaar 33 na Christus’ geboorte, op donderdag 24 maart in de avonduren, toen het al heel laat was, en nadat Hij door Judas aan de Joden verraden werd.12) Dat gebeurde om verschillende redenen.

  1. Voorafgaand aan het schaduwbeeld, namelijk het plechtig en sacramenteel eten van het paaslam naar de regels van de wet, heeft Christus in plaats daarvan het evangelische Avondmaal ingesteld; zie Lucas 22:14-2014 En toen het uur aangebroken was, ging Hij aanliggen en de apostelen met Hem. 15 En Hij zeide tot hen: Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten, eer Ik lijd. 16 Want Ik zeg u, dat Ik het voorzeker niet meer eten zal, voordat het vervuld is in het Koninkrijk Gods. 17 En Hij nam een beker op, sprak de dankzegging uit en zeide: Neemt deze en laat hem bij u rondgaan. 18 Want Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet van de vrucht van de wijnstok drinken, voordat het Koninkrijk Gods gekomen is. 19 En Hij nam een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis. 20 Evenzo de beker, na de maaltijd, zeggende: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt.. Nadat de eerste ceremonie was voltooid, is het nieuwe met plechtige woorden ingesteld, iets wat ook de apostel ons voorhoud in 1 Korintiërs 5:77 Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus.: “Want ook ons paaslam is geslacht: Christus.” Hieruit volgt dat het Avondmaal ons Pascha is. De betekenis van beide sacramenten is immers dezelfde, want Christus, het ware en geheel reine Offer dat voor de zonden van de wereld is geofferd, werd in het oude sacrament beloofd als Hij Die komen zou, en in het nieuwe is Hij gekomen. De gedachtenis aan Hem is in beide even zegenrijk: in het eerste wordt verwezen naar de verlossing uit de dienstbaarheid in Egypte en de intocht in het beloofde land; en in het tweede naar de verlossing uit de gruwelijke slavernij van de duivel en het gebracht worden in het eeuwige leven.
  2. Christus heeft in dit sacrament de gedachtenis willen vastleggen van Zijn aanstaand lijden en sterven en de weldaad die Hij daardoor voor ons heeft aangebracht.
  3. Hiermee heeft Christus bewezen en duidelijk gemaakt dat alle sacramenten en offers in het Oude Testament – en dus ook het paaslam, dat Hij in het begin van de maaltijd met Zijn discipelen gegeten heeft – door Hem zijn volbracht en tot een einde gebracht.13)
  4. Hiermee heeft Hij ook te kennen gegeven dat Hij gekomen is in de volheid van de tijd.14)
  5. Christus heeft hier Zijn Avondmaal des te meer aangeprezen en aanbevolen omdat Hij direct hierna zou sterven. Als iets vlak voor iemand sterft gezegd wordt, wordt dat des te beter onthouden. En dat geldt dat zeker voor onze vrienden, wanneer ze overlijden.

5. Christus heeft het Avondmaal ’s avonds ingesteld na de Paschamaaltijd; is het ons dan wel toegestaan dat wij het ’s ochtends, als wij nog nuchter zijn, gebruiken?

Ja, zeker wel, want ten aanzien van de omstandigheden wat de tijd betreft, de manier van zitten of liggen, van kleden of van het aantal mensen dat ter tafel gaat, zijn er geen verborgen bepalingen. Het zijn evenmin wezenlijke elementen die tot het sacrament zelf behoren, en ze zijn ook niet uitdrukkelijk door God geboden. Christus heeft immers niet gezegd om dit sacrament na het eten, of staand, of zittend of met een bepaald aantal mensen te houden. Hij heeft eerst het Pascha gevierd omdat Hij iets nieuws ná het oude wilde instellen.

Het Avondmaal kan heel gemakkelijk ’s ochtends worden gehouden, omdat men dan gemakkelijk met anderen kan samenkomen. Overdag heeft elk mens zijn eigen ding te doen waardoor hij wordt gehinderd om Gods instelling te handhaven. Een tweede reden is dat men dan het rustigst is en het verstand deze heel bijzondere dingen dan het best kan begrijpen.

In vroeger tijden hielden de gemeenteleden het Avondmaal des Heren echter vooral als ze vastten, en dat was in de avond of nacht; terwijl ze de hele dag met bidden en prediken doorbrachten en met het zingen van de lofzang. In de tijd van AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. werd het sacrament, zoals hijzelf vertelt, op de donderdag vóór het Paasfeest gehouden om daardoor des te beter Christus voor ogen te stellen; en dat deden ze dan ’s avonds laat of ’s nachts nadat ze de avondmaaltijd gebruikt hadden. Deze gewoonte is echter door het zesde concilie van Constantinopel afgeschaft.

6. Toen Christus het Avondmaal zou gaan houden, heeft Hij Zich zozeer vernederd dat Hij de voeten van Zijn discipelen heeft gewassen. Hij sprak toen: “Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb.” Zijn wij ook aan het gebod gehouden om de voeten te wassen van hen die aan de tafel des Heren zullen gaan?

Nee, zeker niet. Christus heeft namelijk de voeten van de discipelen niet gewassen, opdat ze dit juist zouden navolgen. Hij heeft hen hiermee wel uit hun hoofd willen halen wat zij droomden over het aardse rijk van de Messias, waarover ze aan het twisten waren; en Hij heeft hun een voorbeeld gegeven van werkelijke ootmoed. Op andere plaatsen zegt Christus ook tegen hen dat ze het stof van hun voeten moeten schudden, dat ze onderweg alleen een staf, maar geen brood, geen reiszak en geen geld mochten meenemen (Marcus 6:88 En Hij gebood hun niets mede te nemen voor onderweg, dan alleen een staf; geen brood, geen reiszak, geen geld in de gordel.), dat ze niemand moesten groeten die ze tegenkwamen, en dat ze hun hoofd moesten zalven als ze vastten. Dat zei Hij niet om dit precies naar de letter na te volgen, maar om de dingen in hun gedachten hierdoor op een hoger plan te krijgen en te begrijpen. Men leest ook niet dat de apostelen dit wassen van de voeten gedaan en het gebruik ervan in ere gehouden hebben. Dit wassen van de voeten was in de warme landen waar ze niet geschoeid waren zoals wij, ook meer het werk van vrouwen dan van mannen; zie 1 Timoteüs 5:99 Als weduwe kome in aanmerking iemand niet beneden de zestig jaren, die de vrouw geweest is van één man.. Een vreemde tekstverwijzing m.i.!!

7. Wie zijn – na Christus – de “meewerkende” oorzaak van het Avondmaal des Heren?

Dat zijn alleen de dienaren van het Woord, die wettig geroepen zijn en aan wie de sleutels van de gemeente zijn gegeven. Ze zijn dat als ze hun ambt in de bediening van het Woord en van het Heilig Avondmaal in het uitreiken van brood en wijn wettig uitvoeren.15) “Niemand matigt zichzelf de waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron” (Hebreeën 5:44 En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron.). Maar de Zoon van God – Die tot onze zaligheid16) niet door Zijn lichamelijke17) maar door Zijn geestelijke tegenwoordigheid bij Zijn gemeente is – bedient het Zelf. Dat doet Hij zoals een hoogste tafelmeester dat doet door zijn dienaren. Hij geeft ons even werkelijk het brood en de wijn ten leven – dat is Hemzelf – om door het geloof te genieten, als Hij ons door de hand van Zijn dienaren de tekenen daarvan duidelijk geeft, namelijk het brood om gegeten en de wijn om gedronken te worden. Zie Johannes 6:5151 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.: “Het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.”

8. Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?

Het is niet ingesteld voor allen zonder enig onderscheid. In Matteüs 7:66 Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren. verbiedt Christus om het heilige voor de honden, dus voor de goddelozen, te gooien. Het is echter wel bedoeld voor degenen die uit water en Geest geboren zijn, dat wil zeggen: voor de discipelen van Christus18), want Hij heeft hun het voedsel van Zijn levendmakend vlees en bloed toegezegd en beloofd – en Hij geeft het hun ook alleen. Het sacrament komt ook degenen toe die deelhebben aan de belofte.

Daarom werd in vroeger tijden aan de ongelovigen en ook aan de catechisanten die nog niet gedoopt waren én aan hen die zich van het Avondmaal moesten onthouden en boete deden, de opdracht gegeven om na de preek weg te gaan. Dat gebeurde door een diaken die heel duidelijk riep: “Laten nu de catechisanten en degenen die onder de ban zijn, weggaan.” Hieruit is de term Missacatechumenorum ontstaan – dat wil zeggen: Laten de leerlingen nu gaan! Als de Grieken het Avondmaal gingen houden, zeiden ze luid en duidelijk: Hagia tois hagiou – dat wil zeggen: Het heilige komt de heiligen toe! Apuleus vertelt in Boek 2 dat als de priester begon te offeren hij altijd tegen de oude heidense Grieken zei: ’t is tede – wie is daar nog? Daarop antwoordde men hem: Kaloi k’agathoi – eerlijke en goede mensen. Dat gebeurde dus als de slechte, onreine en onwaardige mensen weggegaan waren.

9. Uit hoeveel onderdelen bestaat de instelling van het Heilig Avondmaal?

Uit drie:

  1. De daad van Christus waarmee Hij de uitwendige vormgeving van dit sacrament heeft ingesteld.
  2. De woorden van Christus waarmee Hij een bevel uitspreekt en duidelijk maakt wat het innerlijke wezen en ook het doel ervan inhoudt.
  3. De wettige bediening en het eten van het Avondmaal des Heren.

10. Wat heeft Christus gedaan toen Hij het Avondmaal instelde?

  1. Hij is met Zijn discipelen aan de tafel gaan zitten; Hij heeft dus niet bij het altaar gestaan, omdat Hij geen offer instelde maar een heilige maaltijd.19) Daarom is het niet juist om het een sacrament van het altaar te noemen; het is namelijk een Avondmaal en het wordt ook wel genoemd de tafel des Heren, zoals Paulus dat ook doet.
  2. Hij heeft het materiële aspect gekozen en ingesteld, namelijk de uitwendige tekenen – en dat zijn er twee, niet meer en niet minder: het brood en de drinkbeker of de wijn in de beker. Hij heeft daarbij ook heilige en ceremoniële daden uitgevoerd, want ten aanzien van beide tekens heeft Hij de Vader gedankt, het brood genomen en gebroken, en dit aan Zijn discipelen gegeven. Zo handelde Hij ook ten aanzien van de drinkbeker of de wijn die Hij uitdeelde.

11. Maar is het Heilig Avondmaal niet een “dubbel” sacrament, omdat het méér dan één teken heeft?

Nee, want elk teken afzonderlijk is geen sacrament, maar wel beide tekens bij elkaar. Ook bij ons is het toch één maaltijd en geen “dubbele”, hoewel er veel gerechten bestaande uit voedsel en drank worden opgediend. De twee tekenen [van brood en wijn] maken de éne daad van Christus voor ons duidelijk, namelijk heel onze geestelijke voeding. Niet alleen van wat ondeelbaar en aaneengevoegd is, wordt gezegd dat het één is, maar ook van iets wat volmaakt en volkomen is. Dus iets is één in volmaaktheid, waartoe alle dingen dan ook bijeenkomen die daarvoor vereist zijn. Zo is ook een mens één, hoewel hij bestaat uit wezenlijke onderdelen die tot dat menszijn behoren.

Zo is dan ook dit sacrament, hoewel het ten aanzien van de materie uit verschillende onderdelen bestaat, één in wezen en volkomen, in zover daardoor voeding en verzadiging plaatsvindt; aldus Thomas van AquinoDe Italiaan Thomas van Aquino (1225-1274) was een filosoof en theoloog, die voor de roomse kerk geldt als een van de belangrijkste kerkleraren. Zijn werk kwam vooral neer op een synthese tussen het christelijk geloof en de filosofie van Aristoteles. in deel 3, questio 73, artikel 20.

12. Waarom heeft Christus gewild dat wij het teken in tweeërlei vorm zouden gebruiken?

  1. Christus heeft ons door de verschillende tekenen Zijn bloedige dood, het aan de dood overgeven van Zijn lichaam en het uitstorten van Zijn bloed voor onze zonden, als het ware voor ogen willen stellen en willen inprenten in ons verstand. Zelfs Belarminus geeft toe in zijn vierde boek over het sacrament van het Avondmaal, in hoofdstuk 22, dat het brood alleen Christus niet ten volle kan uitbeelden als iemand die gestorven is, maar daar hoort ook [de wijn als het] bloed bij dat vergoten is. Als men echter alleen de wijn ziet, toont dat Christus ook niet voldoende als geofferd voor de zonde; het bloed alleen zorgt er immers niet voor dat er sprake is van een offer.
  2. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt in zijn 26e verhandeling over het evangelie van Johannes dat de volledige voeding van het lichaam in dit leven bestaat uit voedsel van vaste stof en uit drank, die dus vloeibaar is. Zo mag men ook weten dat Christus ons in het Avondmaal op verschillende manieren wordt voorgesteld, namelijk als spijs én drank. We behoeven niet te denken dat ons iets ontbreekt tot ons volkomen geestelijk voedsel, als we ons door het geloof het lichaam en bloed van Christus toe-eigenen, en de weldaden die Hij door het overgeven van Zijn lichaam en het uitstorten van Zijn bloed verworven heeft. Zo eten en drinken we Christus Zelf door het geloof. Zie Johannes 6:5555 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank.: “Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank.”

Degenen die tegen het nadrukkelijk bevel van Christus in de drinkbeker scheiden van het brood in het Avondmaal, laten dus de volkomenheid van dit sacrament los; en daarom geven zij ons slechts een halve genoegdoening in Christus voor onze zonden.

13. Zondigen zij dan die de drinkbeker scheiden van het brood in het Avondmaal?

Ja, heel ernstig.

  1. Zij wijken af van de instelling door Christus en verkondigen het evangelie op een andere manier dan Christus en Zijn discipelen gedaan hebben.20)
  2. De gelovigen ontvangen méér vrucht uit beide tekenen dan uit één. De twee tekenen geven de zaak waar het om gaat, beter weer, en ze raken het hart ook meer. Anders zou Christus het tweede teken immers ook ten onrechte gebruikt hebben; en dat is ondenkbaar.
  3. Hieronymus zegt: “Het is bij ons nu niet zoals het onder de wet was, toen de priesters een deel van het offer ontvingen en het andere deel was voor de offeraars, maar ons wordt nu zowel het lichaam als de drinkbeker aangeboden.”21)
  4. Het is geen enkel concilie toegestaan om iets tegen Gods Woord in te besluiten.
  5. We zijn wel niet altijd verplicht te doen wat ons bevolen wordt – zoals bijvoorbeeld wanneer we niet in de gelegenheid zijn om de Doop of het Avondmaal des Heren te ontvangen – maar als we het doen, is het ons niet toegestaan ook maar in het minste van Gods instelling af te wijken.
  6. We zijn nu vrij van de vele ceremoniën en hebben er nu slechts enkele overgehouden, die heel duidelijk zijn. Daarom is het iets onverdraaglijks dat we deze niet ongerept willen laten blijven.
  7. Het paaslam, het manna en de offerdieren zijn geen schaduwen en afbeeldingen van het Avondmaal, maar van Christus; bovendien wordt in 1 Korintiërs 10:3-43 allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, 4 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus. gezegd dat de Israëlieten dezelfde geestelijke spijs hebben gegeten en dezelfde geestelijke drank gedronken.
  8. Het is bijgeloof geweest om het brood van het Avondmaal te bewaren, dat overigens beter bewaard kon worden dan de wijn.
  9. Onze tegenstanders geven zelfs toe dat het brood in vroeger tijd aan hen die ter tafel gingen, in de hand gegeven werd en dat de drinkbeker door de diaken aan de mond gezet werd van hen die in de gemeente daaruit wilden drinken. En op de sacramentsdag – zoals ze die noemen – zingen ze het volgende: dedit fragilibus corporis ferculum; dedit tristibus salutis poculum, dicens , accipite quod trado vasculum; omnes ex eo bibite – dat wil zeggen: Hij gaf de zwakken Zijn lichaam, Hij gaf de bedroefden de heilzame beker, zeggend: Neem wat Ik u geef in Mijn Naam, en drinkt daaruit altezamen.
  10. Het godzalige geweten behoort niet beroofd te worden van de liefelijke en heilzame belofte die de Zoon van God verbonden heeft aan de gemeenschap van de drinkbeker.
  11. De reden waarom Christus het gebruik van de drinkbeker heeft ingesteld, is niet weggenomen.
  12. Paulus schrijft aan heel de gemeente van Korinte, ja aan al degenen die de Naam van Jezus Christus in welke plaats ook aanroepen (1 Korintiërs 1:22 aan de gemeente Gods te Korinte, aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen met allen, die allerwege de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen, hun en onze (Here).); en niet alleen aan de dienaars van die gemeente. Hij geeft daarbij de opdracht dat men het Avondmaal onder beide gestalten nemen en geven zal, want hij zegt: Neem, eet en drinkt. De woorden “eet” en “drinkt” zijn niet minder in de gebiedende wijs gezegd dan het woord “beproeft” of “de mens beproeve zich” – en dat geldt zolang tot de Heere wederkomt; zie hoofdstuk 11:2828 Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker..
  13. De mensen dwalen als ze menen dat de gemeente van de leken vroeger de gemeenschap inhield van hen die [het Avondmaal hielden] onder één gestalte, en de geestelijken – zoals ze die noemen – onder beide gestalten. Toen werd het sacrament namelijk onder beide gestalten gevierd. Er werd echter over de gemeenschap der leken gesproken, omdat de geestelijken die uit het ambt van hun bediening gezet waren vanwege bepaalde grove zonden die ze hadden begaan, niet samen met de dienaren van de gemeente ter tafel gingen, maar met het gewone volk.
  14. Het sacrament van het Avondmaal is nog maar kort geleden verminkt en verdraaid.
  15. Als er wordt gesproken over het breken van het brood wordt daaronder in beeldspraak het gehele Avondmaal bedoeld – een deel wordt dus genomen voor het geheel. Anders zouden de apostelen die de bevoegdheid hadden het brood te breken, maar één teken gebruikt hebben.

14. Zijn de ongemakken die Gerson meedeelt, belangrijke en ook gerechtvaardigde redenen waarom aan de leken terecht de beker in het Avondmaal onthouden wordt?

Er valt dan volgens hem aan verschillende dingen te denken: 1. de wijn kan gemakkelijk gemorst worden; 2. ze wordt ook niet zonder gevaar gedragen; 3. in de winter wordt de wijn gemakkelijk zijn geur en smaak, en hij wordt zuur; 4. ’s Zomers gaat wijn snel stinken en komen er veel wormen in; 5. daardoor gaan degenen die eruit drinken van walgen; 6. in sommige landen is wijn moeilijk te krijgen; 7. leken moeten bij het gebruik de beker aanraken; 8. sommige leken dragen baarden; 9 ook lijden sommigen van hen aan jicht of ze zijn verlamd; 10. de priesters zijn waardiger dan leken.

Het antwoord op deze bezwaren is: Nee. Daarvoor zijn de volgende redenen:

  1. Christus en Zijn apostelen en ook de eerste christenen hebben deze en dergelijke dingen ook wel begrepen, maar ze hebben ze niet zo op waarde geschat dat ze daarom het Heilig Avondmaal van één van zijn tekenen zou beroven.
  2. Het is ook mogelijk dat het brood op de grond valt of schimmelig wordt als men het lang bewaart, maar toch wordt het daarom niet uitgesloten. Men moet er uiteraard wel op letten dat men de verborgenheid van het sacrament niet op een oneerbiedige of lichtzinnige gebruikt. Als het echter voorkomt dat er per ongeluk een kruimel boord of een druppel wijn op de grond valt, dan mag dat element niet meer als een [onderdeel van het ] sacrament beschouwd worden.
  3. Het bewaren van de tekenen van het sacrament om gebruikt te worden voor hen die in de komende tijd ziek zijn, en ook het dragen ervan van de ene naar de andere plaats, is voortgekomen uit menselijk bijgeloof.
  4. Het is bijgeloof om de leken – van wie Paulus in 1 Korintiërs 6:1111 En sommigen uwer zijn dat geweest. Maar gij hebt u laten afwassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd door de naam van de Here Jezus Christus en door de Geest van onze God. zegt dat ze geheiligd en gerechtvaardigd zijn door de Naam van de Here Jezus en door de Geest van onze God – niet toe te staan dat ze de drinkbeker met de hand of met de mond aanraken.
  5. Een besluit dat genomen wordt op grond van privéomstandigheden of bepaalde bijzonderheden is niet goed. Er zijn inderdaad mensen die walgen van de wijn en in sommige landen is er heel moeilijk aan wijn te komen; er zijn ook landen waar hij vanwege de kou slecht bewaard kan worden. Maar zal men daarom een gebod uitvaardigen dat het sacrament onder één gestalte gehouden moet worden dat voor heel de christenheid geldt? Vanwege de genoemde redenen zou men met meer recht kunnen besluiten dat zij die geen wijn kunnen zich van het Avondmaal des Heren behoren te onthouden óf dat men in landen waar men niet aan wijn kan komen een andere gewone drank die de mensen daar drinken, zal gebruiken.
  6. Men behoorde en behoort nog steeds niet de drinkbeker aan de vrouwen te onthouden, omdat er mannen met baarden ten Avondmaal gaan, want die mannen waren er ook in de eerste christengemeenten.
  7. Christenen behoren niet zo buitengewoon omzichtig te zijn; en als er sommigen van hen die aangaan, zich zo ongemanierd en onbetamelijk gedragen, of met ziekte en lichamelijke kwalen bevangen zijn dat men bang is besmet te worden – dan mogen die mensen alléén of als laatste aangaan.
  8. Ook lijders aan jicht en mensen die heel erg beven en hun hoofd schudden moeten van dezelfde voorzichtigheidsmaatregelen gebruikmaken, zodat het nodig is om de instelling van Christus te veranderen.
  9. Men mag Gods gebod niet weigeren om de inzettingen van mensen te kunnen behouden; zie Matteüs 15:66 Zo hebt gij het woord Gods van kracht beroofd ter wille van uw overlevering..
  10. De waardigheid van de dienaar bestaat niet hierin dat hij het Avondmaal onder beide gestalten kan gebruiken en het volk slechts onder één, maar in de eigenschappen die de apostel noemt in 1 Timoteüs 3:22 Een opziener dan moet zijn onbesproken, de man van één vrouw, nuchter, bezadigd, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen. en 5:1717 De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht., waar hij zegt dat de ouderlingen dubbel eerbewijs toekomt als zij zich belasten met prediking en onderricht. En Chrysostomos heeft gezegd22): “Er is niets waarin de dienaar van een ander lidmaat van de gemeente verschilt als men gebruikmaakt van de sacramenten, want wij worden altezamen, zowel de een als de ander, waardig geacht daaraan deel te nemen. Ignatius zegt in zijn brief aan de gemeente van Filadelfia: “Eén brood wordt voor allen gebroken en de drinkbeker aan allen uitgedeeld.” Ten slotte zegt Gelasisus dat men het zich aan godslastering schuldig maakt als men in een en hetzelfde sacrament een scheiding maakt.
  11. Welke dekmantel men ook probeert te gebruiken, Christus heeft het Avondmaal onder twee tekenen ingesteld en ook aan de discipelen bevolen het onder beide tekenen te ontvangen. “Neemt, eet, drinkt, en doe dat.” De instelling van het Heilig Avondmaal zoals Paulus die ons beschrijft in 1 Korintiërs 11:2323 Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam. e.v., geldt voor alle gelovigen. Ten slotte mag gezegd worden dat het sacrament één geheel moet blijven en zo ook gebruikt moet worden.

15. Waarom heeft Christus brood genomen, en geen broden?

Om daarmee de verborgenheid aan te geven van één en hetzelfde lichaam; daarom krijgen allen die aangaan deel aan één brood.

16. Wat voor brood heeft Christus gebruikt, gezuurd of ongezuurd?”

Echt en gewoon brood, maar wel ongezuurd; allereerst vanwege het feit dat het de eerste dag was van de ongezuurde broden – de dag waarop Christus het Avondmaal heeft ingesteld, nadat Hij met Zijn discipelen het paaslam gegeten had.23) En ook omdat men zulk brood op de dagen dat het Pascha gevierd werd, moest eten; het was dan immers niet geoorloofd om dan gezuurd brood te eten.24) Als de apostel over het Heilig Avondmaal spreekt, noemt hij dat wat de Korintiërs aten, gewoonweg ‘brood’. Daarmee bedoelt hij ongetwijfeld gewoon brood – brood dat bij hen gebruikt werd en zoals de gemeente daar in Griekenland gebruikte.

17. Waarom heeft Christus het brood ingesteld als een sacrament van Zijn lichaam?

Vanwege de overeenkomst die er is in de eigenschappen van het teken én in dat wat het betekent.

  1. Zoals het tarwegraan in fysieke zin brood wordt, zo wordt het lichaam van Christus geestelijk brood.
  2. Zoals het brood door de hitte van het vuur in de oven gebakken wordt, zo is het lichaam van Christus als het ware gebakken door de hitte van het kruis en tot brood des levens toebereid.
  3. Zoals het lichamelijke leven door brood onderhouden en gevoed wordt, zo wordt de ziel gevoed tot het geestelijke en eeuwige leven door Jezus Christus, het Brood des levens.
  4. Zoals het hart van de mens door brood gesterkt wordt25), zo versterkt ook de kracht en de verdienste van Christus’ lichaam de ziel tot eeuwig leven.
  5. Zoals brood de lichamelijke honger verdrijft, zo verzadigt ook de verdienste van Christus’ lichaam de honger van de ziel.
  6. Zoals brood nuttig is voor degene die honger heeft maar niet voor hen die al verzadigd zijn, zo is ook de kracht en de verdienste van het lichaam van Christus ten bate van hen die hongeren naar de gerechtigheid. Maar voor hen die trots zijn op hun eigen gerechtigheid en daarmee verzadigd zijn, baat het in het geheel niet.
  7. Zoals brood dat aan velen tegelijk wordt uitgedeeld, een teken is van eendracht, zo is ook het lichaam van Christus, dat voor velen geofferd is, een pand van Christus’ goedwillendheid en van de onderlinge liefde onder ons.
  8. Zoals brood uit veel tarwekorrels gebakken wordt, zo vormen wij allen die delen in dat ene brood, het verborgen en geestelijke lichaam van Christus. “Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood”(1 Korintiërs 10:1717 Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood.).

18. Waarom heeft Christus liever brood genomen dan vlees of een bepaald ander voedsel, om Zijn Avondmaal in te stellen?

Christus heeft niet gekeken naar de kleur of de uitwendige vorm waarmee het vlees het beste het beeld van vlees weergeeft, maar Hij heeft gelet op de voedingskracht die méér voor brood geldt dan voor vlees, van welk schepsel dat ook is.

19. Wat voor soort wijn heeft Christus gebruikt en wat heeft Hij ons wat dit betreft door Zijn voorbeeld geleerd?

Geen wijn die gemengd is met water, die de Grieken in de Oudheid krama noemden en die ze gebruikten als iets heel gewoons.26) Dit is niet nodig voor het sacrament van het Heilig Avondmaal, omdat het water voor de Israëlieten die dorst hadden, uit de rots vloeide die op Christus wees.27) Er was ook water en bloed uit de zijde van de Here Jezus gevloeid28). In de eerste christelijke gemeenten ging het er soms wat te los aan toe als ze het Avondmaal gebruikten29), zodat ze bij de liefdesmaaltijden dronken werden.30) Men heeft toen de wijn met water gemengd, zodat de wijn die van zichzelf krachtig is, minder nadelige gevolgen zou hebben. Men deed dit ook wel om daarmee de vereniging van de gemeente met Christus aan te geven; het water was dan een aanduiding van de gemeente, zoals Cyprianus het uitlegt. En ten slotte gebeurde dit om de vereniging van de twee naturen van Christus uit te beelden, zoals Nycephorus zegt.31)

Deze bewijsvoeringen zijn echter niet voldoende om die beweringen vaste grond te geven. Het komen van water en bloed uit de zijde van Christus betekende, zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt, de twee sacramenten – de Doop en het Avondmaal. In de tweede plaats drinkt men tijdens het Avondmaal niet zo veel en ook niet zulke sterke wijn dat men daar dronken van kan worden. De vereniging die wij met Christus hebben, wordt bovendien ook op andere manieren duidelijk gemaakt.

Vanuit deze overwegingen kan men beter zeggen dat Christus ongemengde wijn heeft gebruikt, omdat de Schrift in het geheel niet spreekt over water dat met de wijn is gemengd en evenmin over rode of witte wijn. Er wordt alleen over de vrucht van de wijnstok gesproken; zie Matteüs 26:2929 Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders.: “Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders” Deze woorden voegen Matteüs en Marcus bij de woorden over de geestelijke drinkbeker, maar bij Lucas lijken ze op een andere plaats gezet te zijn; zie Lucas 22:1818 Want Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet van de vrucht van de wijnstok drinken, voordat het Koninkrijk Gods gekomen is. – zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt in Lib. 3 De consensu Euangelistarum, cap. 1. Men vindt ze overigens ook niet in de Syrische vertaling. Chrysostomos zegt in Homil. 83 over Matteüs 261 En het geschiedde, toen Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot zijn discipelen zeide: 2 Gij weet, dat het over twee dagen Paasfeest is, en alsdan wordt de Zoon des mensen overgeleverd om gekruisigd te worden. 3 Toen kwamen de overpriesters en de oudsten des volks bijeen in het paleis van de hogepriester, genaamd Kajafas, 4 en zij beraamden een plan om Jezus door list in handen te krijgen en te doden. 5 Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen opschudding ontsta onder het volk. 6 Toen Jezus te Betanië was, in het huis van Simon de melaatse, 7 kwam een vrouw tot Hem met een albasten kruik vol kostbare mirre en goot die uit over zijn hoofd, terwijl Hij aanlag. 8 Toen de discipelen dit zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe die verkwisting? 9 Want deze (mirre) had duur verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. 10 Maar Jezus merkte het op en zeide tot hen: Waarom valt gij deze vrouw lastig? Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht. 11 De armen hebt gij immers altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd. 12 Want toen zij deze mirre over mijn lichaam uitgoot, heeft zij dat gedaan om mijn begrafenis voor te bereiden. 13 Voorwaar, Ik zeg u, overal waar dit evangelie verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft. 14 Toen ging één van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters, 15 en hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. 16 En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren. 17 Op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: Waar wilt Gij, dat wij toebereidselen maken voor U om het Pascha te eten? 18 Hij zeide: Gaat naar de stad tot die-en-die en zegt tot hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; bij u houd Ik met mijn discipelen het Pascha. 19 En de discipelen deden, zoals Jezus hun had opgedragen, en zij maakten het Pascha gereed. 20 Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf [discipelen]. 21 En terwijl zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal. 22 En zeer bedroefd, begonnen zij, een voor een, tot Hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Here? 23 Hij antwoordde hun en zeide: Die zijn hand met Mij in de schotel heeft gedoopt, die zal Mij verraden. 24 De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. 25 Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was. Judas, zijn verrader, antwoordde en zeide: Ik ben het toch niet, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. 26 En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. 27 En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. 28 Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. 29 Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders. 30 En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg. 31 Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. 32 Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea. 33 Petrus antwoordde en zeide tot Hem: Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit! 34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. 35 Petrus zeide tot Hem: Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen. Zo spraken ook al de discipelen. 36 Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot de discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden. 37 En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mede en Hij begon bedroefd en beangst te worden. 38 Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij. 39 En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. 40 En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende, en Hij zeide tot Petrus: Waart gijlieden zo weinig bij machte één uur met Mij te waken? 41 Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. 42 Wederom, ten tweeden male, ging Hij heen en bad, zeggende: Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die drinke, uw wil geschiede! 43 En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren bezwaard. 44 En Hij liet hen daar en ging wederom heen en bad ten derden male, opnieuw dezelfde woorden sprekende. 45 Toen kwam Hij bij de discipelen en zeide tot hen: Slaapt nu maar en rust. Zie, de ure is nabijgekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. 46 Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij. 47 En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, één van de twaalven, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten des volks. 48 En die Hem overleverde had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem. 49 En terstond trad hij op Jezus toe en zeide: Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem. 50 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. 51 En zie, één van die bij Jezus waren, strekte zijn hand uit, trok zijn zwaard en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af. 52 Toen zeide Jezus tot hem: Breng uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. 53 Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen? 54 Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden? 55 Op dat ogenblik sprak Jezus tot de scharen: Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen? Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen. 56 Doch dit alles is geschied, opdat de schriften der profeten in vervulling zouden gaan. Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten. 57 Die nu Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, bij wie de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren. 58 En Petrus volgde Hem van verre tot aan de hof van de hogepriester, en binnengekomen zijnde, ging hij tussen de dienaars zitten om de afloop te zien. 59 De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, 60 hoewel er vele valse getuigen optraden. 61 Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen. 62 En de hogepriester stond op en zeide tot Hem: Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U? 63 Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God. 64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels. 65 Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zeide: Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u? 66 Zij antwoordden en zeiden: Hij is des doods schuldig. 67 Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; 68 anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden: Profeteer ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft? 69 Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zeide: Ook gij waart bij Jezus, de Galileeër. 70 Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zeide: Ik weet niet, wat gij zegt. 71 Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zeide tot hen, die daar waren: Die man was bij Jezus, de Nazoreeër. 72 En wederom loochende hij het met een eed: Ik ken de mens niet. 73 Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden: Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u. 74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet. 75 En terstond kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had: Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter. eveneens: “Van de vrucht van de wijnstok, die toch werkelijk alleen wijn geeft en geen water.” Als men een allegorie mag gebruiken, zou men Jesaja 1:2222 Uw zilver is met onzuivere bestanddelen vermengd, uw edele wijn is met water vervalst. (“Uw edele wijn is met water vervalst”) kunnen uitleggen als een vervalsing van het Avondmaal des Heren.

20. Waarom heeft Christus de wijn ingesteld als een sacrament van Zijn bloed?

Vanwege de gelijkheid in eigenschappen en werking van de wijn en het bloed van Christus. Hierbij zijn de volgende overwegingen van belang.

  1. De wijn komt voort uit de wijnstok en is een heerlijke drank; het bloed van de ware wijnstok Christus dat uit Zijn zijde vloeide, is een heilzame drank voor de ziel.
  2. De wijn lest de dorst van het lichaam, en zo lest de verdienste door het bloed van Christus ook de dorst van de ziel.
  3. De wijn verheugt het hart van de mens32), en zo verblijden de beloften van Christus de ziel.
  4. De wijn verwarmt het lichaam, geeft ons meer zin en stelt ons meer in staat om ons werk te doen; en als het bloed van Christus door het geloof wordt aangenomen, zet het de ziel aan om het goede te doen; het wekt ons op en maakt ons door de kracht van de Heilige Geest des te vaardiger om alle goede werken te doen.
  5. De wijn verdrijft de kou, en zo verdrijft het bloed van Christus een verkoeling in de liefde.
  6. De wijn maakt ons minder bang en des te meer vrijmoedig, en zo maakt het bloed van Christus dat door het geloof wordt aangenomen, ons vrijmoedig en stelt ons gerust tegenover God; ook maakt het ons standvastig in onze belijdenis, zodat er helemaal niets is waarvoor we bevreesd hoeven te zijn.
  7. De wijn zorgt ervoor dat we gemakkelijker onze mond opendoen en maakt ons welsprekend; zo maakt ook het bloed van Christus dat door het geloof wordt aangenomen, ons welsprekend in onze belijdenis en in de verkondiging van Christus’ weldaden.
  8. De wijn neemt de fletse kleur van ons gezicht weg en doet het gezicht van een mens glanzen van olie33); en zo verandert het bloed van Christus de bleke kleur van de ziel vanwege de vrees voor de dood, in een liefelijke rode kleur. Dit houdt in dat het geweten gerustgesteld wordt en maakt ons aangenaam voor God, omdat we met een mooi en blozend gezicht (dus gerechtvaardigd) en welvarend voor Hem mogen verschijnen.

21. Maar als men in verschillende landen niet zulk brood en zulke wijn heeft als wij, met welke tekenen moet men dan het Avondmaal houden?

Met die vormen van voedsel en drank die de mensen in die landen als eten en drinken gebruiken. Dat komt namelijk geheel overeen met de bedoeling van Christus. Daarom werd het de geestelijken in Noorwegen toegestaan – zoals Volaterranus schrijft – om als de situatie dat noodzakelijk maakte, het Avondmaal zonder wijn te gebruiken maar met honingdrank of honing met wijn vermengd. De wijn die men in dit land importeert, bederft namelijk al heel snel vanwege de kou.

22. Waarom zijn er eigenlijk twee tekenen nodig, het brood én de wijn? De gehele mensheid van Christus leeft toch met al zijn delen - en dus met lichaam én bloed - verheerlijkt in de hemel? En vanwege de natuurlijke verbondenheid van Christus' lichaam en bloed kan toch het geheel worden aangeduid door één van beide? Want waar Zijn levend lichaam aanwezig is, moeten ook Zijn bloed en ziel aanwezig zijn. En vanwege de hypostatische vereniging [van Zijn twee naturen] is daar dan ook Zijn godheid. Er hoeft toch geen controverse te ontstaan over dingen die gelijkwaardig zijn: één in plaats van twee tekenen zou voldoende moeten zijn? Vandaar toch ook het vers van Thomas: "Het vlees is spijs, het bloed is drank, maar Christus blijft geheel aanwezig onder beide gedaanten."

  1. Omdat dezelfde redenering ten aanzien van de verbondenheid van Christus' lichaam en bloed ook zou moeten gelden voor de priesters die de mis vieren, die echter ook steeds het gehele sacrament willen gebruiken.
  2. Omdat Christus Jezus, die de eeuwige Wijsheid van de Vader is en niets overbodigs aan de Kerk heeft toevertrouwd, deze twee tekenen heeft ingesteld en het gebruik van de beker uitdrukkelijk aan allen heeft aanbevolen door te zeggen: "Drinkt allen hieruit." Daarmee gaf Hij aan dat het drinken van hetzelfde bloed, vergoten voor velen, aan alle gelovigen zonder onderscheid van volk, geslacht of status gemeenschappelijk is. Daarom mag het gebod van God niet worden overtreden omwille van menselijke overwegingen, aangezien Hij het brood uitdrukkelijk lichaam en de wijn bloed heeft genoemd. De Kerk kan de materie of de vorm niet veranderen.
  3. Omdat, hoewel de delen van de betekende werkelijkheid (het lichaam en bloed van Christus) onlosmakelijk verbonden zijn, men deze in de uiterlijke ceremonie niet van elkaar mag scheiden of verdelen.
  4. Omdat Christus niet besloten ligt in de sacramentele tekenen. Hij is aanwezig in het avondmaal, niet voor wat het brood betreft, maar wat de mens betreft.
  5. Omdat het lichaam en bloed van Christus ons in deze sacramentele handeling niet worden voorgesteld zoals Christus nu in de hemel leeft met zijn volledige, ongescheiden mensheid, maar zoals Hij zich aan het kruis voor ons in de dood heeft overgegeven, waarbij zijn bloed uit zijn lichaam werd vergoten. De woorden die aan de tekenen zijn toegevoegd, roepen nadrukkelijk uit dat het lichaam en bloed van Christus ons worden aangeboden en getoond als afzonderlijke zaken in het offer van het kruis.
    Daaruit volgt dat de verbondenheid van lichaam en bloed niet kan worden toegepast op de dood van Christus – want "aanwezig zijn in het lichaam" en "uit het lichaam vloeien" zijn tegenstrijdige begrippen. Deze verbondenheid staat daarom lijnrecht tegenover de instelling van Christus zelf. Dit betekent echter niet dat de hypostatische vereniging van Zijn godheid en Zijn mensheid hierdoor zou worden verbroken; deze bleef namelijk zelfs in de dood behouden, ook al werden zijn ziel en bloed van zijn lichaam gescheiden.

Daarom zegt Beda terecht: "Het brood verwijst mystiek naar het lichaam van Christus, en de wijn naar Zijn bloed." En zo hebben de kerkvaders altijd over dit mysterie gesproken, alsof in elke bediening van het avondmaal Christus dagelijks voor ons wordt gedood, sterft en geofferd wordt. Chrysostomus zegt hierover: "In de beker is datgene wat uit zijn zijde vloeide, en wij nemen daaraan deel."

23. Maar als iemand vandaag aan de dag in een plaats woont waar aan de [zogenaamde] leken de drinkbeker geweigerd wordt, moet zo iemand zich dan geheel aan het Avondmaal onttrekken?

Het is verreweg het beste als hij zich daarvan onthoudt als hij al eerder vanuit het Evangelie weet dat dit met het Woord van God in strijd is. Het is immers een ernstige zonde om tegen zijn geweten in de instelling van Christus te overtreden. Ambrosius zegt dan ook heel terecht: “Hij die het sacrament op een andere manier bedient dan door de Heere is ingesteld, is Hem niet waardig. Wie anders handelt dan de Insteller heeft bevolen, mag niet de naam krijgen dat hij met toewijding werkzaam is geweest.”

24. Wat heeft Christus gedaan, nadat Hij het brood genomen had?

Hij heeft een tweede soort van tekenen ingesteld, namelijk de zichtbare handelingen om het Avondmaal te bedienen, oftewel de ceremonie bij het uitreiken van het Avondmaal des Heren. Hierdoor heeft Hij een voorbeeld gegeven dat alleen bedoeld is voor de dienaren van het Evangelie.

25. Wat zijn die ceremoniën?

Christus heeft de Vader gedankt, aan Wie Hij de genade van onze verlossing als de voornaamste Oorzaak daarvan toeschrijft. Door dit voorbeeld leert Hij ons dit ook te doen, zowel bij het gebruiken van het Heilig Avondmaal als in het nuttigen van ons dagelijks voedsel en het gebruikmaken van andere dingen34). En direct daarop heeft Hij het ook gezegend en ervoor dank gezegd. De uitdrukkingen “als Hij gezegend had” en “als Hij gedankt had” worden bij de instelling van het Avondmaal des Heren door elkaar heen gebruikt; zie Matteüs 26:26-2726 En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. 27 En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. en Marcus 14:2222 En terwijl zij aten, nam Hij een brood, sprak de zegen uit, brak het, gaf het hun en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam.. De zegening (eulogia) en de dankzegging (eucharistia) worden niet door het kruisteken bekrachtigd, zoals de roomsen dwaas genoeg denken, alsof Hij een magische bezwering heeft uitgevoerd. Nee, door de zegening – dus door het gebed tot God – heeft Hij het brood en de wijn tot een heilig gebruik toebereid, ingesteld, bestemd en geheiligd.

Het woord “zegenen” wordt gebruikt ten aanzien van:

  1. God, Die in het algemeen schepselen zegent zoals in Genesis 1:2828 En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt., of in het bijzonder Zijn gemeente zoals in Numeri 6:2424 De Here zegene u en behoede u.; het wordt dan gebruikt in de zin van goed doen, omdat God door een woord van Hem alles tot stand brengt en geestelijke en lichamelijke gaven geeft;
  1. mensen, die God zegenen ofwel prijzen (geprezen of geloofd zij de Here, Lucas 1:6868 Geloofd zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing gebracht.) of die Hem danken en grootmaken; of ook andere mensen door hun alle goeds toe te wensen (Matteüs 5:4444 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen.) en hen te prijzen35).

Toch betekent dit woord vaak hetzelfde als consacreren, dat wil zeggen: afzonderen van het aards gebruik, heiligen en wijden, verkiezen en bestemmen voor een heilig gebruik naar Gods verordening, zoals in Genesis 2:33 En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.: “En God zegende de zevende dag en heiligde die.” Daarom zegt Ecumenus dat de woorden “de beker der dankzegging zegenen” (1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?) hetzelfde betekenen als door ons mensen gezegd wordt als wij mensen zegenen, oftewel door gebeden en dankzegging hoogachten.

Hieruit komt het woord consecratie voort, oftewel heiliging en zegening. Die heiliging ontstaat niet door het eenvoudig letterlijk lezen van de tekst in het evangelie, de brief aan de Korintiërs, maar door het gebed, de dankzegging, de heldere en getrouwe verslaggeving en de bewogen en duidelijke uitleg van de woorden van Christus over de instelling ervan en de belofte hierin. Die belofte is altijd vol kracht en daarom geldt die ook voor geheel de ceremonie of de heilige handeling die Christus ons bevolen heeft te onderhouden, zoals Hijzelf gedaan heeft. God werkt hierin met kracht, zodat de dingen die gewone middelen zijn om het lichaam te voeden, sacramenten worden van het lichaam en bloed van Christus. Ze worden voor ons ingesteld tot levendmakend voedsel en drank en ons zo voorgehouden. Zo wordt dit gewone voedsel tot voedsel dat heilig en geestelijk is. Voedsel en de drank worden bestemd voor het gebruik om het lichaam en het bloed van Christus zijn. Dat is niet vanwege de eigenschappen ervan, maar vanwege Gods instelling. Die instelling moet worden uitgelegd, zodat het geloof iets heeft dat mag worden omhelsd – zowel in het Woord als in deze elementen en tekenen van voedsel en drank. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt ervan: “Ons brood en de beker worden voor ons tot iets geestelijks door een bepaalde consecratie of heiliging; dat gebeurt dus niet vanuit zichzelf.”

Daarom dwalen zij heel ernstig die de consecratie alleen betrekking laten hebben op de woorden “Dit is mijn lichaam” en “Dit is mijn bloed”. Dat geldt ook voor hen die de consecratie verbinden met de verborgen kracht van die woorden, die zij “werkzame woorden” noemen, waardoor het wezen van het brood zou veranderen, oftewel het lichaam en bloed van Christus in het brood worden opgenomen. De Here Jezus sprak immers het brood niet aan, maar de discipelen toen Hij over het brood zei: “Neem en eet, dit is mijn lichaam”, en zo verder.

Gregorius zegt dat de apostelen het gebed des Heren alleen hebben uitgesproken bij de consecratie of heiliging.36) Justinus zegt dat het Avondmaal door het gebed plaatsvindt37), Cyprianus dat het door de aanroeping van de allerhoogste God plaatsvindt38), en Ireneüs door de dankzegging. Dit laatste is hetzelfde als wat de apostel zegt in 1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?: “De beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken.” Ambrosius zegt: “Door de woorden van de Here Jezus Christus.”39) Wat die woorden dan zijn, legt hij in hoofdstuk 5 uit, waar hij spreekt over de woorden van de instelling. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. ten slotte zegt: “Het Woord komt bij het element, en dan wordt het een sacrament.”

De Schrift zegt nergens dat de regel van de mis – waarvan de roomsen zeggen dat zonder die regel er geen consecratie of gemeenschap van het Avondmaal des Heren kan plaatsvinden – door Christus of door de apostelen zou zijn ingesteld. Nee, het is een roomse en verzonnen instelling, die als de jas van een bedelaar door heel veel auteurs en veel verschillende tijden in elkaar geflanst en bij elkaar geschraapt is – een instelling die vol godslastering is, gericht tegen Christus.

26. Wat heeft Christus na de zegening gedaan?

Het brood dat Hij genomen had, heeft Hij gebroken; en dat niet alleen om het des te beter te kunnen uitdelen, maar ook om ons Zijn dood als het ware voor ogen te houden en uit te schilderen.

27. Is het breken van het brood een minder belangrijke plechtige handeling?

Nee; het breken van het brood is een wezenlijke en sacramentele handeling, die het doel van het Heilig Avondmaal heel in het bijzonder dient en dus ook de vormgeving ervan bepaalt; en dit geldt ook voor het schenken van de wijn in de beker. Het zijn beide handelingen waardoor de gelovigen Christus met de ogen van het geloof aanschouwen. Dat gebeurt niet alleen als Hij Zich geheel en al voor ons overgeeft, maar ook als Hij aan het kruis met onuitsprekelijke pijn naar ziel en lichaam gemarteld, verscheurd, vermorzeld, verbroken en vaneengescheurd wordt, totdat Zijn ziel en lichaam met geweld als twee delen van elkaar gescheiden worden en naar Zijn menselijke natuur als het ware in twee delen gekloofd zijn.

Het is niet zo dat het lichaam van Christus zelf inderdaad gebroken werd, want er mocht geen been aan Hem gebroken worden, zoals het paaslam dit ook uitbeeldde40). Het werd toen echter wel vreselijk gemarteld, de zijde van het lichaam werd doorstoken, door de handen en voeten werden spijkers geslagen en ten slotte werd het gescheiden van de ziel. Daarom zeggen we dat het lichaam gebroken is, en dat is de reden waarom de apostel dat wat met het brood gebeurde – en wat nog steeds hoort te gebeuren – aan het lichaam van de Here zelf toeschrijft. Dat doet de apostel door het ten aanzien van het sacrament uit te beelden en de daarvoor gebruikte woorden onderling te verwisselen. De apostel zegt daar immers van het brood dat Jezus ‘het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis’ (1 Korintiërs 11:2424 de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis.). Door de manier van breken wordt het Avondmaal ook wel “het breken van het brood” genoemd.41)

Dat het breken van het brood in de tijd van Paulus in de gemeenten een gewoonte was, blijkt duidelijk uit zijn eigen woorden, als hij in 1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? zegt: “Het brood, dat wij breken…” De kerk heeft deze gewoonte lange tijd gehandhaafd. De manier van uitdelen van een hostie oftewel een ouwel – een dun en rond koekje – heeft de roomse kerk ingesteld.

28. Wat heeft de Here gedaan met het gebroken brood en de geschonken wijn?

Hij heeft het brood aan Zijn discipelen gegeven of het hun in de hand gedrukt en uitgedeeld. Daarmee heeft Hij geleerd dat de gelovigen in de uitdeling van brood en wijn door het geloof Christus Zelf moeten aanmerken. Dan is het alsof ze daarin Hemzelf zien Die met Zijn eigen hand Zichzelf met het eeuwige leven aan hen uitdeelt om gegeten te worden. Dit doet Hij ook werkelijk door de kracht van Zijn Heilige Geest.

29. Welke woorden heeft Christus daaraan toegevoegd?

Dat zijn drie soorten uitspraken geweest. Sommige zijn gesproken als een gebod, waarmee Hij heeft bevolen wat Hij wilde dat Zijn kinderen in het houden van het Avondmaal zouden doen. Daarmee heeft Hij ook de vorm en het wezen aangegeven waarmee en waarin in het Avondmaal moet gehouden worden. Andere woorden zijn meer van vaststellende aard; dat zijn de sacramentele woorden of belovende woorden , die Hij ter verklaring aan de tekenen heeft toegevoegd – woorden waarmee Hij het wezen van het sacrament ofwel de “betekende zaak” verklaart. Ten slotte zijn er woorden die een nog wat ruimere verklaring geven; woorden waarmee Christus het doel van deze heilige handeling heeft uitgelegd.

30. Wat beveelt Christus Zijn gelovigen tijdens het Avondmaal te doen?

In de eerste plaats leert Hij in de bediening van het Avondmaal wat de dienaars of uitdelers van het brood en de wijn verplicht zijn te doen. Daarna geeft Hij aan wat de gehele gemeente in het aannemen en gebruiken daarvan behoort te doen. Hij spreekt in deze heilige handelingen immers zijn apostelen aan als de herders en uitdelers van Zijn sacramenten maar ook als heel de gemeente der gelovigen.

Allereerst geeft Christus Zijn apostelen of de dienaars als zij hun taak waarnemen, de opdracht om het brood en de wijn te nemen, God de Vader daarvoor te danken, en het brood te breken en uit te delen. Als Hij in Lucas 22:1919 En Hij nam een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis. en in 1 Korintiërs 11:24-2524 de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. 25 Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. zegt: “Doet dat tot Mijn gedachtenis”, moet men het woordje “dat” niet laten slaan op het brood of op de beker, maar op wat de Here Jezus met het brood en de wijn gedaan heeft. Hij heeft Zijn lichaam en bloed in de gedaante van brood en wijn niet aan God, Zijn Vader, geofferd, maar Hij heeft het boord genomen, gedankt en gebroken. En zo nam Hij ook de drinkbeker, die Hij niet aan God opdroeg, maar aan Zijn discipelen gegeven heeft; met de twee opdrachten: eet, en vervolgens: drink allen daaruit. Ditzelfde – en niet wat anders – is ook aan de dienaren opgedragen. Als ze dat niet doen, zal Christus hen beschuldigen dat ze Zijn opdracht en bevel niet goed uitgevoerd hebben.

Men moet ook niet teveel letten op de betekenis van het Latijnse facere, doen, als Christus zegt: “Doet dat…”, tonto pojeite, dat door de Latijnse kerkvaders soms is vervoegd met een ablativio casu en dan sacrificare, offeren, betekent. Zij zeggen: facere hac vel illa victima, deze of die offerande doen; zoals bijvoorbeeld in dit vers uit Vergilius’ Eclog. 3: Cum faciam vitula pro frugibus, ipse venito. Dat betekent: Kom zelfs als ik een jong kalf voor mijn korenoogst offer; en niet, zoals de roomsen met een kalververstand uitleggen: cum faciam vitulam. Dat doen ze ook als het woorden uit de Schrift betreft, zoals datgene wat geofferd of aan de Here opgedragen wordt, bij het woord zelf wordt gevoegd, of als de tekst uitdrukkelijk van offers spreekt. Als de Schrift bijvoorbeeld van een lam of geit zegt dat men er meel of iets dergelijks aan toe moet voegen, dat wil zeggen: te offeren – dan is dat naar de Hebreeuwse en niet naar de Latijnse manier van spreken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Leviticus 15:1515 En de priester zal ze bereiden, de ene als zondoffer en de andere als brandoffer. En de priester zal verzoening over hem doen voor het aangezicht des Heren vanwege zijn vloeiing.. Mozes beveelt daar dat twee tortelduiven geofferd moeten worden; hij zegt dan: “En de priester zal ze bereiden, de ene als zondoffer en de andere als brandoffer.” In Numeri 28:44 het ene schaap zult gij des morgens bereiden, het andere schaap zult gij in de avondschemering bereiden. staat: “Het ene schaap zult gij des morgens bereiden, het andere schaap zult gij in de avondschemering bereiden”, dat wil zeggen: offeren. Maar het woord “doen”, in dit geval “doet dat”, betekent nergens “offeren”, maar wel doen wat ten tijde van het eerste Avondmaal gedaan werd. En dan betekent het zowel het uitdelen als het ontvangen van het Avondmaal.

Vervolgens slaan de woorden “doet dat” op wat de communicanten – dus degenen die ter tafel gaan – in het gebruiken van het Heilig Avondmaal behoren te doen. Dat blijkt uit het feit dat Paulus ze niet alleen op de dienaars toepast, maar op heel de gemeente van Korinte. Daarom geeft hij aan dat de genodigden die ter tafel gaan en communiceren, eerst het gebroken brood zullen nemen, het dan zullen eten en vervolgens de gegeven wijn zullen drinken. Dit zijn sacramentele handelingen of ceremonies, en degenen die tot de tafel des Heren komen, zijn eraan gehouden deze uitwendige tekenen eerbiedig in de hand te nemen, te eten en te drinken.

31. Heeft Christus in het laatste avondmaal Zichzelf dan niet onder de gedaante van brood en wijn aan God de Vader opgeofferd, en heeft Hij niet bevolen dit tot aan het einde van deze wereld toe moet gebeuren?

Hij heeft inderdaad met woord en daad het offer dat Hij de dag daarna aan het kruis zou brengen, uitgeschilderd, en ook bevolen dat men dit tot een gedachtenis in stand zou houden. Maar Hij heeft niet metterdaad en in eigenlijke zin Zichzelf in de gedaante van brood en wijn aan God, Zijn Vader, opgeofferd en ook niet bevolen dat men daar een offer van zou gaan maken tot vergeving van de zonden. [Daarvoor zijn de volgende argumenten:]

  1. Hij heeft door een offer dat éénmaal heeft plaatsgevonden “voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden” (Hebreeën 10:44 want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen.; zie ook 5:55 Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer toegekend hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem sprak: Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt.). En “waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen zondoffer meer nodig” (Hebreeën 10:1818 Waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen zondoffer meer (nodig).). Dat gebeurt dus niet door twee offers: één onbloedig en de ander bloedig – waarbij het ene het belangrijkste is en het andere het tweede in belangrijkheid, als een gedenkoffer dat men zich toe-eigent – en ook niet door het herhalen van een en hetzelfde offer.
  2. De vrucht van dit enige offer wordt ons toegeëigend – zowel uitwendig door het Woord en door het wettig gebruik van de sacramenten, als inwendig door de kracht van de Heilige Geest en door het geloof.
  3. De afbeelding van een ding of de toe-eigening daarvan is niet dat ding zelf. Dingen zijn van elkaar verschillend in getal, in de manier waarop het gezien wordt, in de manier van doen en in wat er nog meer over kan worden gezegd. Het Avondmaal des Heren en het offer van Christus aan het kruis kunnen werkelijk niet hetzelfde ‘ding’ zijn. Het beeld van het ding en het ding zelf zijn niet hetzelfde dan alleen voor hen die krankzinnig zijn. De toe-eigening van de verzoening of voldoening brengt dus met zich mee dat de voldoening eerst moet hebben plaatsgevonden.
  4. Christus heeft tijdens het Avondmaal ook geen offer gebracht, en Hij heeft Zijn dienaren ook niet de opdracht gegeven om te offeren waardoor de zonden weggewassen en vergeven zouden worden.
  5. Er is ook niets wat de kracht heeft om de zonden te verzoenen dan alleen het enige offer aan het kruis.
  6. “Zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving”, zegt Hebreeën 9:2222 En nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving.. Nergens in de Schrift wordt gezegd dat Christus aan God wordt geofferd, dan alleen dat Hij Zich in de dood heeft overgegeven. In Hebreeën 9:2525 ook niet om Zichzelf dikwijls te offeren, gelijk de hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het heiligdom gaat. lezen we immers: “Ook niet om Zichzelf dikwijls te offeren, (…), “want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging der wereld”.
  7. Men leest ook nergens in de Schrift dat Christus aan God geofferd moest worden, zodat Zijn offer ons zou worden toegerekend. We lezen wel dat men Hem door het geloof moet aannemen; zie Romeinen 3:2525 Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden.: “Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed.”
  8. Hij wordt in de verkondiging van het Evangelie42) als de Gekruisigde wel enigszins gezien als geofferd, maar dan op een figuurlijke en geestelijke wijze; en ook niet voor God, maar voor ons, opdat wij Hem omhelzen, Die we van ganser harte door het geloof hebben aangenomen.
  9. De apostel heeft nadat de enige Hogepriester verschenen is, in het Nieuwe Testament verder niet gesproken over deze of gene “onder-priesters” die in de plaats van Christus of in plaats van de vroegere priesters zouden komen.43)
  10. Het enige en volkomen offer van Christus heeft alle uitwendige offers tenietgedaan.
  11. In uitwendige en werkelijke zin vindt er geen verzoenend offer plaats behalve wanneer er bloed vloeit. Het uitgieten van het bloed [of de wijn] vindt in het Avondmaal op sacramentele wijze plaats, dus niet metterdaad.
  12. In Maleachi 1:1111 Want van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, is mijn naam groot onder de volken, allerwege wordt mijn naam reukwerk gebracht en een rein spijsoffer, want groot is mijn naam onder de volken, zegt de Here der heerscharen. lezen we: “Want van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, is mijn naam groot onder de volken, allerwege wordt mijn naam reukwerk gebracht en een rein spijsoffer, want groot is mijn naam onder de volken, zegt de Here der heerscharen.” Dit slaat niet op een uitwendig offer, maar is een beeldende, allegorische aanduiding die de profeet gebruikt naar aanleiding van de ceremoniën van de wet; zie ook Jesaja 2:22 En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des Heren vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen..44) Het wijst echter op de geestelijke offers, dus op het geestelijk dienen van God, zoals die een aanvang nam nadat Christus Zijn gemeente oprichtte en ook de heidenen de verkondiging van het Evangelie hebben aangenomen. Daarover wordt in Hebreeën 13:1515 Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden. gesproken: “Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden.”
  13. Daniël zegt in hoofdstuk 12:1111 Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid. dat in de tijd dat Antiochus land en volk tiranniseert, dat het dagelijks offer wordt gestaakt. Dat moet men dus zo opvatten dat het dagelijkse offer in de jaren van Antiochus’ regering voor een tijd ophield, en later bij de verwoesting van Jeruzalem geheel en al onmogelijk werd gemaakt. Chrysostomos legt dat uit in zijn Negende oratie tegen de Joden. De tekst kan ook in beeldende zin betekenen dat het dienen van God zoals dat in Zijn Woord beschreven wordt, tegengestaan zal worden als de antichrist in de wereld regeert; ook dit wordt door Chrysostomos genoemd als hij Daniël 121 Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden. 2 Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. 3 En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos. 4 Maar gij, Daniël, houd de woorden verborgen, en verzegel het boek tot de eindtijd; velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen. 5 En ik, Daniël, zag en zie, daar stonden twee anderen, de een aan deze oever van de rivier, en de ander aan gene oever der rivier, 6 en de een zeide tot de man die met linnen klederen bekleed was en zich boven het water van de rivier bevond: hoelang toeft het einde dezer wonderbare dingen? 7 Toen hoorde ik de man die met linnen klederen bekleed was en zich boven het water van de rivier bevond, zweren bij Hem die eeuwig leeft, terwijl hij zijn rechter- en zijn linkerhand naar de hemel hief: Een tijd, tijden en een halve tijd; en wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn. 8 Ik nu hoorde het wel, maar begreep het niet en zeide: Mijn heer, waarop zullen deze dingen uitlopen? 9 Doch hij zeide: Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd. 10 Velen zullen zich laten reinigen en zuiveren en louteren, maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen der goddelozen zal het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan. 11 En van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt opgericht, die verwoesting brengt, zijn het duizend tweehonderd en negentig dagen; 12 welzalig hij die blijft verwachten en duizend driehonderd vijfendertig dagen bereikt. 13 Maar gij, ga het einde tegen, en gij zult rusten en opstaan tot uw bestemming aan het einde der dagen. becommentarieert.
  14. Melchizedek is wel een voor-beeldend type van Christus geweest, maar hij is dat niet geweest vanwege de uitwendige offers; daar wordt in Genesis 14:18-2018 En Melchisedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij nu was een priester van God, de Allerhoogste. 19 En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde, 20 en geprezen zij God, de Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd. En hij gaf hem van alles de tienden. immers niet over gesproken, en evenmin in de uitvoerige vergelijking van Christus met Melchizedek in Hebreeën 71 Want deze Melchisedek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, die Abraham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende, 2 aan wie ook Abraham een tiende van alles gegeven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging (van zijn naam): koning der gerechtigheid, vervolgens ook: koning van Salem, dat is: koning des vredes; 3 zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos. 4 Merkt dan op, hoe groot deze is, aan wie de aartsvader Abraham een tiende gegeven heeft van het beste van de buit. 5 Nu hebben zij, die uit de zonen van Levi het priesterambt verkrijgen, volgens de wet wel de opdracht tienden te heffen van het volk, dat is, van hun broeders, hoewel dezen uit de lendenen van Abraham zijn voortgekomen; 6 maar hij, die zich niet tot hun geslacht kon rekenen, heeft van Abraham tienden genomen en een zegen gegeven aan de drager der beloften. 7 Nu is het onwedersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend. 8 En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch dáár iemand, van wie wordt getuigd, dat hij leeft. 9 Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht (van een ander) onderworpen, 10 want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchisedek deze tegemoet kwam. 11 Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht had, immers, daaronder heeft het volk de wet ontvangen - waarom was het dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Melchisedek opstond, van wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aäron is? 12 Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van wet. 13 Want Hij, van wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had: 14 het is immers duidelijk, dat onze Here uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft. 15 En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchisedek een andere priester opstaat, 16 die dit niet geworden is krachtens een wet met een voorschrift betreffende vleselijke (afkomst), maar krachtens een onvernietigbaar leven. 17 Want van Hem wordt getuigd: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek. 18 Want een vroeger voorschrift wordt wel afgeschaft, als het zonder kracht en nut is, 19 - immers de wet heeft in geen enkel opzicht het volmaakte gebracht - maar thans wordt een betere hoop gewekt, waardoor wij nader tot God komen. 20 En in zoverre het niet zonder een plechtige eed plaats had - want genen zijn zonder eed priester geworden, 21 maar déze met een eed bij monde van Hem, die tot Hem sprak: De Here heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester in eeuwigheid - 22 in zoverre is Jezus ook van een beter verbond borg geworden. 23 En zíj zijn in groter getale priester geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden het te blijven, 24 doch Híj heeft, juist doordat Hij in eeuwigheid blijft, een priesterschap, dat op geen ander kan overgaan. 25 Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. 26 Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven; 27 die niet, gelijk de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk, want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer bracht. 28 Want de wet stelt als hogepriester mensen, die met zwakheid behept zijn, maar het plechtige woord van de eed, die ná de wet kwam, stelt de Zoon, die in eeuwigheid volmaakt is.. De overeenkomst is er: (1) omdat Melchizedek tegelijk zowel koning als priester was; (2) omdat hij als priester Abraham zegende, dat wil zeggen: Gods genade en gunstbewijzen toewenste: “Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste”; (3) omdat hij als het ware zonder geslachtsrekening, als “eeuwig” in de Schrift wordt voorgesteld; (4) omdat men daaruit kan afleiden dat hij hoger was dan Abraham en zijn nakomelingen – Abrham heeft hem immers tienden gegeven.

Stel nu echter – waarmee we niet kunnen instemmen – dat Melchizedek toen hij Abraham die met zijn personeel na de overwinning was teruggekeerd, aan de maaltijd ontving, eerst brood en wijn genomen en geofferd heeft. Dat betekent dus dat hij God door een offer voor de overwinning gedankt heeft en ook voor het gebruik van het voedsel voor het lichaam en voor alle andere ontvangen weldaden. Ook onder de heidenen was dit de gewoonte, zoals Athenus Homerus daarin prijst dat hij de Griekse vorsten beschrijft als personen die nooit aan tafel gaan zitten en evenmin daarvan opstaan vóór zij geofferd, gebeden en gedankt hadden. Maar uit dit alles volgt nog niet dat de dankzegging van Melchizedek een offer is geweest voor Abraham en de zijnen om voor hen de vergeving der zonden te verdienen.

Zo vindt er ook in het Avondmaal een heilig offer plaats; dat wil zeggen dat wij na het proeven en smaken van het lichaam en bloed des Heren God danken voor het geestelijke voedsel en voor de grote overwinning waardoor Christus de zonde en de dood voor ons overwonnen heeft en ons in Zijn overwinning laat delen. Deze dankzegging verdient echter voor hen en voor anderen níet de vergeving van de zonden. En nog veel minder volgt hieruit dat Christus Zichzelf in het Avondmaal onder de gedaante van brood en wijn zou geofferd hebben. We kunnen alleen vaststellen dat het brood en de wijn die aan Abraham gegeven werden, in allegorische zin voorbeelden zijn geweest van Christus Die Zichzelf aan ons in het Avondmaal aanbiedt, opdat wij Hem door het ware geloof aannemen. In deze zin passen de oude kerkvaders het voorbeeld van Melchizedek toe op het Avondmaal des Heren. Dat maakt Lombardus voldoende duidelijk als hij zegt: “Melchizedek zag op de manier en de ceremonie van dit sacrament, toen hij Abraham brood en wijn gaf.”((In Lib. 4. Sentent. distin 8.))

Ten slotte is het zo dat de oude kerkvaders af en toe het Avondmaal een offer noemen. Dat gebeurt om verschillende redenen.

  1. De tekenen worden gezegend.
  2. In dit sacrament houdt men het enige offer in gedachten, dat voor ons aan het kruis is gebracht; en het wordt hier in het sacrament voor ons uitgebeeld.
  3. Dit sacrament is een dankoffer of offer van dankzegging vanwege de plechtige belijdenis van het geloof, de gebeden en vooral ook vanwege de bijzondere dankzegging.
  4. Het was in vroeger tijd de gewoonte dat de gelovigen ter gelegenheid van het Heilig Avondmaal hun aalmoezen gaven en op milde wijze hun deel gaven tot onderhoud van arme medebroeders, wat ook als een soort geestelijk offer is te beschouwen.45) Daarom zegt Lombardus46) ook: “Christus is eenmaal gestorven aan het kruis, en aldaar geofferd; maar dagelijks wordt Hij geofferd in het sacrament, omdat men in het sacrament de gedachtenis gaande houdt aan datgene wat eenmaal heeft plaatsgevonden.” En in Distinct. 13 zegt hij: “Het wordt een offer (sacrificium) genoemd, omdat het voor ons door het gebed in de Geest geheiligd wordt, tot een gedachtenis aan het lijden van de Here.”

32. In de christelijke gemeente heeft men bij het gebruik van de sacramenten drie vormen van offer onderhouden. De eerste is geheel geestelijk van aard, waarin ieder zich met een verslagen en gelovig hart voor God stelt. De tweede is zichtbaar als ieder wat meebrengt, zodat hij niet met lege handen voor God verschijnt (Exodus 23:15). De derde is die van het eigen lichaam en bloed van de Here. Zijn deze laatste twee nu terecht door onze gemeenten ongedaan gemaakt?

Ja, maar als men het op de goede manier opvat, zijn ze geen van beide ongedaan gemaakt, maar veel meer op het juiste voetstuk gesteld. Het is wel zo dat de aalmoezen nu niet meer zó worden gegeven als men vroeger deed, toen ze die besteedden om gezamenlijk de maaltijd te houden. Die maaltijden noemden ze agapas, liefdemaaltijden, om daarmee de armen bijstand te verlenen en andere noodzakelijke dingen in de gemeente te handhaven. Ze legden die gaven gewoonlijk op de avondmaalstafel of op een bank die daarvoor gemaakt was – die in de door hen apostolisch genoemde regels een offerkist genoemd werd (Canon 3). Door middel van een plechtig gebed werd deze tafel voor een godzalig gebruik ingewijd, nadat ze eerst het brood en de wijn hadden weggeborgen die ze in het bijzonder voor het gebruik van het Heilig Avondmaal hadden gezegend. Deze gemeenschappelijke maaltijden waren allang in onbruikgeraakt naar het bevel van Paulus: “Heeft iemand honger, laat hij thuis eten, opdat gij niet tot uw oordeel bijeenkomt.” Zo langzamerhand waren de zaken in de christelijke gemeente zo uitgekristalliseerd dat men niet zozeer hoeft bezig te zijn om middelen te zoeken waarmee de dienaars van de kerk konden worden onderhouden. Veel meer ging men erop toezien dat de bezittingen die de kerken hebben, goed besteed worden. Daarom is het niet nodig geweest om zodanige offers als in Gods Woord niet nadrukkelijk worden geboden, in onze gemeenten te handhaven. Het is echter genoeg als men zorg draagt dat de dienaren van het Woord fatsoenlijk kunnen rondkomen, dat de armen goed verzorgd worden, dat er scholen worden opgericht, dat de leerlingen en de onderwijzers worden onderhouden, en dat men wordt voorzien van school- en kerkgebouwen. Daarom mag men ook niet verzuimen de aalmoezen die gegeven worden, in de kerken of op een geheime plaats bijeen te brengen.

Het blijft dus bij ons geheel het brengen van een offer zonder bloed. Men ziet de zegening van de tekenen zelf – dat wil zeggen: de geschiedenis en de verklaring van de instelling door de Here, met daarbij gevoegd de gebeden waardoor – zoals Cyprianus zegt – het lijden van de Zoon aan God de Vader als het ware geofferd wordt. Terwijl zo aan heel de gemeente de dood van Christus verkondigd wordt, wordt deze dood als het ware aan God geofferd en toegeëigend. Dit gebeurt ook door de plechtige belijdenis van het christelijk geloof. En ten slotte is er als men de dankzegging als een offer opvat, de milde uitdeling van de aalmoezen.

33. Wat verstaan we onder “nemen”?

  1. De schrijvers van het Evangelie gebruiken het woord labein of lambanein, nemen. Dat betekent letterlijk: bij de hand nemen; daarom wordt door de Grieken alles waarmee men iets pakt of grijpt, zoals een heft, een oor of een handvat, een labe genoemd.
  2. Het lijkt ook niet geloofwaardig te zijn dat Christus bij dit eerste Avondmaal het brood in de mond van ieder van de discipelen gelegd heeft. Dat kan ook niet worden afgeleid uit de geschiedenis van de instelling van ’s Heren Avondmaal en evenmin uit de manier waarop Christus met Zijn discipelen aan de tafel zat. In Johannes 13:2323 Eén van de discipelen, dien Jezus liefhad, lag aan de boezem van Jezus. wordt gezegd dat Johannes tijdens het laatste avondmaal aan de boezem van Jezus lag, naar de manier die men in die tijd gewoon was bij het aanzitten of aanliggen aan tafel. Ze lagen voor de maaltijd uitgestrekt op de grond of op bedden die daarvoor in de eetkamer bekleed waren; daarvan is sprake in Lucas 22:1414 En toen het uur aangebroken was, ging Hij aanliggen en de apostelen met Hem.. Ze lagen dan als het ware in het rond, waarbij de een de ander ondersteunde met de hoofden binnenwaarts gericht en de voeten buitenwaarts.
  3. Van nog meer betekenis is dat de manier van voedsel en drank direct met de mond tot je nemen en niet met de hand, niet passend is voor volwassen mensen, die weten wat goed en kwaad is47). Zoveel het mogelijk is behoren zij zich daaraan toch te houden, en zij krijgen ook de opdracht zich te beproeven vóór ze aan de tafel des Heren gaan. Dat direct eten en drinken met de mond past wel bij schreeuwende kinderen die nog in de wieg liggen en geen onderscheid kunnen maken tussen wat rechts of links is48).
  4. Bovendien blijkt hier dat het woord nemen opgevat moet worden als: met de hand nemen. Het is immers ongerijmd dat in de woorden van Christus één ding tweemaal wordt genoemd; uit de woorden “eet en drinkt” is uiteraard duidelijk dat dit met de mond moet gebeuren.
  5. Het gebruik in de vroege kerk laat dit alles ook duidelijk. Daarvan hebben we een voorbeeld in de woorden van Ambrosius die hij tegen keizer Theodorus de Grote zegt: “Hoe zult u uw handen uitstrekken, terwijl het bloed van de onschuldigen er nog vanaf druipt! Hoe zult u met zulke handen het heilige lichaam des Heren aannemen? Wat zou het een grote onbedachtzaamheid zijn als u de beker vol dierbaar bloed aan uw mond zult zetten, terwijl er zoveel onschuldig bloed vergoten is door de woedende razernij van uw woorden!”

Het is dan ook een al te groot bijgeloof om te verbieden dat zij die ten Avondmaal zullen gaan, het brood en de beker van dit Avondmaal niet mogen aanraken. De mond van binnen is immers niet heiliger dan de lippen en de handen zijn. Daarom begrijp ik niet hoe men kan ontkennen dat men de leer van het pausdom volgt en hiermee dus het bijgeloof voedt, terwijl men degenen die aan de Tafel gaan, toch een klein maar héél, ongebroken broodje geeft en dat niet in de hand maar in de mond legt.

34. Wat maakt men ermee duidelijk als men het brood en de wijn in de hand neemt?

Op deze manier, dus als we de tekenen werkelijk echt in onze hand nemen, wordt Christus met Zijn weldaden – die voor onze zaligheid nodigzijn – werkelijk op een geestelijke manier door het werktuig van het geloof in ons verzegeld.

35. Wat betekent het lichamelijk eten en drinken van dit brood en deze wijn, en het feit dat deze elementen in ons lichaam worden opgenomen?

Dat Jezus Christus, Die wij door het geloof vanwege Gods kracht aannemen, zó van ons wordt – zoals het verbond van het Oude en Nieuwe Testament getuigen. Langs de weg van een onbegrijpelijke verborgenheid komt Hij als het ware in ons om het geestelijke leven in ons te verzegelen, en anderzijds komen wij weer in Hem. Dit onderscheid is er echter wel, dat de dingen die wij eten en drinken in het natuurlijke voedingsproces door de kracht van de natuurlijke warmte onderdeel van ons lichaam worden tot vernieuwing van datgene wat al ging afsterven. Maar in geestelijke zin voeden het lichaam en het bloed van Christus ons zó dat we met Christus één lichaam zijn. Ze veranderen dus ons wel, maar ze worden in ons niet veranderd, omdat wij aan Christus gelijkvormig en van gelijke gestalte met Hem moeten worden; zie Romeinen 8:2929 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. en Filippenzen 3:1010 (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende..

36. Worden de tekenen én de betekende zaken ons op een en dezelfde manier gegeven en door ons met de mond genomen?

Nee, om de volgende redenen:

  1. Er zijn twee personen die het Avondmaal bedienen: de leraar die de uitwendige handelingen verricht; en Christus Die door Zijn Heilige Geest werkt, wat inwendig gebeurt.
  2. Heel het Avondmaal des Heren bestaat uit twee zaken: het ene is aards, lichamelijk, fysiek aanwezig en zichtbaar; het andere is hemels en geestelijk – wat door de gelovige ziel wordt gekend.
  3. De mens bestaat uit twee delen: lichaam en ziel; en daardoor zijn er ook twee verschillende manieren van geven. Bij de ene wordt het fysieke door de dienaar gegeven, en bij de andere wordt het geestelijke door Christus aan de ziel gegeven. Zo zijn er ook verschillende manieren van eten: de ene is uitwendig, lichamelijk, natuurlijk, tastbaar en gebeurt met de mond – tastbare sacramentele tekenen die met de mond gegeten worden; de ander is inwendig en bovennatuurlijk, terwijl met de ogen van het geloof op de betekende zaak gezien wordt – het geestelijk eten. Het eerste is door Christus ingesteld, opdat het uitwendig eten en drinken een treffend beeld zou zijn van het geestelijke eten en drinken.

Over deze twee manieren van eten spreekt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme.49), en hij zegt dan: “Die inwendig eet, en niet uitwendig; die met het hart eet, en niet met de tanden.” Lombardus zegt erover: “Zoals er twee zaken in dit sacrament zijn, zo zijn er ook twee manieren van eten; de ene is sacramenteel, waarbij zowel de goeden en de slechten eten; de andere is geestelijk, waardoor alleen de goeden eten.”

Zoals de aardse dingen op het menselijk lichaam wijzen en op de werktuigen daarvan, zo wijzen ook de hemelse gaven op de ziel en haar voortreffelijkste werktuig, namelijk het geloof. De aardse tekenen worden door het lichaam en wat daarbij hoort met de uitwendige zintuigen en op lichamelijke wijze genuttigd en genoten. En zo worden ook de geestelijke weldaden door de ziel en haar werktuig, het geloof, op een geestelijke wijze met een [verlicht] verstand ontvangen en aangenomen.50) Hieruit mag men concluderen dat het woord eten bij het nuttigen en genieten van de tekenen letterlijk wordt opgevat, maar ten aanzien van de gemeenschap met het lichaam van Christus figuurlijk.

37. Het vlees van Christus is toch lichamelijk; is het eten daarvan in het Avondmaal dan ook niet lichamelijk?

Christus’ vlees is wel lichamelijk, omdat het tot het lichaam behoort, maar eigenlijk gezegd is het niet lichamelijk, in zover het voedsel is. Onze lichamen worden namelijk niet gevoed door Zijn vlees en bloed voor dit fysieke, tijdelijke en vergankelijke leven. Dat zou met recht een 'kapernaïtisch'51) vlees eten zijn!

Het is dus geestelijk, en dan niet ten aanzien van het wezen ervan, maar vanwege de manier waarop men het ontvangt en de geestelijke voedingskracht. De geest of de ziel van de mens neemt het immers alleen door het geloof aan; en daardoor wordt de ziel metterdaad en werkelijk – ook geestelijke daden gebeuren namelijk echt – door de kracht van de Heilige Geest gevoed en onderhouden tot bevordering van het geestelijke en eeuwige leven. De weldaad van het geestelijke leven is ook tot nut van het lichaam zelf, omdat het daardoor herboren en geheiligd wordt, en ten slotte ook de gelukzalige verrijzenis zal ontvangen. Toch mag dat voedsel niet lichamelijk genoemd worden, maar geestelijk, omdat het ons alleen geestelijke voeding schenkt. Hoewel het dus een eten is van het lichaam van Christus – ten aanzien waarvan het lichamelijk genoemd mag worden – is het ten aanzien van de manier waarop, geen eten op een lichamelijke manier. Omdat het vlees van Christus dus alleen geestelijke voedsel is en Zijn bloed een geestelijke drank, volgt hieruit dat het vlees en het bloed van Christus alleen op een geestelijke wijze gegeten en gedronken wordt; dat wil zeggen: met de mond van de ziel, dus door het geloof dat de Heilige Geest Zelf in onze harten werkt (Johannes 6:5151 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld., e.v.).

38. De woorden “Neemt en eet” spreken over een lichamelijke daad en een eten met de mond. Christus spreekt daarna over wat men nemen en eten zal: “Dat is Mijn lichaam.” Neemt men dan het werkelijke lichaam van Christus door een lichamelijke daad en een eten met de mond?

Dit klopt niet. Zoals gezegd, bestaat het Heilig Avondmaal uit twee dingen, het aardse en het hemelse; het teken en het betekende; en zo zijn er ook twee manieren van eten. Ons wordt ook opgedragen om op twee manieren te eten: eten van het teken, en eten van het betekende; het ene is lichamelijk en zintuiglijk, het andere is geestelijk en bestaat alleen in het verstand. Het woord “eten” wordt bij het ene in eigenlijke en bij het andere in oneigenlijke zin opgevat, zoals in Psalm 14:44 Hebben zij dan geen kennis, al die bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk opeten, als aten zij brood? De Here roepen zij niet aan.: “Hebben zij dan geen kennis, al die bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk opeten, als aten zij brood”; en ook in Johannes 6:5353 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf.. Anders zou hieruit volgen dat men Christus’ lichaam lichamelijk moet eten – maar dat is verschrikkelijk en met recht 'kapernaïtisch'! Christus gaat toch niet de maag in, maar Hij komt in het hart (Efeziërs 3:1717 opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde.), en Hij wordt dus niet met de lichamelijke mond gegeten. Om deze “ongerijmdheid” – naar men meent – te voorkomen, fantaseren sommigen een lichamelijke manier van eten, die op een bovennatuurlijke manier zou toegaan. Dit is echter een niet onuitsprekelijk en onbegrijpelijk groot verzinsel, dat in strijd is met zichzelf.

39. Wat is dat dan – Christus’ lichaam eten en Zijn bloed drinken?

Het is niet alleen de belofte van God geloven, Die betuigt, zoals Christus het Zelf uitlegt in Johannes 6:3535 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.: “Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.” Hier geeft de Here te kennen dat geloven drinken is en door het geloof tot Christus komen eten. Het vlees van Christus is voor ons gekruisigd, en Zijn bloed is voor ons vergoten tot vergeving van de zonden. In geestelijke zin betekent het ook gespijzigd worden met het ware lichaam van Christus, het voedsel voor onze ziel, en daardoor geestelijk leven en kracht ontvangen. Christus zegt daarvan: “(die) zal nimmermeer hongeren” en “nimmermeer dorsten”. Het is dus ook Christus door het geloof omhelzen en aannemen – en dan toont Hij Zich niet aan van verre, maar Hij verenigt Zich met ons, [waarmee Hij aangeeft dat] Hij ons Hoofd is en wij Zijn ledematen.

Daarom zegt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. in zijn tweede preek over de woorden van de apostel: “Dat eten is: verzadigd worden; en dat drinken – wat is dat anders dan te leven?” En ergens anders52) zegt hij: “Dat is: die spijs te eten en die drank te drinken, in Christus te blijven, en Christus in ons als woonplaats te hebben, zoals Christus Zelf uitlegt in Johannes 6:5656 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.: ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.’ Wie dus niet in Christus blijft en Christus niet in hem blijft – die eet ongetwijfeld Zijn vlees niet en drinkt Zijn bloed niet op geestelijke wijze, hoewel hij het sacrament van het lichaam en bloed van Christus op een lichamelijke en zichtbare manier met zijn tanden tot zich neemt.”

Het eten en drinken van het vlees en het bloed van Christus is dus: geloven; maar het is ook een vrucht van het geloof, namelijk onze inwendige vereniging met Christus. De vrucht daarvan is blijdschap in God en dus ook het eeuwige leven.53)

40. Christus wordt ons dagelijks in het Woord aangeboden om door ons in het geloof gegeten te worden, en Hij wordt ook [werkelijk] door de gelovigen gegeten (Johannes 6:35); maar waarom hebben wij dan het Avondmaal nodig?

Dat is nodig, opdat wij Hem met een des te intenser gevoel zullen eten en Hem des te nauwer en krachtiger toe-eigenen. Dat gebeurt via dit sacrament door een handeling die heel gewoon voor ons is, en door een zichtbaar ‘woord’ dat ons voor ogen houdt wat het gehoorde woord ons wil zeggen. Ons geloof wordt hierdoor meer en meer geoefend en versterkt; en zo wordt ook het geestelijk gevoelen en leven hoe langer hoe meer uit Christus, Die wij eten, gehaald en ontvangen. Dat duurt totdat we uiteindelijk op de jongste dag – wanneer we niet meer onderwezen worden door het Woord en de sacramenten – geheel in Christus en met Christus, Die daar Zelf in de hemel aanwezig is, van het eeuwige geestelijke leven zullen genieten.

41. Maak nu eens een zuiver onderscheid tussen de manieren waarop men het lichaam van Christus eet.

We spreken allereerst over het woord “sacrament” zelf, en niet over het geheel van het Avondmaal des Heren en het genieten ervan, zowel van het teken als van de betekende zaak. We spreken nu over het teken zelf, zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. het sacrament van het lichaam van Christus noemt, dat op een bepaalde manier het lichaam van Christus is. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt dikwijls dat het offer van de gemeente uit twee zaken bestaat: het sacrament en de betekende zaak van het sacrament. In die eerste zin is het eten alleen uitwendig, sacramenteel; het is dan alleen ceremonieel. Dat gebeurt door hen die in het Avondmaal des Heren het heilige teken van het lichaam van Christus met zijn lichamelijke mond uit. Als dat zonder geloof gebeurt, helpt dat in het geheel niet tot zaligheid, en het is dan ook van geen enkele waarde.

Vervolgens is er ook het eten door de ziel, het geestelijke eten van de betekende zaak, dat alleen door het geloof plaatsvindt – en dat vanuit het gehoor, het lezen van en spreken over Gods Woord van wat men leest. Dit gebeurt altijd alleen door de gelovigen, zoals ook ten tijde van het Oude Testament de oude vaders en de patriarchen gedaan hebben. In Johannes 6:53-5453 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. lezen we: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven.” En vervolgens in vers 5555 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank.: “Mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank.” Van dit eten zegt Hiëronymus: “Als wij het Woord van God horen, wordt het vlees en bloed van Christus in onze oren ingestort.”

Tenslotte is er ook het geestelijke en tegelijk sacramentele eten in het wettig gebruik van het Heilig Avondmaal des Heren door hen die daarin zowel het teken van het lichaam van Christus met hun lichamelijke mond eten als het lichaam van Christus met de mond van hun ziel – dat wil dus zeggen: met het ware geloof daaraan werkelijk deel krijgen door de kracht van de Heilige Geest. Dan eet men, zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. ooit gezegd heeft, niet alleen het brood des Heren, maar ook het brood voor de Here.

Het geestelijk eten van de ene Christus is één ……………..

Alhoewel …………….. sacramentele tekenen

deze passage op fol. 318 I linker kolom begrijp ik niet

Daarom kan men niet tegenspreken dat de teksten in Johannes 61 Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. 3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten? 6 Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. 7 Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. 8 Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: 9 Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? 10 Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. 11 Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. 12 En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. 13 Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had. 14 Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. 15 Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen. 16 En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaüm. 17 En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen, 18 en de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei. 19 Toen zij dan vijfentwintig of dertig stadiën hadden geroeid, zagen zij Jezus over de zee gaan en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd. 20 Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd. 21 Zij wilden Hem dan in het schip nemen en terstond bereikte het schip het land, waar zij heengingen. 22 De volgende dag zag de schare, die aan de andere zijde van de zee stond, dat daar geen ander scheepje was geweest dan één, en dat Jezus niet met zijn discipelen in dit schip gegaan was, maar dat zijn discipelen alleen waren weggevaren. 23 Doch er kwamen andere scheepjes uit Tiberias bij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, nadat de Here gedankt had. 24 Toen dan de schare zag, dat Jezus daar niet was en ook zijn discipelen niet, gingen ook zij in de scheepjes en kwamen te Kafarnaüm om Jezus te zoeken. 25 En toen zij Hem aan de overkant der zee vonden, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen? 26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. 27 Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. 28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en U geloven? Wat voor werk doet Gij? 31 Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven is: Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten. 32 Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; 33 want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot Hem: Here, geef ons altijd dit brood. 35 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. 36 Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien. 37 Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. 38 Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage. 40 Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 41 De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, 42 en zij zeiden: Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald? 43 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Mort niet onder elkander. 44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. 46 Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. 47 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven. 48 Ik ben het brood des levens. 49 Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; 50 dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. 51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld. 52 De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven? 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 55 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. 56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. 57 Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij. 58 Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven. 59 Dit zeide Hij, lerende in de synagoge te Kafarnaüm. 60 Vele dan van zijn discipelen hoorden dit en zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren? 61 Jezus nu wist bij Zichzelf, dat zijn discipelen hierover morden, en Hij zeide tot hen: Geeft u dit aanstoot? 62 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? 63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven. 64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou. 65 En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij. 66 Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede. 67 Jezus zeide dan tot de twaalven: Gij wilt toch ook niet weggaan? 68 Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; 69 en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods. 70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalven uitgekozen? En een van u is een duivel. 71 Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot; want die zou Hem verraden, één uit de twaalven. slaan op het geestelijke eten in het Avondmaal. Hoewel Christus hier niet heeft gesproken over tekenen, heeft Hij echter wel gesproken over de betekende zaak van het sacrament. Hierdoor hebben de kerkvaders in hun preken – die ze voornamelijk voor het volk hebben uitgesproken – deze teksten betrokken op het sacrament van het Heilig Avondmaal. Over het lichamelijke eten waardoor het lichaam van Christus in de mond genomen en in de maag verteerd wordt, gaat het hier helemaal niet, omdat dit niet in overeenstemming is met het geestelijke eten en met de hemelvaart van Christus.54) Dit lichamelijke, vleselijke eten is niet alleen tot geen enkel nut, maar het is ook kapernaïtisch! Het geestelijke eten echter maakt levend! Zie Johannes 6:62-6362 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? 63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven..

Belarminus heeft het gewaagd om te bewijzen dat de woorden van Christus in Johannes 61 Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. 3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten? 6 Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. 7 Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. 8 Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: 9 Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? 10 Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. 11 Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. 12 En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. 13 Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had. 14 Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. 15 Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen. 16 En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaüm. 17 En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen, 18 en de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei. 19 Toen zij dan vijfentwintig of dertig stadiën hadden geroeid, zagen zij Jezus over de zee gaan en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd. 20 Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd. 21 Zij wilden Hem dan in het schip nemen en terstond bereikte het schip het land, waar zij heengingen. 22 De volgende dag zag de schare, die aan de andere zijde van de zee stond, dat daar geen ander scheepje was geweest dan één, en dat Jezus niet met zijn discipelen in dit schip gegaan was, maar dat zijn discipelen alleen waren weggevaren. 23 Doch er kwamen andere scheepjes uit Tiberias bij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, nadat de Here gedankt had. 24 Toen dan de schare zag, dat Jezus daar niet was en ook zijn discipelen niet, gingen ook zij in de scheepjes en kwamen te Kafarnaüm om Jezus te zoeken. 25 En toen zij Hem aan de overkant der zee vonden, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen? 26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. 27 Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. 28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en U geloven? Wat voor werk doet Gij? 31 Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven is: Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten. 32 Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; 33 want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot Hem: Here, geef ons altijd dit brood. 35 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. 36 Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien. 37 Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. 38 Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage. 40 Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 41 De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, 42 en zij zeiden: Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald? 43 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Mort niet onder elkander. 44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. 46 Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. 47 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven. 48 Ik ben het brood des levens. 49 Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; 50 dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. 51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld. 52 De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven? 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 55 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. 56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. 57 Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij. 58 Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven. 59 Dit zeide Hij, lerende in de synagoge te Kafarnaüm. 60 Vele dan van zijn discipelen hoorden dit en zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren? 61 Jezus nu wist bij Zichzelf, dat zijn discipelen hierover morden, en Hij zeide tot hen: Geeft u dit aanstoot? 62 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? 63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven. 64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou. 65 En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij. 66 Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede. 67 Jezus zeide dan tot de twaalven: Gij wilt toch ook niet weggaan? 68 Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; 69 en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods. 70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalven uitgekozen? En een van u is een duivel. 71 Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot; want die zou Hem verraden, één uit de twaalven. werkelijk slaan op het lichamelijk eten van het vlees van Christus in het Avondmaal; en hij noemt het dan een sacramenteel eten. Hij zegt namelijk dat Christus dit Zelf met een eed bevestigt, omdat Hij de woorden “Voorwaar, voorwaar” uitspreekt. Zoiets mag alleen in kwesties die helder zijn en zekerheid hebben en die niet in een andere betekenis kunnen worden omgebogen. Anders zou men namelijk aanleiding kunnen geven om een valse eed te zweren… Deze redenering kan men echter gemakkelijk weerleggen, want Christus heeft in Johannes 3:33 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien. in een oneigenlijke, beeldende manier van spreken die door Nicodemus ook anders werd opgevat, dezelfde eed uitgesproken: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.” Als de woorden van Christus in Johannes 61 Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. 3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten? 6 Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. 7 Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. 8 Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: 9 Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? 10 Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. 11 Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. 12 En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. 13 Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had. 14 Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. 15 Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen. 16 En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaüm. 17 En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen, 18 en de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei. 19 Toen zij dan vijfentwintig of dertig stadiën hadden geroeid, zagen zij Jezus over de zee gaan en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd. 20 Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd. 21 Zij wilden Hem dan in het schip nemen en terstond bereikte het schip het land, waar zij heengingen. 22 De volgende dag zag de schare, die aan de andere zijde van de zee stond, dat daar geen ander scheepje was geweest dan één, en dat Jezus niet met zijn discipelen in dit schip gegaan was, maar dat zijn discipelen alleen waren weggevaren. 23 Doch er kwamen andere scheepjes uit Tiberias bij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, nadat de Here gedankt had. 24 Toen dan de schare zag, dat Jezus daar niet was en ook zijn discipelen niet, gingen ook zij in de scheepjes en kwamen te Kafarnaüm om Jezus te zoeken. 25 En toen zij Hem aan de overkant der zee vonden, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen? 26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. 27 Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. 28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en U geloven? Wat voor werk doet Gij? 31 Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven is: Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten. 32 Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; 33 want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot Hem: Here, geef ons altijd dit brood. 35 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. 36 Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien. 37 Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. 38 Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage. 40 Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 41 De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, 42 en zij zeiden: Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald? 43 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Mort niet onder elkander. 44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. 46 Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. 47 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven. 48 Ik ben het brood des levens. 49 Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; 50 dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. 51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld. 52 De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven? 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 55 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. 56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. 57 Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij. 58 Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven. 59 Dit zeide Hij, lerende in de synagoge te Kafarnaüm. 60 Vele dan van zijn discipelen hoorden dit en zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren? 61 Jezus nu wist bij Zichzelf, dat zijn discipelen hierover morden, en Hij zeide tot hen: Geeft u dit aanstoot? 62 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? 63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven. 64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou. 65 En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij. 66 Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede. 67 Jezus zeide dan tot de twaalven: Gij wilt toch ook niet weggaan? 68 Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; 69 en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods. 70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalven uitgekozen? En een van u is een duivel. 71 Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot; want die zou Hem verraden, één uit de twaalven. in letterlijke zin werden opgevat, zou hier de ongerijmdheid uit volgen dat ieder, hoewel hij onwaardig ten Avondmaal zou gaan, toch het eeuwige leven zou ontvangen.

Maar AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. leert het tegenovergestelde, als hij spreekt over deze woorden van Christus.55) Hij zegt dan: “Hebt u het geestelijk verstaan? Dan zijn deze woorden geest en leven. Hebt u het in vleselijke zin opgevat? Dan zijn ze ook wel geest en leven, maar niet voor u. Wat ik gezegd heb, moet u deze in geestelijke zin opvatten. U zult niet het lichaam eten dat u ziet, en evenmin het bloed drinken dat zij die Mij kruisigen, zullen vergieten. Ik heb u een sacrament toegezegd dat u levend zal maken als u het geestelijk opvat. Het vlees is u niet tot nut.” En in zijn Tractatum in Joannem zegt hij: “In Christus geloven is het Brood des levens eten.” Hij zegt verder ook dat de woorden “tenzij u het vlees eet van de Zoon des mensen” niets anders betekenen dan dat wij gemeenschap moeten hebben met het lijden van Christus en eraan moeten denken dat het vlees van Christus voor ons gekruisigd werd. Hij zegt dan ook: “Waarvoor gebruikt u uw tanden en uw maag? Geloof, dan hebt u gegeten!” Met deze woorden geeft hij voldoende aan dat het vlees van Christus in geestelijke zin gegeten wordt, en dat geldt dan zowel voor het wezen hiervan als voor het lichamelijk eten.

42. Wat zijn de sacramentele woorden of de belofte-woorden die de Heere aan de tekenen heeft toegevoegd?

Dat zijn die woorden die de kern, het wezen van de zaak of de betekende zaak aangeven. Er zijn woorden die van het brood en andere die van de drinkbeker spreken. De woorden over het brood bevatten twee delen, waarvan de eerste is: Dit is Mijn lichaam; en het tweede: …dat voor u gegeven of gebroken wordt.

43. Wat is het onderwerp van het eerste deel van deze woorden, en wat is de bepaling die iets zegt over het onderwerp?

Het onderwerp is het aanwijzende woordje “dit”, en dan niet bijvoeglijk maar zelfstandig gebruikt. Het woord ziet niet op een ongrijpbaar en abstract object of op een ondeelbaar begrip van een bepaald iets dat samen met wat daarvan gezegd wordt, een en hetzelfde is; of zoals Scotus zegt, hetzelfde zegt te zijn in die zin dat de dingen die door het onderwerp en de bepaling te kennen worden gegeven, onderling niet verschillen. Dan lijkt het erop dat wat in het brood vervat is, “mijn lichaam” is. Het woordje “dit” of “dat” slaat ook niet op datgene wat het brood geweest is. Dan lijkt men te zeggen dat wat Mozes in zijn hand hield, een stok of staf was geweest, en nu een slang is; of dat wat water was geweest bij de bruiloft in Kana, eigenlijk wijn is.

Dat aanwijzende woordje “dit” of “dat” slaat op het brood dat Christus nam, brak en aan de discipelen gaf; en niet op Zijn lichaam – zoals Paulus ook uitlegt in 1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?: “Het brood, dat wij breken, [is] een gemeenschap met het lichaam van Christus.”

Het is dan ook niet waar wat Belarminus als zekerheid aanneemt in Lib. 1. cap. 9 De Eucharisti, dat men iets wat men ziet en kent, niet mag aanduiden als “dat”, tenzij dat iets neutrius generu is, dat wil noch mannelijk noch vrouwelijk.

De bepaling, dus datgene wat van het onderwerp gezegd wordt, is: mijn lichaam – en dat slaat op het echte, gewone brood. De band waarmee die die twee delen worden verbonden, is het zelfstandig gebruikte werkwoord “is”.

44. Moet men het woord “is” wezenlijk, in zijn natuurlijke betekenis opvatten?

Beslist niet! Hier bedriegt Belarminus zichzelf opnieuw, want hij is van mening dat dit woordje beslist niet in een andere betekenis kan worden opgevat dan die er in al in ligt. Hij denkt dat op geen enkele manier, niet in de gewone en ook niet in scholastiek-filosofische zin, het ene afzonderlijke ding tegelijk als het andere werkelijke, zelfstandige en wezenlijke ding aangeduid kan worden; maar alleen in oneigenlijke zin. Twee dingen die zelfstandig van elkaar onderscheiden worden, mogen hoe nauw ze ook met elkaar verbonden en verenigd zijn, niet als één aangeduid worden, zodat het ene werkelijk ook het andere is. De ziel mag dus werkelijk niet het lichaam genoemd worden of het lichaam de ziel, al zijn ze ieder in één mens verenigd en verbonden. Ja, in die bijzondere vereniging …..tegen den Eutychem (fol. 319 I linkerkolom, slot van deze paragraaf) hier kom ik niet uit.

45. In welke zin "is" het brood van het Avondmaal het lichaam van Christus?

Niet in de gewone, werkelijke zin, maar het is een “zijn” in een verborgen, sacramentele en de betekenis aanwijzende zin. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt56): “Het betekende wordt genoemd met de naam van het ding dat het betekent.” Dit vanwege de analogie of overeenkomst en de onderlinge verhouding die ze zowel ten aanzien van elkaar hebben als ten aanzien van degene die ze ontvangt.

Christus wil namelijk met deze uitspraak niet zeggen wat het brood en de wijn op zichzelf zijn en wat de bestanddelen daarin zijn, maar wat ze zijn in hun betekenis en overeenkomst. Als het over de betekenis gaat, wijzen ze [respectievelijk] op het lichaam en bloed van Christus. Er wordt dus van het brood iets op sacramentele wijze gezegd. Dat houdt in dat door deze soort van betekenis de betekende zaak ons niet minder werkelijk gegeven wordt om door het geloof op een geestelijke wijze aan te nemen, als het teken zelf ons aangeboden wordt om door de “werktuigen” van het lichaam te ontvangen.

46. Wat voor uitspraak is het dan?

Niet een eigenlijke en gebruikelijke uitspraak, want de uitspraak gaat niet over hetzelfde (waarbij hetzelfde van zichzelf wordt gezegd, zoals: Dit is brood, over brood, of: dit is een lichaam, over een lichaam), aangezien brood en het lichaam van Christus van verschillende aard zijn. Evenmin wordt het bijzondere gezegd van het enkelvoudige, noch het algemene van het bijzondere, noch het onderscheidende kenmerk, het eigene of het bijkomstige van het bijzondere, zoals in: Petrus is een mens, een mens is een levend wezen, vatbaar voor onderricht. Maar het betreft hier een ongelijk iets dat van een ongelijk iets wordt gezegd, namelijk het betekende van het teken. Toch gebeurt dit op proportionele wijze, zoals de aard van relatieve begrippen vereist: want zaken die onderscheiden of ongelijk zijn, kunnen, als er een analogie of betekenisrelatie bestaat, op een zodanige manier verbonden worden dat zij een zinvolle uitspraak vormen, maar dan figuurlijk. Zoals in Ik ben de wijnstok (Johannes 15:11 Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman.) en de akker is de wereld (Matteüs 13:3838 de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk.).

Daarom is deze uitspraak figuurlijk, en dan niet slechts metaforisch of allegorisch (zoals wanneer het vlees en bloed van Christus het voedsel en de drank van de gelovigen worden genoemd), maar metonymisch. Want het is volkomen terecht dat men dit een metonymie noemt, niet van de omvattende voor het omvattende, maar van die aard waarbij de naam van het betekende aan het teken wordt gegeven. Zoals in de uitspraak: Het brood is het lichaam van Christus, waarbij de naam van het betekende – het lichaam van Christus – aan het teken, namelijk het brood, wordt toegekend. Daarom is het een metonymische uitdrukking, zeer gebruikelijk in de Schrift, zoals in: De zeven koeien zijn zeven jaren (Genesis 41:2626 De zeven mooie koeien, dat zijn zeven jaren, en de zeven mooie aren, dat zijn zeven jaren; de dromen zijn één.), Johannes is Elia (Matteüs 11:1414 en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou.), dat wil zeggen, figuurlijk (want de uitspraak van een enkelvoudig iets over een ander enkelvoudig iets is niet letterlijk waar, maar figuurlijk); Herodes is een vos (Luk. 13:3232 Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen.), dat wil zeggen, metaforisch; Christus is de weg (Johannes 14:66 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.), de deur (Johannes 10:99 Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.), het brood (Johannes 6:3535 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.); de rots is Christus (1 Korintiërs 10:44 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus.). Zo is het brood van de Eucharistie het lichaam van Christus, figuurlijk, metonymisch en sacramenteel.

Want het lichaam van Christus kan niet op regelmatige en eigenlijke wijze brood worden genoemd, aangezien het lichaam van Christus noch het geslacht, noch de soort, noch het onderscheidende kenmerk, noch het eigene, noch het bijkomstige van brood is. Hierdoor komt het dat de uitspraak over het lichaam van Christus met betrekking tot het avondmaalsbrood figuurlijk is, aangezien elke uitspraak óf eigenlijk óf figuurlijk is – een derde soort uitspraak bestaat er niet.

Het is dan ook dwaas om te beweren dat sacramentele uitspraken ongebruikelijk zijn, terwijl ze zo vaak in de Schrift voorkomen.

En werkelijk, deze figuurlijke uitspraak bevindt zich niet in elk afzonderlijk woord op zichzelf beschouwd, maar in de gehele toekenning. Want brood is op zichzelf brood in eigenlijke zin, en het lichaam is niet allegorisch, niet tropisch, niet figuurlijk – en nog veel minder een geest of een visioen; het is ook niet het mystieke lichaam van de Kerk, noch een teken van het lichaam; het betekent niet de verdienste van Christus, maar het eigenlijke lichaam van Christus. Want het ware lichaam van de Heere wordt geheel en al over het ware brood uitgesproken. Ik zeg: het is in de gehele toekenning, omdat het koppelwoord 'is' twee ongelijke zaken met elkaar verbindt, wat wij aldus kunnen ontleden: Het brood is het teken of zegel van het lichaam van Christus.

Daarnaast moet worden opgemerkt dat dit niet alleen een figuurlijke, metonymische of betekenende uitdrukking is, zoals in De akker is de wereld, wat betekent: de akker betekent de wereld, en dergelijke in gelijkenissen (want dan zou het mysterie minder krachtig worden uitgedrukt), maar sacramenteel. Want daarbij wordt tevens de schenking van hetgeen verzegeld is beloofd. Zoals in de uitspraak: De samengebonden roeden zijn het Romeinse Rijk, wat betekent dat zij niet slechts de rechtsmacht van het Romeinse Rijk aanduiden, maar ook daadwerkelijk getuigen dat het Rijk, samen met de tekenen, wordt overgedragen aan degene aan wie de roeden wettig worden uitgereikt. Zo wordt datgene wat door het woord wordt beloofd en door de tekenen wordt aangeduid, ook daadwerkelijk door God geschonken – maar om ontvangen te worden door geloof.

47. Hoort men in de woorden van het Avondmaal het karakteristieke daarvan niet te behouden?

Het begrip van woorden wordt soms wat wijder en soms wat enger genomen; en zo moet men ook in de terminologie van het Avondmaal de eigen woorden handhaven, namelijk op een sacramentele wijze. Die sacramentele woorden zijn echter heel anders dan de letterlijke manier van spreken. Ze moeten dan ook op een bekwame manier worden uitgelegd zoals het karakter van de sacramenten dat vereist. In de sacramentele woorden moet men namelijk niet zozeer letten op de letterlijke betekenis of afgaan op de klank van de woorden, maar op de bedoeling en het begrip. En dat moet weer overeenstemmen met het karakter van het sacrament dat Christus heeft ingesteld, met wat ermee gepaard gaat en met de juiste overeenkomst van het geloof.

48. Is het geen ge-eigende manier van spreken als het voorwerp én wat erover gezegd wordt, zó aan elkaar verbonden worden dat datgene wat over dat voorwerp gezegd wordt, daarin opgenomen is, of in plaats daarvan is? Zo is het toch ook in Deuteronomium 12:23 waar staat: “Het bloed is de ziel”, terwijl de ziel //in// het bloed is?

Zeer beslist niet! Van een bepaald ding kan immers nooit gezegd worden dat het tegelijk hetzelfde is als een ander ding, ook al is het ermee verbonden en er een nauw verband tussen beide ook is. Hier kan alleen op een oneigenlijke, beeldende manier over gesproken worden.

Het is wel waar dat het brood het lichaam genoemd wordt, of dat iets wat in het brood is verborgen, het lichaam van de Here aanduidt, of dat in het brood het lichaam van de Here gezien wordt – men zal toch nooit beweren dat de woorden “dit is Mijn lichaam” op een letterlijke manier moeten worden opgevat.

49. Maar behoort men niet altijd de Schriftplaatsen waarin al de hoofdzaken oftewel de artikelen van het geloof en de geboden van God zijn opgenomen, heel letterlijk te nemen naar wat er staat?

Nee, toch niet! Als die oneigenlijke manier van spreken in overeenstemming is met de aard van de zaak waarover het gaat, is ze niet minder trefzeker dan de meest eigenlijke manier. Zo is het ook als God met oneigenlijke, beeldende woorden de eerste belofte van het evangelie uitspreekt: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen” (Genesis 3:1515 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.) – dan legt Johannes in zijn eerste brief, hoofdstuk 3:1515 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen., deze woorden als volgt uit: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou”. En in het Evangelie naar Johannes schrijft hij in hoofdstuk 1 de leer over de Persoon van Christus samen met behulp van oneigenlijke, beeldende woorden: “In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen” (vers 4-54 De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, 5 maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad.).

50. Maar is het niet ongerijmd om te zeggen dat Christus bij de instelling van het Zijn Avondmaal op een oneigenlijke manier – dus als het ware met raadselachtige, duistere woorden die op verschillende manieren kunnen worden opgevat – gesproken heeft met de discipelen, die immers nog zo onwetend, zo dom en zo simpel waren?

Toch niet! De zaak zelf maakt immers duidelijk dat die beeldende manier van spreken de discipelen helemaal niet raadselachtig of duister in de oren klonk en door hen niet op verschillende manieren werd opgevat. Als ze immers niet begrepen hadden dat het brood door de Here Zijn lichaam werd genoemd omdat het daarvan een teken was, zo zouden ze ongetwijfeld ontsteld zijn geweest over zoiets ongehoords als door de letterlijke betekenis wordt aangegeven. Dat dit waar is, blijkt des te meer omdat ze op ongeveer dezelfde tijd dingen die veel eenvoudiger waren, níet konden begrijpen.57) Omdat ze over deze woorden niet ontsteld raken, is het kennelijk voldoende dat ze de [bij de instelling gebruikte] woorden op de manier van de Schrift in beeldende zin hebben opgevat. Dat geldt temeer omdat ze vlak hiervóór het paaslam gegeten hadden, dat op dezelfde manier het Pascha, dat is doorgang, genoemd wordt; zie Exodus 12:2727 dan zult gij zeggen: Het is een Paasoffer voor de Here, die in Egypte aan de huizen der Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren sloeg, maar onze huizen spaarde. Toen knielde het volk en boog zich neer..

51. Wat is het tweede wat Christus over het brood zegt?

“…dat voor u gegeven wordt” (Lucas 22:1919 En Hij nam een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis.). Paulus zegt dit in 1 Korintiërs 11:2424 de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis.: “…voor u”. Bij Matteüs en Marcus zijn deze woorden weggelaten. Het onderwerp waarop de woorden betrekking hebben, is niet het brood maar het lichaam. Dit wordt duidelijk gemaakt door het woordje “dat” en door wat over het onderwerp gezegd wordt, namelijk dat het “voor u gegeven wordt” of overgegeven wordt – namelijk in de dood – of gebroken wordt, zoals Jesaja dat uitlegt in Jesaja 53:1010 Maar het behaagde de Here hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben., dat ziek gemaakt en verbrijzeld of gekruisigd en gedood wordt.

52. Wat wordt met deze woorden te kennen gegeven?

  1. Hieronder wordt niet het verborgen lichaam van Christus begrepen, want dat verborgen lichaam van Christus, namelijk Zijn gemeente, is niet voor ons gegeven of overgegeven of gebroken; maar wel Zijn werkelijke lichaam.
  2. Daardoor wordt te kennen gegeven dat Christus niet Zijn verheerlijkt en geestelijk lichaam gegeven heeft; het vlees van Christus is dus niet eenvoudigweg voedsel in zover het verheerlijkt is, maar het is voor ons tot levendmakend voedsel omdat het eertijds voor ons gekruisigd is; zie Johannes 6:5151 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld..
  3. Hieruit wordt afgeleid dat het brood het lichaam van Christus genoemd wordt – en dat niet door op een letterlijke maar op een figuurlijke wijze te spreken. Het is immers in het algemeen gesproken wel wáár ten aanzien van de eigenlijke betekenis, dat wat over het onderwerp gezegd wordt, ook gezegd mag worden van het onderwerp zelf. Maar wat híer gezegd wordt over het lichaam van Christus, kan níet in letterlijke zin van het brood gezegd worden. Van het brood wordt in letterlijke zin gezegd dat het ons gegeven is, en niet voor ons overgegeven; en de wijn wordt voor ons ingeschonken, maar niet voor ons vergoten. En vervolgens kan wat gegeven wordt alleen begrepen worden door een manier van spreken in de tegenwoordige tijd, wat slaat op dat wat direct hierna gegeven zal worden, namelijk aan het kruis en niet tijdens het laatste Avondmaal. Daar heeft Christus zijn lichaam niet als een offerande geofferd of gegeven, maar dat heeft Hij aan het kruis gedaan. Het is in de Schrift heel gewoon om van iets wat in tijd dichtbij is en binnenkort gaat gebeuren, te spreken alsof het al zover is, en dus de tegenwoordige tijd in plaats van de toekomende te gebruiken. Zo lezen we in Matteüs 26:2424 De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt.: “Wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt”. En in Johannes 10:1515 gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen. staat: “Ik zet mijn leven in voor de schapen”, terwijl in de meest gebruikte vertaling staat: “…dat voor u overgegeven zal worden”. De zinssnede “dat gebroken wordt” kan ook niet slaan op het teken dat de Here nu al gebroken had, maar moet alleen in beeldende zin worden opgevat als het lichaam van Christus, omdat van dat lichaam gesproken wordt in Johannes 19:3636 Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden: Geen been van Hem zal verbrijzeld worden.: “Geen been van Hem zal verbrijzeld worden”; zie ook Exodus 12:4646 In één huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niets uit het huis naar buiten brengen; geen been zult gij ervan breken..
  4. Hierin kunnen we ook de grote liefde vaststellen, die Christus voor ons heeft, dat terwijl Hij niet schuldig was om te sterven omdat Hij geen zonde gedaan had en heilig en zonder smet was58), die dood tóch voor ons heeft willen ondergaan.
  5. Ten slotte wordt hier ook de vrucht van Christus’ dood aangegeven, omdat van Hem gezegd wordt dat Hij in de dood niet alleen voor de apostelen maar voor velen is overgegeven.

53. Wat zijn de woorden die de Here over de drinkbeker uitsprak?

Ook die vallen in twee delen uiteen; de eerste staat bij Matteüs en Marcus, met deze woorden: “Dit is het bloed van mijn verbond”; of zoals Lucas en Paulus schrijven: “Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed.”

Het onderwerp waarop het woordje “dit” betrekking heeft – toute of het onzijdig gebruikte hoc, en dus niet het mannelijke hic, zoals het in de oude vertaling gebruikt wordt – moet wel slaan op de wijn en niet op het bloed, want anders zou het een zinloze herhaling zijn van iets wat al eerder verteld is. Dat blijkt ook duidelijk uit Lucas 22:2020 Evenzo de beker, na de maaltijd, zeggende: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt., waar het woordje “deze” gevolgd wordt door “beker” (dus de wijn). Er wordt dus als het ware gezegd: Dit wat ik nu in de hand heb… en aan u geef. Wat over het onderwerp gezegd wordt, is het bloed of “het nieuwe verbond in mijn bloed”. Het verband tussen beide is het zelfstandig gebruikte “is”, dat bij Lucas verzwegen wordt.

In deze woorden mag het woord “beker” niet in letterlijke zin gelezen worden als de wijn die in de beker is, en in deze letterlijke betekenis kan dus ook niet gezegd worden dat deze beker het nieuwe verbond is. In het eerste geval wordt bedoeld wat er in beeldende zin in die beker is, en in het tweede geval wordt de betekende zaak genomen voor het teken zelf. In eigenlijke of letterlijke zin is de drinkbeker of de wijn het nieuwe verbond zelf niet, maar een pand en zegel van dat verbond of, nog beter, van het bloed van Christus, waardoor het verbond geldige kracht krijgt. Dit alles naar analogie van de besnijdenis, die het oude verbond genoemd wordt.

Hieruit blijkt voldoende dat de woorden die gebruikt worden voor het Heilig Avondmaal vol zijn van een oneigenlijke manier van spreken, maar toch heel gebruikelijk zijn en heel gewoon, en ook heel gemakkelijk om te begrijpen.

54. Mag de uitspraak van Christus “Dit is mijn bloed” vergeleken worden met wat Mozes in Exodus 24:8 zegt over het bloed van de kalveren “Zie, het bloed van het verbond” – in die zin dat zowel in het ene als het andere geval het bloed inderdaad en wezenlijk tegenwoordig is, en dat dus wat in de handen van Mozes is, in de handen van Christus in eigenlijke zin en zonder beeldende zin van spreken getoond wordt?

Heel beslist niet! Mozes besprengde het volk met het bloed van het offer, dat hij uit de vacht van het offerdier nam; dat bloed was een sacramenteel teken, en daarom is de uitdrukking van Mozes geheel in overeenstemming met de goed geformuleerde woorden “Dit is het bloed van het verbond”. Maar Christus schonk voor zijn apostelen wijn in de beker en maakte de betekende zaak op sacramentele wijze duidelijk door middel van het teken van de wijn. Daarom is in de woorden van Christus het woordje “dat”, namelijk de wijn in de beker, wat anders dan het bloed van het nieuwe verbond, dat wil zeggen de betekende zaak van het sacrament. De bedoeling hiervan wordt in woorden van Christus “Dat is mijn bloed” dus goed uitgedrukt.

55. Wat is “het nieuwe testament of verbond in het bloed van Christus”?

Het woord “testament” betekent hetzelfde als “verbond”. Dat weten zij die beseffen dat het met het Hebreeuwse woord berith overeenstemt; en dat betekent een akkoord of verdrag, dus een overeenstemming die gemaakt is tussen hen die het hiervóór niet met elkaar eens waren. Die betekenis is hier vooral van belang; maar daarbij maakt het niet uit of men daaronder het nieuwe verbond verstaat dat door het bloed van Christus is bevestigd, óf de uiterste wil van de stervende Christus, die door het woord “testament” te kennen wordt gegeven, en door zijn bloed bevestigd en bekrachtigd is.

Het woordje “in” is een Hebreeuwse manier van spreken, en dat betekent niet eenvoudigweg een verenigd worden of samenvoeging, een erbij-zijn of een daadwerkelijk aanwezig zijn, alsof Hij bedoelt: mét mijn bloed. Nee, het woordje “in” houdt een oorzaak in, een manier, een werktuig en een meewerkende oorzaak van een bepaald iets. Denk bijvoorbeeld aan Psalm 33:1616 Geen koning wordt behouden door een machtig leger, geen held wordt gered door geweldige kracht.: “Geen koning wordt gered door (in) geweldige kracht”, of aan Romeinen 5:99 Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn.: “door (in) Zijn bloed gerechtvaardigd”. Het woordje “in” betekent hier “door”, zoals dat ook uitgelegd wordt in Kolossenzen 1:2020 en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is. en Romeinen 3:2424 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus..

Dit testament of verbond houdt niet in dat men met de mond een teug van Christus’ bloed of een slokje wijn neemt, maar het is het verbond der genade; het is de verzoening of de vereniging in een verdrag tussen God en de gelovigen. Daarin belooft God ons dat Hij ons de zonden kwijtscheldt en ons de Heilige Geest, de rechtvaardiging en het eeuwige leven uit genade door het geloof schenkt omwille van het vergoten bloed van Christus aan het kruishout. En van onze kant verbinden wij ons aan God dat we deze weldaden die Hij schenkt, met een oprecht geloof in Christus zullen aannemen en door oprechte gehoorzaamheid dankbaarheid aan Hem bewijzen. Over dit verbond lezen we in Jesaja 59:2121 En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de Here. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de Here, van nu aan tot in eeuwigheid., Jeremia 31:3131 Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. en 32:4040 ja, Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij niet van achter hen afwenden zal en dat Ik hun wèl zal doen, en mijn vrees zal Ik in hun hart leggen, zodat zij niet van Mij afwijken., Hebreeën 9:1515 En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden. en Galaten 3:1717 Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderd dertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen..

56. Waarom heeft de Here niet eveneens gezegd: Dat is mijn lichaam van het nieuwe verbond, zoals Hij gezegd had dat deze drinkbeker het nieuwe verbond in mijn bloed was?

Het is duidelijk dat het nieuwe verbond door het offer van de gehele Christus en door Zijn dood is bekrachtigd (Hebreeën 9:15,1615 En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden. 16 Want waar een testament is, moet noodzakelijk van de dood van de erflater melding gemaakt worden.), maar toch wordt de dood van iemand duidelijker gemaakt door vergoten bloed dan door over het lichaam de spreken. Daarom heeft sprak Mozes ook in de tijd van het Oude Testament gezegd: “Zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit” (Exodus 24:88 Toen nam Mozes het bloed en sprengde het op het volk en hij zeide: Zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit, op grond van al deze woorden.). Zo heeft ook Christus liever Zijn bloed het nieuwe verbond willen noemen dan Zijn lichaam, opdat de waarheid des te beter met het beeld in overeenstemming zou zijn. Maar Hij doet dat wel zó dat Hij Zijn lichaam waarvan het bloed vergoten werd, zeer beslist niet buiten de bevestiging van het verbond en de verlossing van de ziel houdt. Hier komt nog bij dat als Christus spreekt over het drinken van de wijn die Hij Zijn bloed noemt, het nieuwe verbond ter sprake brengt – terwijl het onder het oude verbond immers verboden was bloed te drinken59); daarom was het niet nodig om dit ook tot uitdrukking te brengen door het teken van het brood.

57. Wat is het tweede gedeelte van Zijn woorden over het bloed?

Bij Lucas is dat: “die voor u uitgegoten wordt”, en bij Matteüs en Marcus is het: “dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden”. Het onderwerp van deze woorden is het woordje “dat” – en dit woord ziet in eigenlijke zin op het bloed en niet op de wijn. Weliswaar lijkt het er bij Lucas op dat het vervolg van de woorden op de drinkbeker ziet, maar omdat de drinkbeker en evenmin de wijn voor ons niet vergoten zijn, moet het onderwerp toch wel op het bloed slaan. De woorden “dat vergoten wordt” werden uitgesproken, maar met een verandering in tijd moet dit opgevat worden als “dat vergoten zal worden”, zoals in de gebruikelijke vertaling ook wordt uitgelegd.

Toch lijkt het erop dat de Here bij de instelling van dit sacrament met voorbedachten rade de woorden van de tegenwoordige tijd heeft gebruikt, hoewel Hij sprak over iets wat nog gebeuren moest. Dat deed Hij opdat de discipelen hierdoor onderwijs zouden ontvangen dat het bij deze tekenen gebruikelijk is dat dingen die direct hierna zullen gebeuren, met de ogen van het geloof beschouwd worden als tegenwoordige tijd. Zo is het toch ook met ons, want hoewel deze dingen nu al lang geleden gebeurd zijn, zien we door het geloof de toenmalige gebeurtenissen als het ware opnieuw voor ogen – en dan bedoelen we de hele geschiedenis van het lijden van Christus. Dan is het alsof wij met onze eigen ogen het doornagelde lichaam van Christuszien hangen aan het kruishout, terwijl het bloed uit de wonden van zijn lichaam druipt.

Christus zegt dan “dat vergoten wordt”, en dan bedoelt Hij zijn bloed aan heet kruis, en niet de wijn in de beker of in de mond. Daardoor wordt ook duidelijk gemaakt hoezeer het bloed van Christus voor ons een levendmakende drank is, en dan niet omdat het nu verheerlijkt is, maar omdat het toen voor ons vergoten is – voor ons en voor velen; zie Marcus 14:2424 En Hij zeide tot hen: Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt.. Er staat echter niet: voor allen, omdat het alleen voor de uitverkorenen is vergoten; dus alleen ter wille van hen tot vergeving van hun zonden. Dat is verreweg het meest heilzame doel van Christus’ vergoten bloed. Dan hebben we het dus zozeer over het drinken van de wijn, want daarvan zegt Hij: “Doe dat tot Mijn gedachtenis.” Maar van het uitstorten van Zijn bloed zegt Hij, “dat [het] vergoten wordt tot vergeving der zonden”.

58. Waar leidt u nog meer uit af dat Christus in figuurlijke zin gesproken heeft?

  1. Uit de aard en de manier van spreken van alle andere sacramenten die vanaf het begin van de wereld zijn ingesteld, waarbij de naam van de betekende zaak aan het teken zelf wordt toegeschreven. Zie bijvoorbeeld Genesis 17:10-1310 Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; 11 gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u. 12 Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: zowel wie in uw huis geboren is, als wie van enige vreemdeling voor geld is gekocht, doch niet van uw nageslacht is. 13 Wie in uw huis geboren is en wie door u voor geld gekocht is, moet voorzeker besneden worden; zo zal mijn verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond., waar de besnijdenis het verbond is, dat wil zeggen: een teken van het verbond; zie ook Exodus 12:11-2711 En aldus zult gij het eten: uw lendenen omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand; overhaast zult gij het eten; het is een Pascha voor de Here. 12 Want Ik zal in deze nacht het land Egypte doortrekken en alle eerstgeborenen, zowel van mens als dier, in het land Egypte slaan en aan alle goden van Egypte zal Ik gerichten oefenen, Ik, de Here. 13 En het bloed zal u dienen als een teken aan de huizen, waar gij zijt, en wanneer Ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij. Aldus zal er geen verdervende plaag onder u zijn, wanneer Ik het land Egypte sla. 14 En deze dag zal u een gedenkdag zijn, gij zult hem vieren als een feest voor de Here; in uw geslachten zult gij hem als een altoosdurende inzetting vieren. 15 Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten; dadelijk op de eerste dag zult gij het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, zo iemand zal uit Israël worden uitgeroeid. 16 Zowel op de eerste als op de zevende dag zult gij een heilige samenkomst hebben; generlei arbeid zal daarop verricht worden; slechts wat door ieder gegeten wordt, alleen dat mag door u bereid worden. 17 Onderhoudt dan (het feest der) ongezuurde broden, want op deze zelfde dag leid Ik uw legerscharen uit het land Egypte. Daarom moet gij deze dag onderhouden in uw geslachten als een altoosdurende inzetting. 18 In de eerste (maand), op de veertiende dag der maand, des avonds, zult gij ongezuurde broden eten, tot aan de eenentwintigste dag der maand, des avonds. 19 Zeven dagen zal er geen zuurdeeg in uw huizen gevonden worden, want ieder, die iets gezuurds eet, zo iemand zal uit de vergadering van Israël worden uitgeroeid, hetzij hij een vreemdeling, hetzij hij in het land geboren is. 20 Niets wat gezuurd is, zult gij eten; gij zult in al uw woonplaatsen ongezuurde broden eten. 21 Toen ontbood Mozes al de oudsten van Israël en zeide tot hen: Trekt heen, haalt kleinvee voor uw geslachten en slacht het Pascha. 22 Daarna zult gij een bundel hysop nemen en in het bloed in een schaal dopen, en van het bloed in die schaal strijken aan de bovendorpel en aan de beide deurposten; niemand van u zal de deur van zijn huis uitgaan tot de morgen. 23 En de Here zal Egypte doortrekken om het te slaan; wanneer Hij dan het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten ziet, dan zal de Here die deur voorbijgaan en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. 24 Gij zult dit voorschrift houden als een altoosdurende inzetting voor u en uw zonen. 25 En wanneer gij komt in het land dat de Here u geven zal, gelijk Hij gezegd heeft, zult gij deze dienst onderhouden. 26 En wanneer uw zonen tot u zeggen: Wat betekent deze dienst van u, 27 dan zult gij zeggen: Het is een Paasoffer voor de Here, die in Egypte aan de huizen der Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren sloeg, maar onze huizen spaarde. Toen knielde het volk en boog zich neer., waar het lam de voorbijgang is, als een gedachtenisteken van de Here. In het Nieuwe Testament wordt Christus de steen rots genoemd, dat is dus een teken van Christus.60)
  2. Uit de identieke manier waarop Paulus over hetzelfde sacrament spreekt; zie 1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?: “Het brood, dat wij breken, [is] een gemeenschap met het lichaam van Christus”, namelijk in figuurlijke zin, zoals het Evangelie een kracht Gods genoemd wordt, dus een krachtig werktuig in Gods hand (Romeinen 1:1616 Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek.). In 1 Korintiërs 10:1717 Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood. staat: “Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam”, en in 11:2929 Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. lezen we: “Wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt”; deze zaken kunnen alleen maar in figuurlijke zin worden begrepen, en zo kan men dus niet anders zeggen dan dat het lichaam van Christus in oneigenlijke, figuurlijke zin gegeten kan worden.
  3. De hemelvaart van Christus en de realiteit van Zijn menselijke natuur die Hij aangenomen heeft, laten niet toe dat het bovenstaande op een letterlijke manier kan worden begrepen. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. leert dat men één tekst in de Bijbel niet zo moet uitleggen dat die uitleg met veel andere bewijsplaatsen in strijd is, maar zó dat ze met die vele andere overeenstemt.
  4. De ouden [in het Oude Testament] hadden hetzelfde voedsel en dezelfde drank niet alleen onder elkaar, maar ook met ons voor wat namelijk de betekende zaak betreft; zie 1 Korintiërs 10:3-43 allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, 4 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus.. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt daarvan: “Wat betekent dat anders dan dat ze gehad hebben wat wij nu ook hebben? Het is dus hetzelfde voedsel en dezelfde drank, maar dat geldt alleen voor degenen die het werkelijk begrepen en geloofden. Maar voor degenen die het niet begrepen, was het alleen manna en water; voor de gelovigen was het hetzelfde als wat het nu is. Toen ging het immers om Christus Die komen zou, maar nu is het Christus Die gekomen is. Bij Hem Die komen zou en bij Hem Die gekomen is, gaat het wel om verschillende woorden, maar het gaat om dezelfde Christus.
  5. Het is onmogelijk dat Christus Die reëel op die en die plaats aan de tafel zat en met Zijn discipelen at, zoals Matteüs schrijft in hoofdstuk 26:29.: “Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken” – Zichzelf daadwerkelijk lichamelijk gegeten zou hebben.

59. Heeft Christus dan ook gebruikgemaakt van de tekenen waarover het hier gaat?

Hij heeft niet minder van de tekenen van het Avondmaal gebruikgemaakt dan Hij van het vlees van het paaslam gegeten heeft. Wie hierover twijfelt, laat hij in ernstig opzien tot God nadenken over het volgende: (1) de Here Jezus heeft door het gebruik daarvan de gewone sacramenten van beide verbonden geheiligd; (2) in de instelling van het Avondmaal is Hij ons met Zijn eigen voorbeeld voorgegaan, zodat heel de gemeente zal weten dat ze op dit voorschrift acht moet slaan. Dit laatste is wel een heel belangrijke reden waarom Hij Zich daarvan niet heeft willen onthouden. Daarom zegt Hieronymus: “Hij is zelf Gast en Maaltijd, Die eet en gegeten wordt.”61)

60. Is het de kracht en de bedoeling van Christus’ woorden waarmee Hij dit sacrament heeft ingesteld, dat zo dikwijls deze over het door de priester te wijden brood en de te wijden wijn worden uitgesproken – dat dan het wezen van het brood en de wijn zó worden veranderd dat in plaats daarvan het lichaam en bloed van Christus komen, of door een wezenlijke verandering veranderd worden in het ware lichaam en bloed van Christus? Wordt daardoor het wezen van het brood het vlees [en de wijn het bloed] van Christus, terwijl de verschijningsvorm toch brood en wijn blijven?

Zeer beslist niet! En wel om de volgende redenen:

  1. Het lijkt erg op toverij om aan enkele gemompelde woorden de kracht toe te kennen het wezen van de tekenen te kunnen veranderen.
  2. De apostelen en evangelie-schrijvers spreken met nadruk over brood en wijn, zowel voor als ná het moment van het uitspreken van de sacramentele woorden, de consecratie. Zie 1 Korintiërs 10:16-1716 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? 17 Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood. en 11:26-2826 Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt. 27 Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren. 28 Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker.. “Is niet het brood dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?” En vervolgens: “Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam [van Christus].” En ook: “Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.” En: “Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.” Ten slotte: “Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker.” De roomsen zeggen wel dat er over brood gesproken wordt, maar dan niet omdat het nu brood is maar omdat het brood geweest is. Dit kan echter met geen enkele plaats uit de Schrift bewezen worden. De ervaring leert het ook anders en bovendien zegt Christus in Matteüs 26:2929 Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders.: “Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken.”
  3. “Het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken”, zegt Romeinen 14:29.; en dan wordt het lichamelijk eten en drinken bedoeld.
  4. In het uitspreken wijst het woord “dat” niet op het lichaam van Christus. Thomas [van Aquino] zegt dat de wezenlijke verandering pas plaatsvindt als de laatste lettergreep van de woorden uitgesproken zijn. Het woord wijst ook niet op niet-essentiële eigenschappen van het brood alleen, want dat is ook het lichaam van Christus niet. Het woord ziet ook niet op iets vaags en onbestemds, want er is geen ondeelbaar ding dat werkelijk iets ís en dus ook iets wat zeker is en niet iets onbestemds. Het woord ziet dus echt op iets wat zeker bestaat.
  5. Het is ook goddeloos om te denken en te zeggen dat het brood zélf in eigenlijke zin en wezenlijk het lichaam van Christus is.
  6. De Heilige Schrift leert nergens iets over deze verandering, zoals ze dat wél doet over de staf van Mozes, die in een slang veranderde62), en van het water dat wijn werd (Johannes 2:99 Toen nu de leider van het feest het water proefde, dat wijn geworden was - en hij wist niet, waar deze vandaan kwam, maar de bedienden, die het water geschept hadden, wisten het - riep de leider van het feest de bruidegom, en hij zeide tot hem.). Daar spreekt de evangelie-schrijver niet eenvoudigweg over water, maar over water dat in wijn is veranderd. Ook de ervaring leert dat er geen verandering optreedt. Want de eigenschappen van het brood tonen duidelijk genoeg aan dat het brood blijft. En zij die de heilige tekenen gebruiken, proeven gewoon de smaak van [brood en] wijn, en ervaren de kracht en de eigenschappen van brood en wijn.
  7. Het wezen van iets kan niet verdwijnen als de niet-essentiële eigenschappen blijven, en die eigenschappen kunnen trouwens niet zonder het voorwerp zelf bestaan. En wat geen niet-essentiële eigenschappen van het brood zijn, kunnen dat ook niet worden.
  8. De analogie, de overeenkomst of en de onderlinge relatie tussen de tekenen en de betekende zaak houdt op als het wezen of karakter van de tekenen niet blijft. Het brood betekent immers het lichaam van Christus, omdat het ons voedt, versterkt en onderhoudt; en dat kunnen die niet-essentiële eigenschappen niet doen.
  9. Er is onder de woorden die Christus bij de instelling spreekt, geen enkel woord dat op een verandering wijst. Het woord “is” betekent niet “worden” of “veranderen”. Die twee woorden spreken elkaar tegen, en daarom mag wat hierover gezegd wordt, niet gebeuren.
  10. Het eten van het werkelijke vlees van Christus kan ook nergens in de Schrift bewezen worden.
  11. Het lichaam kan er niet zijn zonder zijn fysieke existentie; het is dus niet mogelijk dat het op hetzelfde ogenblik en zonder verandering van plaats tegelijk in de hemel én op de aarde is. Dat kan alleen als men stelt dat het lichaam van Christus alomtegenwoordig is, maar dat wordt juist tegengesproken door de voorstanders van de wezenlijke verandering in het sacrament. Ook de kerkvaders ontkennen die alomtegenwoordigheid. Degenen die stellen dat het lichaam van Christus in zijn existentie werkelijk tegenwoordig is, maar niet op de gewone manier van die existentie, spreken dan ook in grote tegenstrijdigheden.
  12. Het lichaam van Christus kan niet gescheiden worden van het bloed, en evenmin de ziel van het lichaam. Over de gelijktijdigheid of de daadwerkelijke vereniging van beide in het Avondmaal leest men dan ook niets in de Schrift.
  13. Van Victor III, paus te Rome, leest men dat hij omgekomen is door het vergif dat zijn ondergeschikte geestelijke in zijn beker geschonken had. En Hendrik VII van Luxemburg, rooms keizer, werd vergiftigd door een prediker, een monnik uit Siena met het vergiftigde brood dat voor de mis bestemd was.
  14. Uit de stelling dat er een wezenlijke verandering optreedt, terwijl de niet-essentiële eigenschappen blijven bestaan zónder dat het eigenlijke voorwerp nog aanwezig is – volgen alleen maar heel ongerijmde conclusies. Als bijvoorbeeld de muizen dit brood aten, moest men zeggen dat ze alleen maar niet-essentiële dingen aten. Of als er wormen in dit brood gingen groeien, moest men zeggen dat die alleen ontstonden uit materie die niet essentieel was. Als ditzelfde brood gebroken zou worden in het sacrament, zou men het er toch ook voor moeten houden dat die niet essentiële onderdelen gebroken worden…
  15. Heel deze redenering wordt ook tegengesproken door de volgende redenering en conclusie: alles wat van buiten in de mens komt (dus alles wat met de mond gegeten wordt), gaat niet uit in het hart, maar in de buik (Marcus 7:18-1918 En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij zo onbevattelijk? Begrijpt gij niet, dat al wat van buiten in de mens komt, hem niet onrein kan maken, 19 omdat het niet in zijn hart komt, maar in de buik, en er te zijner plaatse uitgaat? En zo verklaarde Hij alle spijzen rein.). Het lichaam van Christus en Zijn bloed gaan niet uit in de buik, maar in het hart. Daarom wordt gezegd dat Christus door het geloof in ons hart woont (Efeziërs 3:1717 opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde.). Het lichaam van Christus en Zijn bloed wordt dan ook niet met de mond maar door het geloof werkelijk gegeten en gedronken.

61. Maar verandert het brood van het Avondmaal dan niet door een wonder in het lichaam van Christus?

Nee, om de volgende redenen:

  1. Het wordt niet door de zintuigen opgemerkt, en wonderen laten toch gewoon een verandering zien, als die heeft plaatsgevonden. Ze worden gezien, gehoord, getast en gevoeld, en maken dat de mensen zich hierover verwonderen.
  2. We leven nu niet meer in een tijd van wonderen; die blijven nu achterwege.
  3. Al vinden wonderen wel plaats met behoud van en ook boven de natuur uitgaand, toch gaan ze nooit tégen de natuur in op een manier dat ze die totaal verandert.
  4. Er is hier ook een innerlijke tegenspraak als men zegt dat een wonder, dat een buitengewoon werk van God is, plaatsvindt in het gewone sacrament in de gemeente. Wonderen zijn buitengewone werken van God, die een zekere tijd duren en ook bepaalde personen betreffen als men let op degenen die de wonderen verrichten. Maar de sacramenten zijn voor altijd [in dit leven] ingesteld en betreffen de hele gemeente. Ze vormen een onderdeel in de bediening van het Evangelie, waarin Christus op een gewone manier of op een bepaalde ordelijke wijze tewerk gaat en daarbij geen gebruikmaakt van verschillende wonderlijke veranderingen in de aard en het wezen van de verschillende elementen.
  5. Wonderen nemen het wezen of de natuurlijke gesteldheid van iets niet weg; nee, ze laten die gewoon bestaan, wat ook inhoudt dat ze zichzelf niet tegenspreken. Toen de staf van Mozes in een slang veranderd was, waren de staf en de slang er niet tegelijk op eenzelfde tijdstip. Maar het ‘wonder’ van de wezenlijke verandering neemt het wezenlijke van het brood weg terwijl het beweert dat de eigenschappen van het brood er nog zijn. Dit is in strijd met de onveranderlijke, onaantastbare en altijddurende regel dat van ieder ding geldt dat het ‘ja’, de bevestiging geldt óf het ‘nee, de ontkenning. Een ding is er dus wél of het is er níet.
  6. Er zijn zogenaamde wonderen, zoals dat door het bidden van Gregorius het sacrament in zijn hand in een vlezen vinger zou veranderd zijn; dat zich daar enkele keren een klein kind getoond zou hebben; en dat het sacrament na met een degen doorstoken te zijn, gebloed had; dat het in de tijd van Cyprianus veranderd werd in kolen en as (zoals hijzelf schrijft63)). Deze ‘wonderen’ beschouwen we als verhalen over wat er met het sacrament gebeurd is, om goddeloze en onwaardige mensen van het sacrament af te houden en te weren, óf om de waardigheid ervan aan te prijzen. Maar we zien ze niet als een poging om de bijgelovigheden en de dwalingen ten aanzien van een wezenlijke verandering in het sacrament daarmee te bevestigen. We weten immers dat ook als valse profeten veel wonderen doen, men ze niet hoort te geloven64); we weten ook dat de antichrist komen zal, die veel leugenachtige tekenen en wonderen zal doen.65)

62. Is het dan niet waar wat Christus gezegd heeft, en kan Hij dat doen niet doen?

Dat is ongetwijfeld waar. Het gaat echter niet over het waarheidsgehalte van de woorden, maar over de zin en de bedoeling ervan. Het gaat om de vraag of de woorden van Christus naar de letter te kennen geven dat tegelijk met het brood en de wijn het lichaam en het bloed van Christus wezenlijk en metterdaad op aarde tegenwoordig zijn, en echt op een lichamelijke manier met de mond van het lichaam – hoewel onzichtbaar – zowel door de godzalige als door goddeloze mensen worden genuttigd. Daar zeggen we ‘nee’ tegen; en wel om de volgende redenen.

  1. De woorden van Christus kunnen dit gewoonweg niet verdragen; bovendien houden de fanatieke drijvers van deze leer zich niet eens aan de woorden die Christus letterlijk heeft uitgesproken, maar ze geven daaraan hun eigen draai. Christus heeft namelijk niet gezegd: “in of onder dit brood is Mijn lichaam”, maar “dat (namelijk het brood) is Mijn lichaam”. Dat is net zo’n groot verschil als dat tussen “zijn” en “iets bevatten”. Het zichtbare brood zelf en niets iets wat in het brood verborgen is, wordt het “lichaam des Heren” genoemd. Zelfs de scholastische theologen erkennen dat men deze woorden niet letterlijk neemt, als men in plaats van “dit is Mijn lichaam” zou zeggen “hierin of onder dit brood is mijn lichaam”.
  2. Het metterdaad aanwezig zijn van het lichaam van Christus in of met of onder het brood, is geen ondersteuning bij het eten op een geestelijke wijze. Toch is dat het doel waarvoor het sacrament is ingesteld. Het geloof is uit het Woord van God, het krijgt ook onderwijs uit deze heilige tekenen en het wordt er meer en meer door versterkt; en het ontvangt het lichaam van Christus, dat in de hemel is, ook werkelijk door de krachtige werking van de Heilige Geest. Dat leren de plaatsen in de Schrift ons en ze gebieden ons ook om Christus in de hemel te zoeken en te aanschouwen.66) Nog belangrijker is dat de werkelijke en lichamelijke tegenwoordigheid [van Christus] ons niet méér nut kan geven dat we al uit Zijn geestelijke tegenwoordigheid halen. In Johannes 6:5151 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld., 54 en 56 heeft de Here hun die Hem eten, het eeuwige leven beloofd, vervolgens dat Hij in hen wil blijven, en ten slotte dat zij in Hem zullen blijven. Wat verlangt men nu nog meer dan dit?
  3. Het lichaam van Christus is geestelijk voedsel en heeft daarom betrekking op de ziel en niet op het lichaam. Het moet dan ook met geloof gegeten worden en niet met de mond. Het is voor het geloof ook niet moeilijker het lichaam te ontvangen dat in de hemel is, dan dat het [zogenaamd] in het brood of in de mond is. Het geloof ziet immers vanwege haar aard en kracht als vanzelf omhoog, en daarbij kan het niet door een tussenruimte in tijd of door een afstand in plaats gehinderd worden.
  4. Als het men aan het Avondmaal door een al te ‘hoge’ manier van spreken teveel toeschrijft, krijgen alle andere sacramenten des te minder aandacht.
  5. De leer van de blijvende aanwezigheid van het lichaam van Christus in het brood van het sacrament, versterkt alleen maar het dienen en aanbidden van het brood en het versterkt de vleselijke verbeelding van hen die op hun sterfbed liggen.
  6. De eigenlijke natuur van het lichaam wordt weggenomen als men van mening is dat het naar zijn wezen overal is; dat is niet aan het schepsel voorbehouden. AthanasiusAthanasius (276-373) staat bekend als de grootste Griekse kerkvader van de vierde eeuw. Aanvankelijk was hij diaken, later bisschop van Alexandrië. Bekend werd hij vooral vanwege zijn strijd tegen en overwinning op Arius tijdens het concilie van Nicea (325). zegt heel terecht: “Iets wat overal is, is een in wezen met God.” En Chrysostomos zegt in Col. Hom. 5: “God is wiens middelpunt overal is en zijn omtrek nergens.” Tegen de natuur van het lichaam in wordt dan ook gesteld dat het niet tastbaar en niet zichtbaar is. Het kan niet nader omschreven worden en het is zonder een bepaalde gesteldheid; het is zonder grootte, gestalte en gedaante… en toch lichamelijk aanwezig. Dan spreken we over een onlichamelijk lichaam dat tegen de wezenlijke eigenschappen van een werkelijk lichaam ingaat. En daarmee wordt dan bewezen dat Christus werkelijk en wezenlijk met zijn lichaam tegenwoordig was. Lees echter Lucas 24:38-3938 Doch Hij zeide tot hen: Waarom zijt gij ontsteld en waarom komen er overwegingen op in uw hart? 39 Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb. en Johannes 20:2727 Daarna zeide Hij tot Tomas: Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig.. “Ziet”, zegt Hij, “mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb.” Er wordt wel van Hem gezegd dat Hij uit hun midden verdween (Lucas 24:3131 En hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij verdween uit hun midden.), maar Hij was voor hen niet onzichtbaar, want Hij verdween uit hun ogen. Wie de eigenschappen van iets ontkent, ontkent de natuur of het wezen zelf daarvan. Theodoretus zegt67) in dit verband: “Wie de eigenschappen wegneemt, ontkent beide naturen.” Het is ook een zinloos gedachtenspel om te zeggen dat de lichamelijke tegenwoordigheid valt onder te verdelen in een zichtbaar en een onzichtbaar aspect daarvan. Daardoor wordt namelijk de manier van zijn van het lichaam weggenomen, want een en dezelfde natuur kan geen tegenstrijdige in zich opnemen. Het is zoals DamascenusJohannes Damascenus (676-749) was een monnik die wel bekendstaat als de laatste Griekse kerkvader. Hij schreef onder meer 'Een nauwkeurige uiteenzetting van het orthodoxe geloof' en strijdschriften tegen de islam, tegen het manicheïsme en tegen andere ketterijen. zegt: “Eén natuur heeft geen verschillende eigenschappen die met elkaar in strijd zijn.”
  7. De aanwezigheid van het lichaam van Christus is in strijd met de opdracht dat we aan Hem moeten gedenken.
  8. Uit heel deze gedachtegang zou moeten volgen dat de discipelen het aan lijden en sterven onderworpen lichaam van Christus gegeten zouden hebben; en dat men Christus dus niet in de hemel hoeft te zoeken.
  9. Het is echter zo dat de hemelen Hem omvatten en bewaren tot de tijd “van de wederoprichting aller dingen”; zie Handelingen 3:2121 Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher..
  10. Nergens in de Schrift komt men een soortgelijke manier van spreken tegen waarbij in letterlijke en eigenlijke zin sprake is van de gelijktijdigheid van twee verschillende naturen. Er wordt bijvoorbeeld niet gezegd dat het water wijn is of de staf een slang, maar wel dat het water in wijn en de staf in een slang verandert. Steeds als in de Schrift een bepaalde zelfstandigheid – dus iets wat er is – een andere zelfstandigheid wordt genoemd, moet dat een oneigenlijk of figuurlijk spreken genoemd worden. Bijvoorbeeld: de rots was Christus (1 Korintiërs 10:44 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus.); Christus is het Lam Gods (Johannes 1:2929 De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en zeide: Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.); Johannes de Doper is Elia (Matteüs 11:1414 en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou.); Christus is de ware wijnstok (Johannes 15:11 Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman.).
  11. Het is nodig dat men de juiste zin en bedoeling van de woorden zoekt, als de ongerijmdheid vanuit een letterlijke interpretatie in strijd is met de hoofdzaken van het geloof of met een bepaalde plaats in de Schrift.
  12. De mensen uit Kafarnaüm beeldden zich ik weet niet wat voor vorm van lichamelijk eten van het vlees van Christus in, maar ze werden voor die manier van denken door Hem bestraft en Hij haalde die gedachte hun uit het hoofd, toen Hij zei dat Zijn woorden geest en leven waren en dat het vlees geen nut doet – als men het namelijk eet zoals de inwoners van Kafarnaüm zich inbeeldden. En dan wijst Hij hen op Zijn hemelvaart; zie Johannes 6:62-6362 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? 63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven..
  13. Deze manier van denken doet de mening postvatten dat het lichaam van Christus aan vrome en goddeloze mensen toebehoort, maar het is een groot bezwaar om dat zo te stellen.
  14. Geen enkel sacrament kan ten volle uitgelegd worden zonder daarbij een beeldende manier van spreken te hanteren. Het is immers elk sacrament eigen dat de betekende zaak aan het teken zelf toegeschreven wordt, of dat het teken naar de betekende zaak wordt genoemd. Dat komt door de overeenkomst van het teken met de betekende zaak, maar ook omdat de betekende zaak ook werkelijk gegeven en ontvangen wordt.

63. Maar neemt Gods almacht de ongerijmdheden en moeilijkheden niet weg, die uit de verandering van het wezen en uit de nieuwe wezenlijke zelfstandigheid volgen?

  1. Men mag geen conclusies trekken uit Gods almacht, behalve wanneer men eerst door het uitgedrukte Woord van God verzekerd wordt van Zijn geopenbaarde wil. Christus zegt namelijk tegen de sadduceeën in Matteüs 22:2929 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet noch de kracht Gods.: “Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet noch de kracht Gods.” Daarom moet men niet kijken naar wat God zeer beslist kán doen, maar naar wat Hij doen wíl. In Psalm 115:33 Onze God is in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. zegt de dichter: “Onze God is in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt” – en niet: alles wat Hij kan. TertullianusTertullianus (ca. 160-230) staat bekend als een van de grootste 'kerkvaders'. Hij heeft vele belangrijke geschriften nagelaten, waaronder met name strijdschriften tegen heidenen en joden, alsook tegen ketters. Hij was een fel bestrijder van het gnosticisme en legde steeds de nadruk op de feitelijkheid van het christelijk geloof. zegt dan ook: “Gods kunnen is Zijn willen. Wat Hij wil, kan Hij en doet Hij.” En AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. merkt hierover op: “God is almachtig, niet omdat Hij alles kan doen, maar omdat alles doen kan wat Hij wil. Er is daarom niets wat Zijn wil kan weerstaan om het te doen, en niets kan Hem beletten.” In deze uitspraken gaat het niet om de absolute almacht waardoor God veel dingen kan doen die Hij echter niet wil doen en dus ook niet doet. Het gaat hier echter om de feitelijke en effectieve almacht, waardoor God alle dingen doet die Hij wil. De wil van God en Zijn feitelijke almacht strekken zich even ver uit, en daarom mogen die beide uitdrukkingen door en voor elkaar worden gebruikt. Daarom mogen we – en dat is heel leerzaam – deze conclusie trekken: God wil het en daarom kan Hij het ook doen en doet Hij het ook. En ook: God kan het en doet het, en daarom wil Hij het ook. Het is echter ongerijmd om daaruit te concluderen dat God almachtig is en daarom alle dingen doet, ook de dingen die Hij niet wil. DamascenusJohannes Damascenus (676-749) was een monnik die wel bekendstaat als de laatste Griekse kerkvader. Hij schreef onder meer 'Een nauwkeurige uiteenzetting van het orthodoxe geloof' en strijdschriften tegen de islam, tegen het manicheïsme en tegen andere ketterijen. zegt dan ook: “Hij kan wel alles doen wat Hij wil, maar Hij wil niet alles doen wat Hij kan. Hij kan de wereld wel verderven, maar dat wil Hij niet.”
  2. Men mag geen bewijs aanvoeren vanuit Gods almacht om iets te beweren wat tegen Gods Woord ingaat, want God kan Zichzelf niet verloochenen (2 Timoteüs 2:1313 indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet.) en Christus is niet “ja en neen” (2 Korintiërs 1:1919 Immers, de Zoon van God, Christus Jezus, die in uw midden verkondigd is door ons, door mij, door Silvanus en door Timoteüs, was niet: ja en neen, maar in Hem was het: Ja.). Gods almacht moet men dus niet gebruiken om de hoofdzaken van ons geloof omver te stoten, maar juist om die te bevestigen.
  3. Het is niet toegestaan een argument te nemen uit Gods almacht om iets te bevestigen wat zichzelf tegenspreekt. Men kan bijvoorbeeld van iets zeggen dat het er is en er niet is, of dat het er zó is en tegelijk niet zó is. Dat kan echter niet! Daarom zeggen de scholastici ook dat God niet iets zo kan doen dat dingen die dit tegenspreken tegelijk ook waar zijn. Dingen die zichzelf tegenspreken en stellen dat iets er tegelijk is en niet is, getuigen eerder van onmacht en niet van almacht. Deze onmogelijkheid is geen teken van zwakte, maar juist van onmetelijke kracht en standvastigheid. God kan bijvoorbeeld niet sterven, niet zondigen, niet liegen of bedriegen en ook niet bedrogen worden68). Hij kan er ook niet voor zorgen dat wat gedaan is, ongedaan zou zijn; en wat geboren is, ongeboren zou zijn. En als er iets is wat beschreven of bepaald is, kan Hij dat niet ongedaan maken.
Als iemand dus zegt dat God simpelweg en onbegrensd alles kan doen, valt daaronder niet alleen het goede maar ook het tegendeel daarvan, namelijk het kwade – terwijl dat alleen het terrein van de duivel is, zoals Theodoretus zegt69).
Wat de dingen betreft waarvan gezegd wordt dat ze voor God onmogelijk zijn, zijn sommige gewoonweg niet mogelijk vanwege Gods onveranderlijke natuur, en sommige vanwege een van te voren vastgestelde bepaling vanwege de standvastige en onveranderlijke waarheid van Zijn besluit en wil. God kan wel eenvoudigweg ervoor zorgen dat wat niet is, er komt of dat wat er is, ophoudt er te zijn en dat een lichaam een geest wordt. Hij kan ook uit stenen kinderen van Abraham verwekken70), en ervoor zorgen dat een kameel door het oog van een naald gaat. Daarbij laat Hij dat dier niet zijn zoals hij van nature is, maar dan maakt Hij hem zo smal als hij moet zijn om erdoor te kunnen. Zo kan God ook een rijke doen gaan in het Koninkrijk der hemelen, niet door hem zo te laten blijven, maar door hem te veranderen en te leren dat hij zijn vertrouwen alleen op God stelt.
Het heeft God behaagd dat Zijn Zoon na het menselijk lichaam te hebben aangenomen, daarom tot in eeuwigheid onze Broeder en ons in alles gelijk blijft. Wat betreft de natuurlijke en wezenlijke werkelijkheid van een lichaam zoals God het geschapen heeft, wil Hij niet dat tegennatuurlijke dingen de menselijke aangenomen natuur in Christus omverwerpen, wegnemen en haar begripsomschrijving te niet doen. Het is dan ook niet mogelijk, zegt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme., dat Hij het zó maakt dat het lichaam van Christus tegelijkertijd werkelijk een lichaam en géén lichaam is, tegelijk een afgebakend en een niet-afgebakend geheel. Dat zijn namelijk dingen die elkaar tegenspreken.
Juist dit argument ten aanzien van de almacht van God kan men onze tegenstanders voorhouden. God is immers almachtig, en daarom kan Hij ervoor zorgen dat wij die hier op aarde zijn, het werkelijke lichaam van Christus, dat in de hemel is, genieten en ontvangen.

64. Is de bewering van onze tegenstanders waar dat toen Christus aan Paulus verscheen op de weg (Handelingen 9:17) en in de gevangenis bij hem stond (Handelingen 23:11), Hij met Zijn lichaam tegelijkertijd zowel in de hemel als op de aarde was?

Nee, want het was alleen een hemelse verschijning of gezicht, zoals daarover in Handelingen 26:1919 Daarom, koning Agrippa, ben ik dat hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest. gesproken wordt, die niet afhing van de aanwezigheid van Christus’ lichaam op aarde. Er wordt immers niet van Christus gezegd dat Hij op aarde met hem sprak, maar vanuit de hemel. En dat deed Hij óf zonder lichamelijke stem door hem de waarheid krachtig in het hart te drukken óf door een stem uit de hemel die als een donderslag in de oren klonk. Uit Handelingen 23:1111 En de volgende nacht stond de Here bij hem en zeide: Houd moed, want zoals gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, moet gij ook te Rome getuigen. blijkt dat het voor ieder duidelijk genoeg was dat hier sprake was van nachtelijk gezicht dat hem in wakende of slapende toestand verscheen – en dan niet voor zijn ogen maar in zijn verstand.

Vanwege enkele bijzondere en buitengewone verschijningen moet men niet afwijken van de algemene regel van het geloof, waarbij men gelooft dat Christus met Zijn lichaam in de hemel is en daar zal blijven tot aan het einde van de wereld. Toch kan men niet ontkennen dat Christus op een bepaald ogenblik is waar Hij wil, zoals het Hem in Zijn majesteit en uitnemendheid behaagt.

65. Maar verloochent men Gods almacht niet heel duidelijk, als men zegt dat Hij in Zijn absolute almacht niet kan bewerkstelligen dat een lichaam met al zijn eigenschappen op andere en verschillende manieren op veel plaatsen tegelijk kan zijn?

Nee, echt niet. We verdedigen Gods almacht juist, omdat we zeggen dat Hij dat níet kan doen. God is immers zo almachtig en alles vermogend dat Hij niet strijdt tegen de waarheid. Hij kan bijvoorbeeld op geen enkele manier maken dat een ding er op een bepaalde tijd is én niet is; en ook niet dat hetzelfde lichaam zijn eigenschappen behoudt, dus zijn eigen begrensdheid, en dat ditzelfde lichaam op dezelfde tijd op veel verschillende plaatsen tegelijk aanwezig is. In dit verband zegt Cyrillus71) dan ook heel terecht: “Alles kunnen vervullen, door alles heen gaan, en in alles volgen – zult u dat aan een andere natuur dan alleen de goddelijke toeschrijven? Nee, ik niet.”

66. Wordt die tegenstrijdigheid dan niet weggenomen door de veelheid aan aspecten waarmee men hier te maken heeft? Men kan toch zeggen dat het lichaam van Christus werkelijk in de hemel is voor wat betreft de natuurlijke eigenschappen van een echt lichaam – plaatselijk, zichtbaar en fysiek werkelijk – maar wat Gods almacht betreft óók werkelijk op veel plaatsen of overal of in het Avondmaal aanwezig is? Maar dan sacramenteel, onzichtbaar, bovennatuurlijk, niet aan een plaats gebonden, op een hemelse en wonderbaarlijke manier! Men kan toch ook zeggen dat de menselijke natuur van Christus vanwege haar fysieke eigenschappen concreet en zichtbaar is, maar ten aanzien van de persoonlijke vereniging met Christus niet concreet en onzichtbaar?

Zo mag men beslist niet spreken, want deze onderscheidingen ten aanzien van het ene en het andere kunnen niet vanuit de Schrift bewezen worden. Vervolgens nemen die onderscheidingen ook de tegenstrijdigheid niet weg, want dan is het alsof iemand zegt dat het lichaam van Christus dood geweest is op de wijze van de dood, en op dezelfde wijze ook levend naar de wijze van de dood maar tegelijk eveneens levend naar de wijze van het leven. Ten slotte nemen die tegenstrijdige wijzen van zijn de tegenstrijdigheid zelf niet weg, want de ene stoot de andere omvér wanneer ze voor hetzelfde object gelden; integendeel, de tegenstrijdigheid wordt er alleen maar door bevestigd!

Men kan dergelijke van elkaar verschillende aspecten niet als argument gebruiken, waarbij dezelfde zaak werkelijk zó is en tegelijk níet is. Dat voeren onze tegenstanders altijd als argument aan, maar dat doet hen dwalen. Men moet immers geen manier van zijn verzinnen die het wezen van die zaak wegneemt! Daarom kan het aangenomen lichaam van Christus dat fysiek en concreet bestaand is, beslist niet tegelijk werkelijk op veel plaatsen tegelijk zijn, niet fysiek en onmetelijk zijn, ook al is het echt met in onuitsprekelijke heerlijkheid gehuld. God is immers waarachtig en onveranderlijk, en Hij wil niet dat ‘ja’ tegelijkertijd ‘nee’ is, want dat gaat tegen de onveranderlijke basisregel in dat ieder ding is óf er niet is.

67. Is het hiermee dan niet net als bij het oog? Dat heeft het vermogen om te kunnen zien ook niet in zichzelf, maar omdat het met de ziel verenigd is en in de eenheid daarmee het gezichtsvermogen ontvangt. Ook al heeft het vlees van Christus deze vermogens dan niet in zichzelf, maar het heeft die toch wel echt en waarachtig in de wonderlijke eenheid in God?

Nee, want hier worden dingen met elkaar vergeleken die geheel en al van elkaar verschillen. Het oog is er namelijk vanuit zichzelf op ingesteld om het eigen natuurlijke en essentiële instrument te zijn waardoor de levende ziel haar gezichtsvermogen tot uiting laat komen, zonder welke ze dat niet kan realiseren. Het lichaam van Christus is er echter níet van nature op ingesteld om een eigen natuurlijk en essentieel instrument te zijn waardoor de goddelijke natuur haar overal tegelijk tegenwoordig-zijn en niet-zichtbaar zijn realiseert, zonder welk die natuur beslist niet overal tegenwoordig of onzichtbaar zou kunnen zijn.

Vervolgens gaat het niet om het lichaam van Christus op zichzelf of buíten de persoonlijke vereniging met God. Buiten die vereniging om is er immers helemaal geen sprake van het vlees of het lichaam van Christus; het is er nooit geweest en het zal er nooit zijn.

Bovendien ontvangt een natuur niet iets wat tegen haar zelf ingaat of van haarzelf verschilt. Welnu, daarom is het “zeer verschillend en in zichzelf geheel en al tegenstrijdig om ergens op een bepaalde plaats omschreven te worden als aanwezig, en tegelijk overal te zijn”, zegt Vergilius. Dan zou men moeten zeggen dat de menselijke natuur van Christus een begin heeft in haarzelf en niet in de vereniging van beide naturen. Dan zou ze vanwege haar eigen natuur minder zijn dan de engelen, maar in de vereniging van beide naturen gelijk aan de Vader. Dan is ze ten slotte in haar eigen natuur gestorven, maar in of vanwege of ten aanzien van de vereniging van beide naturen is ze níet gestorven.

68. Maar behoort men de menselijke rede en de grondregels van de filosofie niet aan de kant te schuiven als er iets over het lichaam van Christus gezegd wordt?

Nee, want voor zover de menselijke rede of het menselijk verstand na de wedergeboorte geestelijk geworden is, geeft ze aan de schepselen een getuigenis dat wáár is en leert ze ons ten aanzien van het menselijk lichaam goede en zuivere uitgangspunten. Er staat immers geschreven: “Weest niet als een paard, als een muildier zonder verstand” (Psalm 32:99 Weest niet als een paard, als een muildier zonder verstand, welks trots men bedwingt met toom en bit, opdat het u niet te na kome.). Bovendien is God de Auteur en de Oorzaak van alle waarheid, of het nu over redelijke, zedelijke of natuurlijke dingen gaat. Ja, toen Christus na Zijn opstanding wilde bewijzen dat het écht Zijn lichaam was, gebruikte Hij de zichtbaarheid en de tastbaarheid ervan als bewijs; Hij beriep Zich dus op het gezicht en gevoel en het aanraken van de discipelen.72) Zo mag men uit elke aanwezigheid van brood tijdens het Avondmaal echt wel vaststellen dat het om écht brood gaat. Alle zintuigen bevestigen dit immers, en die kunnen toch niet allemaal tegelijk bedrogen worden! Of het zou moeten zijn dat ze in een waan gehouden worden, zoals de twee discipelen die dachten dat de Here een vreemdeling op reis was, en zoals Maria van Magdala, die dacht dat Hij de hovenier was.73)

69. Moet men niet stellen dat het lichaam van Christus overal is, omdat het anders gescheiden wordt van de goddelijke natuur die ook overal is en waarmee het toch persoonlijk verenigd is? Of heeft het lichaam van de Here het juist aan die vereniging te danken dat het overal is waar het Woord is?

Helemaal niet! Er kunnen dingen zijn die op gelijke manier met elkaar verenigd zijn, waardoor het ene zich niet verder uitstrekt dan het andere, en het ene niet ergens kan zijn waar het andere niet is. Als het ene zich echter verder uitstrekt dan het andere, moet het grootste dáár zijn waar het kleinste is, maar dat geldt niet andersom, zoals men kan zien bij een ring met een edelsteen. Welnu, omdat de goddelijke natuur van Christus Zijn menselijke natuur vér te boven gaat, is wel Zijn godheid dáár waar Zijn menselijke natuur is, maar dat geldt niet andersom.

De persoonlijke vereniging van Christus’ goddelijke en menselijke natuur geeft ook geen gelijkmaking met of opgaan in de goddelijke natuur of een uitstorten van de goddelijke eigenschappen in de menselijke natuur, zodat die dezelfde eigenschappen heeft als de goddelijke natuur. Nee, het is zó’n vereniging dat de menselijke natuur in de Persoon van het Woord bestaat, zodat ze bij wijze van spreken daarvan een onderdeel is en niet op zichzelf bestaat of buiten het Woord om. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt daarom: “Hieruit volgt niet dat hetgeen in God is, overal als God is.”

Vervolgens weten we dat Christus’ godheid in haar geheel overal is; ze is dus niet ergens gedeeltelijk en ook niet in één plaats. Daarom kan het ook niet zo zijn dat de menselijke natuur die Christus aangenomen heeft, ergens is waar de goddelijke natuur níet is. Het is echter wel zo dat deze menselijke natuur – zoals Zijn nooit te verbreken waarheid dat met zich meebrengt – op haar bepaalde plaats is gesteld.

Het lichaam van de zon en haar licht zijn natuurlijk heel nauw met elkaar verbonden, maar toch komt het lichaam van de zon niet werkelijk op alle plaatsen waar het licht zich verspreidt. Op dezelfde manier zijn ook het oog en het licht met elkaar verbonden, maar het gezichtsvermogen komt tot veel plaatsen waar het oog zelf niet komt.

Ten slotte hebben de oude kerkvaders op het concilie van Chalcedonië heel terecht gezegd dat het onderscheid tussen de naturen van Christus vanwege de persoonlijke vereniging [van beide naturen] niet is weggenomen, maar dat daardoor juist veel meer de kenmerkende eigenschap van beide naturen die in die éne zelfstandige Persoon samenkomen, behouden wordt.

70. Als Christus in Johannes 3:13 zegt: “Niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen” – betekent dat dan dat Zijn menselijke natuur, die op de aarde was, tegelijk ook in de hemel was?

Nee, want de “Zoon des mensen” duidt hier de hele Persoon van Christus aan – Hij die Gods Zoon is. De menselijke natuur moet hier alleen opgevat worden als het deel van die Persoon dat uit de maagd Maria is aangenomen. Van deze Persoon wordt gezegd dat Hij niet alleen mens maar ook God is; het is dus heel vreemd om dit alleen op de menselijke natuur te betrekken. Dan zou men ook immers ook kunnen zeggen dat de menselijke natuur er al voor Abraham was éér ze in het lichaam van een vrouw ontvangen werd.

Het is zeer zeker zó dat de Zoon des mensen in gelijke mate in de hemel was toen Hij op aarde sprak, nadat Hij vanuit de hemel was neergedaald. Christus spreekt over hetzelfde subject, namelijk de Zoon des mensen, dat Hij uit de hemel is neergedaald – dezelfde over wie Hij ook gezegd dat Hij in de hemel was. Als er gezegd wordt dat de Zoon des mensen uit de hemel is neergedaald, gaat het niet over de neerdaling van zijn lichaam uit de hemel, maar dat zijn goddelijke natuur uit de hemel afkomstig is en menselijke vlees of lichaam heeft aangenomen. Daarom kan er gezegd worden dat de Zoon des mensen in de hemel was terwijl Hij ook op de aarde was. Dat betekent niet dat de menselijke natuur van de Zoon in de hemel was, maar wél zijn goddelijke, die altijd hemel en aarde vervult. Het gaat hier om een metonymische manier van spreken, waarbij het geheel bedoeld wordt en een deel ervan de naam krijgt van het geheel – zo zegt Cassianus.74)

71. Is het niet verkeerd om de natuur van een verheerlijkt lichaam dat toch wel geestelijk genoemd mag worden, onder de wetten van de gewone [menselijke] natuur te plaatsen?

72. Bedoelen de rechtzinnige kerkvaders het letterlijk als ze schrijven dat het brood dat de Here aan de discipelen gaf, wel niet in gedaante veranderd is maar wel in natuur en door de almacht van het Woord vlees geworden is? Denk bijvoorbeeld aan Cyprianus**((Serma. de Coena Domini.))**, die zegt dat Christus zichzelf in de handen had. Of denk aan Augustinus**((In Prolo. Psal. 33.)) **die zegt dat het lichaam van de Here in onze mond komt, dat onze tong bebloed wordt door het bloed van Christus en dat Christus Zelf in deze handelingen gezien, getast en gebroken wordt, en dat we met onze tanden in het vlees van Christus bijten**((Voor mij niet goed leesbaar; zo mogelijk een andere digitale uitgave raadplegen?))**?

Nee. Ons verstand en onze ervaring leren immers het tegendeel. Deze dingen kunnen niet in letterlijke zin gezegd worden, en als dat wel gebeurt, begaat men een grote godslastering zoals die van de mensen in Kafarnaüm. De manier van spreken van deze kerkvaders is dus figuurlijk; daarbij worden de begrippen van het lichaam en bloed en wat ze met zich meebrengen aan het brood en de wijn toegeschreven, en andersom gebeurt dat met de tekenen [van brood en wijn] aan het lichaam en bloed van Christus. Die manier van spreken is bedoeld – al klinkt het wat al te concreet en al gaat het wat al te ver – om daardoor de waarde van het sacrament voor de aanwezigen aan te prijzen. Door deze figuurlijke en beeldende manier van spreken wil men te kennen geven hoe zeker en hoe groot de verborgenheid is van onze gemeenschap met Christus – als een geestelijk eten van Christus, waarbij wij vlees zijn van Zíjn vlees en been van Zíjn benen. Dan zijn we dus werkelijk één met Hem geworden en delen we in al Zijn genadegaven.76) Op een andere plaats zegt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme.77) ook: “Wij kunnen naar Christus die in de hemel is, niet met onze hand reiken, maar we kunnen wel door het geloof bij Hem komen.” En in Tract. in Ioan. 50 zegt hij: “Het lichaam van Christus is naar de hemel gegaan. Iemand zou dan kunnen vragen: Hoe zal ik met mijn handen tot aan de hemel reiken, zodat ik Hem die daar zit, kan vasthouden? Zend uw geloof naar Hem en dan hebt u Hem.” in [zijn commentaar op] Psalm 731 Een psalm van Asaf. Waarlijk, God is goed voor Israël, voor hen die rein van hart zijn. 2 Maar mij aangaande, bijkans waren mijn voeten afgeweken, bijna waren mijn schreden uitgegleden. 3 Want ik was afgunstig op de hoogmoedigen, toen ik de voorspoed der goddelozen zag. 4 Want moeiten hebben zij niet, gaaf en welgedaan is hun lichaam; 5 in de kwelling der stervelingen delen zij niet, en met andere mensen worden zij niet geplaagd. 6 Daarom is de trots hun een halssieraad, het geweld omhult hen als een kleed; 7 hun ogen puilen uit van vet, de inbeeldingen van hun hart lopen over; 8 zij spotten, en boosaardig spreken zij van verdrukking, zij spreken uit de hoogte; 9 ze zetten een mond op tegen de hemel, en hun tong roert zich op de aarde. 10 Daarom wendt zijn volk zich hierheen, en als water in overvloed wordt het door hen geslorpt; 11 zij zeggen: Hoe zou God het weten; zou er ook wetenschap zijn bij de Allerhoogste? 12 Zie, zo zijn de goddelozen, altijd onbezorgd vermeerderen zij het bezit. 13 Maar tevergeefs heb ik mijn hart rein gehouden, mijn handen in onschuld gewassen. 14 De ganse dag word ik geplaagd, mijn bestraffing is er elke morgen. 15 Indien ik gezegd had: Ik zal aldus spreken, zie, dan ware ik afvallig geweest van het geslacht uwer kinderen. 16 Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen, 17 totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde lette. 18 Waarlijk, Gij stelt hen op glibberige plaatsen, Gij doet hen instorten tot puin. 19 Hoe worden zij in een oogwenk tot een voorwerp van ontzetting, zijn zij verdwenen, vergaan door verschrikkingen; 20 gelijk een droom na het ontwaken, o Here, versmaadt Gij, als Gij opwaakt, hun beeld. 21 Toen mijn hart verbitterd was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, 22 toen was ik een grote dwaas en zonder verstand, ik was een redeloos dier bij U. 23 Nochtans zal ik bestendig bij U zijn, Gij hebt mijn rechterhand gevat; 24 Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij in heerlijkheid opnemen. 25 Wie heb ik (nevens U) in de hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde; 26 al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig. 27 Want zie, wie verre van U zijn, gaan te gronde, Gij verdelgt al wie overspelig U verlaat, 28 maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn, de Here Here heb ik tot mijn toevlucht gesteld, en ik wil al uw werken vertellen. schrijft hij dat hij Hem als het ware in zijn hand hield, omdat hij het sacrament van Christus’ lichaam in de hand hield.

Cyprianus zegt dat de sacramenten de namen dragen van de dingen die ze betekenen. En de al genoemde AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt eveneens: “Verwonder u er niet over dat het teken soms de naam krijgt van wat het betekent; zo wordt de steen Christus genoemd, omdat ze Hem uitbeeldt.” Daarom zeggen we ook met Cyprianus dat de gedaante, de uitwendige vorm van brood en wijn niet verandert, maar dat het wezen van het brood en de wijn veranderd wordt in het sacrament van het lichaam en bloed van de Here – wat ze tevoren niet waren. Ook Chrysostomos drukt zich zo uit: “Wat eigen is aan de tekenen, schrijft de apostel toe aan de betekende zaak, met name voor zover dat het geloof en het inzicht van de ziel betreft.”

Wat bedoelen de oude kerkvaders als ze geheel in grote verwondering zijn over de verborgenheid van het Avondmaal, als ze dat een verborgenheid noemen waarvoor men hoort te beven; als ze daarvoor het geloof hoog nodig achten; als ze Gods macht daarin erkennen en grootmaken; als ze zeggen dat men in het lichaam van Christus niet moet letten op de natuurlijke orde; en als ze aan de tekenen enige verandering toeschrijven?

Zij maken hiermee duidelijk dat die verandering van de bestanddelen uit genade plaatsvindt; en dan geldt dat niet zozeer wat in wezenlijke zin hun eigen en natuurlijke materie en vorm betreft, maar het heeft wel te maken met hun bijzondere aard, dus dat wat hun eerste werk, hun doel en hun gebruik is. Die verandering is dan ook de heiliging, de bestemming of het overbrengen van de tekenen van het gewone gebruik naar het heilige en verborgen gebruik dat de verzegeling en het getuigenis van het eeuwige leven geeft. De bestanddelen voeden nu niet alleen het lichaam voor dit leven zoals dat aan onze gewone tafel gebeurt, en geven hun zegeningen; maar ze voeden ook de ziel vanwege Gods instelling, omdat ze sacramenten zijn van het lichaam en bloed van Christus om voor ons vaste en stellige onderpanden te zijn van het lichaam en bloed van Christus en dus van het eeuwige leven dat uit Hem in ons overvloeit. Daarom spreekt Paulus niet eenvoudigweg over Avondmaal en drinkbeker, maar over het Avondmaal en de drinkbeker des Heren. En in 1 Korintiërs 10:44 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus. spreekt hij over een geestelijke rots waaruit de Israëlieten in de woestijn dronken.

Theodoretus zegt dan ook: “De Heer noemt de zichtbare tekenen zijn lichaam en bloed, niet omdat het karakter daarvan verandert, maar omdat Hij genade schenkt aan wat natuurlijk is.” De natuur ontvangt dus de genade, waardoor de bestanddelen sacramenten of geestelijke substanties worden. Dat wil zeggen dat ze uitwendige middelen en werktuigen van de Heilige Geest worden om de gemeenschap met Christus in ons te versterken, te behouden en te vermeerderen.

De kerkvaders verwonderen zich over deze sacramentele, niet-wezenlijke verandering omdat die wonderlijk en bovennatuurlijk is – en die verwondering is heel terecht! Zonder Gods macht kan immers geen aardse en vergankelijke substantie die eigenlijk bedoeld is om het lichaam te voeden, iets heiligs voor ons worden, namelijk hemels en geestelijk voedsel. Het is geen werk van de natuur dat deze tekenen ons hart daadwerkelijk en met kracht ontroeren, en ons het lichaam en bloed des Heren aanbieden om door ons met het hart en door het geloof aangenomen te worden. Zo is het ook geen werk van de natuur dat het water een bad van wedergeboorte wordt.

Deze sacramentele verandering is echter niet wonderlijker of onuitsprekelijker dan een onverbroken zegel op een openbare brief. Het verschil is dat het hier gaat om een goddelijke instelling die vanwege goddelijke zaken is ingesteld, en dat [die brief] een menselijke instelling is om menselijke zaken met kracht te bevestigen. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt dan ook dat de sacramenten wel achtenswaardig zijn, maar niet wonderlijk alsof ze over wonderbaarlijke zaken gaan.

Vervolgens zeggen dezelfde kerkvaders dat ten aanzien van deze zaken vooral het geloof noodzakelijk is, want daardoor houden we het wáár dat het brood het lichaam des Heren is; dat wil zeggen: dat wij werkelijk door het wettig gebruik van het brood deel krijgen aan het lichaam van Christus.

Ten slotte geven de kerkvaders hiermee aan dat de onuitsprekelijke en werkelijk wonderlijke gemeenschap die we met Christus hebben, hierdoor bekrachtigd wordt – en daarvoor moeten we niet kijken naar de orde van de natuur, omdat het hier gaat om zaken die alle menselijk verstand te boven gaan.

73. Men spreekt toch gewoon over een ijzeren mes als van vuur, over een kind in de wieg en over wijn in het vat, en dergelijke; en dan heeft men het gewoon over vuur, over een kind en over wijn. Maar in Deuteronomium 12:23 staat dat het bloed de ziel is, omdat de ziel daarin is. Door die manier van spreken wordt van de toegeschreven eigenschap duidelijk gezegd dat ze aanwezig is. Moeten de woorden van Christus dan niet zo opgevat worden dat zijn lichamelijke tegenwoordigheid dáár is waar het brood is?

Nee, want het vuur maakt het ijzer wel gloeiend en het dringt in heel dat ijzer ook door, maar het verandert het wezenlijke van het ijzer niet – aldus Theodoretus78). In een gloeiend zwaard behoudt het vuur wel het vermogen van de hitte, zoals het ijzeren mes dat heeft om te snijden. DamascenusJohannes Damascenus (676-749) was een monnik die wel bekendstaat als de laatste Griekse kerkvader. Hij schreef onder meer 'Een nauwkeurige uiteenzetting van het orthodoxe geloof' en strijdschriften tegen de islam, tegen het manicheïsme en tegen andere ketterijen.79) zegt: Het ijzeren mes heeft niet het vermogen van het vuur, want het is de taak van het vuur om te branden, zoals het ijzeren mes de taak heeft om te snijden. Met dit beeld hebben de oude kerkvaders de nauwe vereniging van de twee naturen van Christus willen verklaren, zonder die te vermengen en de eigenschappen van de goddelijke natuur werkelijk in de menselijke natuur te laten overvloeien.

Het ene kan niet met het andere vergeleken worden. Hierboven was sprake van natuurlijke manieren van eenwording, waarbij nieuwe hoedanigheden aan iets worden toegevoegd, of de ene zelfstandigheid met de andere samengaat. Maar hier, bij de instelling van het sacrament door Christus, is alles bovennatuurlijk.
Bovendien is Christus in het Avondmaal er niet om het brood, maar om de mens. Christus heeft de woorden “dit is mijn lichaam” niet gesproken vanwege het brood alsof Hij dat wezenlijk had willen veranderen of zijn lichaam aan het brood had willen meedelen. Nee, Hij heeft de discipelen de belofte gedaan dat zijn lichaam met ons is, waardoor Hij ons als zijn ledematen met Hem verenigt.

74. Wat is dan de eigenlijke betekenis en bedoeling van de woorden bij het Avondmaal des Heren?

Het brood dat Christus met Zijn handen brak en aan de discipelen gaf, is zoals Hij zei “mijn eigen lichaam”. Maar dat is het niet wezenlijk, maar op een verborgen manier of anders gezegd door een sacramentele belofte. Het is een geestelijke aanduiding van iets dat niet denkbeeldig is maar waarachtig en werkelijk. Paulus spreekt hierover in 1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?: “Het brood dat wij breken, [is] een gemeenschap met het lichaam van Christus.” Dat wil zeggen: het is een zegel en krachtig onderpand, een werktuig of middel waardoor gemeenschap met het lichaam van Christus geoefend wordt.

Deze uitleg bevestigt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. als hij zegt: “De Heere is er niet voor teruggeschrokken om te zeggen: 'Dit is mijn lichaam', toen Hij het teken van zijn lichaam gaf.”80) En TertullianusTertullianus (ca. 160-230) staat bekend als een van de grootste 'kerkvaders'. Hij heeft vele belangrijke geschriften nagelaten, waaronder met name strijdschriften tegen heidenen en joden, alsook tegen ketters. Hij was een fel bestrijder van het gnosticisme en legde steeds de nadruk op de feitelijkheid van het christelijk geloof. zegt: “Van het brood dat Hij nam en aan de discipelen gaf, heeft Hij zijn lichaam gemaakt, toen Hij zei: Dit is mijn lichaam, dat wil zeggen: een afbeelding van mijn lichaam.”

De woorden “Deze drinkbeker is mijn bloed” leggen we ook niet anders uit. De zin en bedoeling van Christus’ woorden is dus deze: zo dikwijls jullie, die mijn discipelen zijn en in Mij geloven, dit brood eten en deze drinkbeker drinken, zal het voor jullie een duidelijk gedenkteken en een getuigenis zijn, dat jullie met mijn lichaam dat voor jullie overgegeven is, en met mijn bloed dat voor jullie uitgestort is, werkelijk – maar dus wel op een geestelijke manier – gevoed worden tot het eeuwige leven.

75. Waarom heeft de Here de manier van spreken “Dit is mijn lichaam” en “Dit is mijn bloed” liever willen gebruiken dan te zeggen: “Dit betekent mijn lichaam en mijn bloed”?

Omdat het woord “betekent” voor Hem terecht wat te weinig zeggend lijkt geweest te zijn. Hij heeft uitdrukkelijk willen duidelijk maken dat de tekenen niet voorgesteld worden om die aan te merken zoals ze op zichzelf zijn. Hij wil juist dat degene die ze ontvangt, met de ogen van het geloof de zaken die daardoor worden uitgebeeld in deze tekenen zal zien en op een geestelijke wijze zal aannemen– alsof het brood en de wijn geen tekenen waren van die zaken, maar de zaken zelf.

76. Maar als men ontkent dat het lichaam van Christus in het brood van het Avondmaal is, zegt men dan niet dat Christus Zelf in zijn Avondmaal niet werkelijk aanwezig is?

Nee; we moeten echter wel zeggen dat de gehele Christus in het Avondmaal aanwezig is, maar niet het geheel van Christus. De mens Christus is werkelijk tegenwoordig:

  1. Met de genade en de kracht van zijn Geest; zie Matteüs 18:2020 Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden.: “Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben ik in hun midden.”
  2. Met zijn macht en majesteit.81)
  3. Daardoor is Hij wel met zijn lichaam van ons verwijderd, want Hij is tot boven de hemel verheven; maar toch is Hij met zijn kracht geheel tegenwoordig, waardoor Hij Zichzelf en al zijn genadegaven door het geloof werkelijk op een geestelijke wijze aan ons meedeelt.
  4. Hij heft de harten van de gelovigen door de belofte van het evangelie op tot in de hemel, zodat ze daar in het hemelse heiligdom het offer dat aan het kruis is geslacht, zullen zien en daarmee door het geloof worden gevoed.
  5. Ongetwijfeld doet Christus dus werkelijk en helemaal wat Hij beloofd heeft.

77. Is het lichaam van Christus dan niet wezenlijk en werkelijk in het Avondmaal?

Ja, dat wel! Het is echter niet zo dat het gehele wezen, dus zowel de stof als de vorm van het brood en de wijn in het lichaam en bloed van de Here verandert, of in het brood wordt opgesloten, of dat aanneemt, of daar concreet in bestaat – zoals een kind dat in de wieg ligt. Het is namelijk niet tegenwoordig in de uitwendige tekenen door er één mee te zijn of zonder in plaatselijke zin ruimte in te nemen. Het is ook niet op de plaats waar het brood is, en evenmin bij het lichaam van de mensen, en het wordt dus ook niet in hun mond genomen. Wat plaats betreft, is het lichaam van Christus immers in de hemel.

Het is echter wel tegenwoordig voor de ziel van de gelovigen en in het geloof van de mens die het Heilig Avondmaal van Christus op een wettige manier gebruikt. Het is namelijk de kracht van het geloof dat de dingen heel nauw met elkaar verenigt, hoe ver ze plaatselijk ook van elkaar gescheiden zijn. Daarmee verwerpen we de concrete en levendmakende aanwezigheid van het lichaam van Christus in het Avondmaal niet, en evenmin de gemeenschap die de gelovigen in de bediening van het sacrament met Hem hebben. We ontkennen alleen de manier waarop die tegenwoordigheid gestalte krijgt, zoals het verzinsel dat ze in het brood is.

78. Spreekt het elkaar niet tegen als men zegt: Christus is lichamelijk in de hemel én Christus is met zijn lichaam en bloed aanwezig in het Avondmaal?

Nee, toch niet. Als we het namelijk echt goed begrijpen, zien we dat die tegenwoordigheid geen betrekking heeft op de plaats van het brood, maar op de gemeenschap met de mens, die door de handelingen van het Avondmaal meegedeeld en verzegeld wordt.

79. Wordt het Avondmaal van Christus niet in waarde verminderd als men het ervoor houdt dat het lichaam van Christus net zo ver verwijderd is van de sacramentele handeling als de hemel van de aarde?

Helemaal niet. Het lichaam en bloed van Christus zijn niet zomaar dingen op zichzelf; in deze sacramentele verborgenheid worden ze echter niet opgevat als een gave voor het lichaam, maar voor de geest; niet voor de uitwendige zintuigen, maar voor het geloof – om ze zo alleen met de ziel in geloof te eten en te drinken. De dingen die men hoort, komen tot ons door het gehoor; en wat men ziet, ontvangt men door het gezichtsvermogen – en zo krijgt men ook de dingen die men begrijpt door het verstand, en die men gelooft door het geloof. Deze laatste dingen zijn ook niet in gelijke mate in stoffelijke voorwerpen te vinden. Wat men door het geloof ontvangt, is immers veel zekerder dan wat men uitwendig en zintuigelijk of begripsmatig verkrijgt. Paulus geeft aan hoe het geloof een bepaald iets aanwezig kan laten zijn door het geloof, als hij in Galaten 3:11 O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, wie Jezus Christus toch als gekruisigde voor de ogen geschilderd is? zegt dat Christus hun voor ogen is geschilderd en onder hen is gekruisigd.

80. Zijn de aardse en de hemelse gaven op dezelfde manier in het Avondmaal aanwezig?

Nee, want Christus is in het zegel van Zijn genade niet anders tegenwoordig dan in het woord of de belofte van die genade. Christus is in het Woord, in de doop en in heel het dienstbetoon van de kerk alleen op een geestelijke manier aanwezig en niet op lichamelijke manier hier-en-nu. Hij wordt in de stem van de dienaar die spreekt, niet opgesloten en evenmin in de sacramentele tekenen of onderpanden. Paulus zegt immers in 2 Korintiërs 5:6-76 Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn 7 - want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen. dat wij wel ‘in het lichaam ons verblijf hebben’, maar toch ‘bij de Here onze intrek nemen’, ‘want wij wandelen in het geloof, niet in aanschouwen’ – en dat doen we door de Geest (vgl. vers 1616 Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer.). In Kolossenzen 3:11 Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. lezen we hetzelfde, namelijk dat Christus hierboven is, en in 1 Tessalonicenzen 4:1616 want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan., dat Christus op de dag van het oordeel zal ‘nederdalen van de hemel’. Hij zal niet dagelijks en op elk ogenblik van de dag komen, maar anders dan Hij opgevaren is – namelijk niet zichtbaar en niet nader omschreven – zal Hij op dezelfde manier terugkeren als ze Hem naar de hemel hebben zien opvaren.82) Daarom ook is Christus in het Avondmaal op een geestelijke manier aanwezig – een aanwezigheid die men hemels, goddelijk en bovennatuurlijk zou mogen noemen en niet natuurlijk of lichamelijk.

81. Wat of wie is dan de betekende zaak in het Avondmaal van de Here?

Dat is Christus Zelf, die zich met al zijn weldaden op een geestelijke manier aan ons aanbiedt om Hem door het geloof aan te nemen. We krijgen in het Avondmaal niet alleen deel aan de kracht, de weldaden en de gaven van Christus, maar wezenlijk ook aan het levendmakende lichaam van Christus.

82. Hoe moeten we de woorden “lichaam” en “bloed” opvatten in de woorden: “Dit is mijn lichaam, en dit is mijn bloed’?

Niet als het symbool dat sommige kerkvaders het sacramentele lichaam noemen; dat wil zeggen het lichaam zoals het op sacramentele manier wordt opgevat, zoals men bijvoorbeeld zegt dat het lichaam van de Here gezien wordt, getast of gegeten, een lichaam dat op de aarde valt, geschapen is en ook weer verteert. En ook niet het verborgen lichaam zoals de gemeente genoemd wordt83), want dan zouden de gelovigen als het ware de gemeente eten. We willen natuurlijk niet ontkennen dat het verborgen lichaam door de tekenen van brood en wijn worden uitgebeeld – wat ook [in de Schrift] is vastgelegd en bekrachtigd84) – maar dan wel op de wijze van een vergelijking, waarbij de tekenen zien op heel de Mens Christus, en geheel en al op het ware en natuurlijke lichaam van Christus, dat voor ons overgegeven, gekruisigd en begraven is; op zijn bloed zoals Hij dat voor ons uitgestort heeft; en op zijn ware ziel, ja, op heel de Persoon Christus. Zijn mensheid kan immers zonder de godheid van het Woord dat het leven zelf en de fontein van het leven is85), niet voor ons het brood des levens zijn. Zijn mensheid kan van het Woord niet worden afgescheiden, en die mensheid kan ook niet bestaan zonder de godheid, en Zijn genadegaven kunnen er niet zijn zonder heel zijn Persoon. Daarom wordt het ene niet zonder het andere gegeven of ontvangen.

83. Ontvangen we in het Avondmaal des Heren als de betekende zaak van het sacrament alleen de verdiensten, de zaligmakende kracht van Zijn gaven of de weldaden van Christus, zonder dat we Christus Zelf lichamelijk ontvangen, dus zonder de gemeenschap met Christus Zelf en al zijn weldaden?

We ontvangen Christus Zelf met al zijn weldaden, zoals die ons zowel door toerekening als werkelijk en op een duidelijke manier geschonken worden.

  1. Christus is als de ene God en Mens het levendmakende brood door Wie het eeuwige leven tot ons komt86). Dat wordt door hen die een oprecht en waar geloof hebben op een geestelijke manier gegeten.
  2. Brood en wijn zijn niet alleen heilige tekenen van de dood en de weldaden van Christus, maar ook van zijn lichaam en bloed.
  3. Paulus bevestigt dit ook heel uitdrukkelijk87); wij moeten deel hebben aan het lichaam en bloed van Christus om zijn weldaden te kunnen ontvangen. Deze weldaden en de levendmakende kracht die onze ziel ondersteunt tot het eeuwige leven, kunnen niet gescheiden worden van het lichaam en bloed van Christus waarin ze zich bevinden, en dus ook niet van Christus Zelf.88) Het is als het resultaat van iets dat door bepaalde oorzaak ontstaat, of als een inherente eigenschap die bij een bepaald voorwerp hoort. Het is zoals Cyrillus zegt: “De Geest in Christus is heel nauw met Zijn lichaam verenigd, en het lichaam met zijn Geest.” Wij kunnen dus het ene niet zonder het andere aannemen – niet in een eenvoudig woord en ook niet in de sacramenten.
  4. Hij die de belofte van het evangelie door het geloof omhelst, heeft deel aan Christus.89)
  5. De woorden van Christus maken dit zelf al heel duidelijk: “Neemt, eet, dat is mijn lichaam.” Daarom is het nodig dat het lichaam van Christus door de gelovigen genomen en gegeten wordt.
  6. De ware gemeenschap met Christus, God en mens, wordt in de doop bekrachtigd. Dan moet men het ook voor wáár houden dat dit ook in het Avondmaal gebeurt.
  7. De overeenkomst met het nemen en eten van de brood en de wijn vervalt als men Christus Zelf niet op een geestelijke manier ontvangt. Het is dan ook nodig om het brood zelf te eten, als men het effect van de voeding die in het brood is, wil ontvangen.
  8. Wij sterven in Adam, omdat we met hem in algemeen menselijke zin verenigd zijn; en zo leven wij ook in geestelijke zin uit Christus, en ontvangen het leven uit Hem vanwege deze geestelijke gemeenschap met Christus.
  9. Er zijn verschillende plaatsen in de Schrift waar gesteld wordt dat de gemeente het lichaam is van een Hoofd. Het is daarom ondenkbaar en dus ook onbestaanbaar dat het leven vanuit het Hoofd in het lichaam komt zónder met elkaar verenigd te zijn.
  10. Mensen die aan het wezen van de zaak voorbijgaan en aan de feiten blijven hangen, behoren in geen enkele tak van wetenschap geduld te worden. Nu worden de dood van Christus en zijn weldaden onder de feiten geteld; en het zou dan ook heel vreemd en ongehoord zijn om alleen over de weldaden te spreken en niet over Christus Zelf.

Als bredere verklaring zeggen we hierbij nog dat in het eenvoudige woord, in het gepredikte woord Christus door middel van de stem verkondigd en met de oren beluisterd wordt. Maar Christus Zelf, die door het gepredikte woord wordt verkondigd, wordt alleen maar met een gelovig verstand aangenomen. Het lichaam wordt in de doop wel met water besprengd, maar de gelovige ziel wordt met het bloed [van Christus] gereinigd – en dit wordt door het water duidelijk gemaakt. Zo wordt ook in het Avondmaal het lichaam wel gevoed met het brood en de wijn, maar de ziel van de gelovige wordt alleen gevoed met het vlees en bloed van de Here, zoals TertullianusTertullianus (ca. 160-230) staat bekend als een van de grootste 'kerkvaders'. Hij heeft vele belangrijke geschriften nagelaten, waaronder met name strijdschriften tegen heidenen en joden, alsook tegen ketters. Hij was een fel bestrijder van het gnosticisme en legde steeds de nadruk op de feitelijkheid van het christelijk geloof. zegt.

Er is in het Avondmaal dus wel een eten met het lichaam, maar toch is het geen lichamelijk eten, maar een geestelijk eten in het geloof, omdat de vereniging met Christus geestelijk, verborgen en bovennatuurlijk is – een vereniging die plaatsvindt door het geloof en in de kracht van de Heilige Geest. Ook de tegenwoordigheid van het lichaam van Christus is dus geestelijk. Zoals ons gezichtsvermogen in één ogenblik met de zon als fysiek hemellichaam wordt ‘verenigd’, zo wordt in veel sterker mate ons geloof met Christus Zelf verenigd, met zijn lichaam dat in de hemel is.

84. Is het toegestaan om te zeggen: Het lichaam van Christus wordt met het brood gegeven?

We kunnen daar niets tegenin brengen als men het woordje “met” opvat als: terwijl – dus: wanneer de gelovigen het Avondmaal gebruiken. Dan betekent dat: als een gelovige het Avondmaal gebruikt, dus het brood en de wijn van de Here eet en drinkt, krijgt hij niet alleen deel aan de aardse gaven, maar ook aan de hemelse, namelijk het lichaam en het bloed van Christus. Maar als men met dat woordje “met” ook in of onder bedoelt om daarmee te willen zeggen dat het lichaam van Christus onzichtbaar aanwezig is in, met en onder het brood, dan verwerpen we dat mede-aanwezig zijn heel terecht. Dan zouden we immers bedoelen dat het lichaam van Christus lichamelijk aanwezig is en niet door ruimte en plaats daarvan gescheiden. Dit laatste wordt door de woorden van Christus namelijk niet bedoeld, en als men rechtzinnig wil blijven, kan die conclusie daarom niet getrokken worden.

85. Hoe vaak is er bij het gebruiken van het Avondmaal des Heren sprake van een bepaalde samenvoeging?

Tweemaal. De eerste is die van het lichaam en bloed van Christus met het brood en de wijn – dit wordt een sacramentele vereniging genoemd, en die behoort tot de vormgeving van het sacrament. De andere is de vereniging van het lichaam en bloed van Christus met de gelovigen die – in geestelijke zin – de gemeenschap of het deelhebben aan en het genieten van het lichaam en bloed van Christus wordt genoemd. Deze wordt ons meegedeeld onder de tekenen van het Heilig Avondmaal, en geeft ook het doel van het sacrament aan.

Men moet wat dit betreft echter niet gaan verzinnen dat er een vermenging of een overstorten van het vlees van Christus in onze ziel plaatsvindt. Het is namelijk voldoende dat Christus vanuit het wezen van zijn vlees het leven in onze ziel overbrengt, oftewel zijn eigen leven in ons ziel – al betekent dat niet dat het vlees van Christus in ons wordt opgenomen.

86. Hoe moeten we in het Avondmaal des Heren de vereniging van de tekenen met de betekende zaak opvatten?

Niet op een natuurlijke manier in die zin dat de betekende zaak op dezelfde plaats als het teken aanwezig is. Daarvoor zijn de volgende redenen:

  1. De woorden van de instelling kunnen deze interpretatie beslist niet ondersteunen.
  2. Het is ook duidelijk dat Christus Zelf daadwerkelijk, lichamelijk en op die bepaalde plaats aan de tafel zat met zijn discipelen.

Krachtens Gods instelling zijn het teken en de betekende zaak één door de verhouding waarin ze tot elkaar staan, want Beda zegt: “Het brood ziet op een verborgen manier op het lichaam van Christus en de wijn op zijn bloed.” In geestelijke zin worden ze ons beide tegelijk gegeven door het geloof: de tekenen door hen die het Avondmaal op een wettige manier bedienen, en de betekende zaal door de Vader en de Zoon Christus, door de kracht van de Heilige Geest.

87. Aristoteles leert in Boek 5 , hoofdstuk 6, over de metafysica dat vier soorten dingen één zijn, namelijk het getal, de soort, het geslacht en de analogie of overeenkomst. Hoe moeten we in dit verband het brood van Christus’ lichaam zien?

We moeten in dit verband niet aan getal, soort of geslacht denken, maar aan analogie of overeenkomst en een zekere gelijkheid. Terwijl het over verschillende dingen gaat, maar door een bepaalde gelijkheid kan over van elkaar verschillende dingen gezegd worden dat ze één zijn. De filosoof zegt dan ook: “De dingen die op elkaar gelijken, worden door analogie of overeenkomst één genoemd.” Daarom zijn het brood en het lichaam van Christus of het “brood des levens” door overeenkomst één, omdat ze ons beide voeden – het brood voedt ons lichaam, en het lichaam van Christus de gelovige ziel. Daarom zijn ook de wijn die de Here gebruikte en zijn bloed door een zekere gelijkheid één, omdat ze de dorst wegnemen en ons verkwikken – de wijn ons lichaam en het bloed de gelovige ziel.

88. Maar is hier geen sprake van de bovennatuurlijke eenheid waarmee Christus’ godheid en zijn mensheid in één Persoon verenigd zijn? God heeft Zich soms immers op een wondere manier geopenbaard als Hij een zichtbare gedaante aannam, of aan Mozes in een vuurvlam verscheen; en als de Heilige Geest in de gedaante van een duif op Christus neerdaalde (Matteüs 3:16), of door het blazen van Christus of door tongen als van vuur werd gegeven.

Nee, dat is niet het geval. Want die vereniging in één Persoon en de sacramentele eenheid verschillen heel veel van elkaar. Bovendien zou de kwaliteit van het brood heel wat beter zijn dan die van de gelovigen, met wie het lichaam van Christus niet persoonlijk maar alleen op een verborgen manier verenigd is.

Ook is er een groot verschil tussen het lichaam van Christus dat niet op veel plaatsen tegelijk kan zijn, en de Heilige Geest die overal is.

Bovendien mag men geen conclusies trekken uit wat buiten de gewone gang van zaken en door wonderen gebeurt, zodat men niet mag beweren dat die normaal zijn in Gods gemeente, zoals bij het Avondmaal van de Here dat naar zijn bevel gehouden wordt.

Ten slotte is de duif die Johannes de Doper uit de hemel op Christus zag neerdalen, niet werkelijk God of de Heilige Geest geweest, en de Geest was daar ook niet in opgesloten. En hetzelfde kan gezegd worden over het blazen van Christus op zijn discipelen, of over de vurige tongen die op ieder van de discipelen zaten. Al deze dingen zijn alleen maar tekenen en onderpanden geweest, zowel in Christus als in de discipelen.

89. Maar is dan niet helemaal wáár dat er over dingen iets anders gezegd wordt, die op een bijzondere manier door Gods instelling toch één zijn, zoals: deze mens is God; of: de duif is de Heilige Geest?

Nee, anders zou men met recht over de mens mogen zeggen: de ziel is het lichaam; en wat Christus betreft: zijn mensheid is de Godheid. Als het over een gloeiend ijzer gaat, zou men dan mogen zeggen: het ijzer is het vuur, of: het vuur is het ijzer. Dat kan niemand echter goedkeuren. De stelling is alleen waar ten aanzien van de Persoon Christus. Deze zelfde Persoon is zowel Mens als God. In het sacrament is echter geen eenheid wat de persoon betreft. Het kan dus niet zo zijn dat de uitspraak ‘deze Mens is God’ op dezelfde manier wáár is als wanneer we zeggen ‘dit brood is het lichaam van Christus’. Ook in een beeldende en sacramentele manier van spreken is het waar, zoals waar Johannes de Heilige Geest zag neerdalen als een duif, omdat de duif een téken was van de Heilige Geest; zo keuren we het ook als we zeggen dat het brood het lichaam van Christus is.

Van een fles wijn zeggen we terecht maar wel op een oneigenlijke manier: dat is wijn. Hier zijn twee zelfstandige dingen als het ware één geworden, zowel het omhulsel als de inhoud. En van een engel die in menselijke gestalte verschijnt, mag men zeggen: dat is een engel – namelijk als iemand die daar ter plekke staat. We hebben echter aangetoond dat we op deze manier niet over het lichaam van Christus in het brood mogen spreken.

90. Waarom worden de sacramentele tekenen dan meedelende tekenen genoemd?

Omdat de Here, die het hemels brood en het brood van het eeuwige leven is, hierdoor Zichzelf werkelijk aan zijn kinderen geeft, zoals Hij aan zijn discipelen werkelijk de Heilige Geest gegeven heeft door middel van het blazen met zijn mond als een teken. Zo heeft Hij ook van veel mensen de ziel en het lichaam gezond gemaakt door hen met zijn hand aan te raken. Het gezichtsvermogen heeft Hij hersteld door slijk dat Hij uit zijn speeksel maakte. De besnijdenis van het hart heeft Hij aangebracht door de besnijdenis van zijn lichaam, en de wedergeboorte wordt werkelijkheid gemaakt door zijn doop. Zij die door het ware geloof verheugd zijn door de tekenen die zij in hun lichaam genieten, ontvangen in geestelijke zin de bevestiging van hun gemeenschap met het lichaam en bloed van Christus.

91. Maar Ireneüs zegt dat het Avondmaal uit twee elementen bestaat, het hemelse en het aardse!

Ja, heel goed, maar men moet niet denken dat dit dan uit twee delen bestaat en zo samen een zelfstandige eenheid vormen, zoals een mens uit ziel en lichaam bestaat, en het lichaam weer uit het hoofd en de rest van de romp. Nee, het Avondmaal is een heilige daad, een goddelijke instelling, waardoor tegelijk en op één tijd maar niet tegelijk op één plaats, verschillende dingen op een verschillende manier voorgesteld en gegeven worden. Het is dan net eender als bij de situatie dat men een onderpand van een bepaald voorwerp geeft en daarmee tegelijk als het ware het voorwerp zelf.

92. Wat is het doel waarom de Here geboden heeft zijn Avondmaal te houden?

Dat heeft Hij niet gedaan om zijn lichaam zonder bloedstorting aan God de Vader te offeren voor de zonden van levenden en doden. Dat heeft Hij ook niet gedaan om zijn dood op een beeldende manier voor te stellen, maar tot de gedachtenis, oftewel de verkonding van zijn dood. Hij zegt immers: “Doe dit tot mijn gedachtenis” – dat wil zeggen: blijf aan Mij denken in de samenkomsten van de gelovigen90). Dat wordt ook duidelijk uit de woorden van Paulus in 1 Korintiërs 11:2626 Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt., waar hij uitlegt wat “tot mijn gedachtenis” betekent. Hij zegt daar namelijk: “Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.” Dat betekent: u moet de totale gehoorzaamheid van Christus en al zijn weldaden met een dankbaar hart in gedachtenis houden, bekend maken en openlijk belijden dat u dit gelooft en ook omhelst.

Verkondigen houdt niet in dat men door een identieke daad iets wegdringt of op een kunstige manier iets uitbeeldt, maar dat men vertelt en lof prijst. Daarom kan dit werk niet aan de misdienaren worden toegeschreven. Nee, omdat we zolang we in dit lichaam ons verblijf hebben91), ver van de Here in den vreemde zijn, moeten we voortdurend denken aan de Here Jezus die in de hemel is. Hij gebiedt ons ook om dat te blijven doen tot Hij ten oordeel komt; en daarmee geeft Hij ook aan dat de gemeente tot aan de oordeelsdag zal blijven bestaan. Hij zou dit bevel ook beslist niet gegeven hebben, als Hij Zich voorgenomen had lichamelijk bij zijn gelovigen te blijven. De gedachtenis wordt hier tegenover de lichamelijke aanwezigheid gesteld, want men houdt nu eenmaal geen gedachtenis van iets wat nog komen moet of van wat er is, maar wel van wat geweest is.

93. Hoe moet die gedachtenis dan zijn?

Het moet niet zomaar een vluchtige herinnering zijn van iets uit het verleden en wat ons verder niets aangaat. Het moet integendeel juist een sterke herinnering zijn, waardoor een gelovige ziel bij het gebruikmaken van dit sacrament Christus en al zijn weldaden door het geloof aanneemt en zich toe-eigent. Zo gedenkt de gelovige aan het vroegere offer dat eenmaal lichamelijk heeft plaatsgevonden, en daaruit verkrijgt hij troost, blijdschap in het hart, vrede in het geweten, vermeerdering van geloof en liefde. Bovendien is hij in zijn hoop zeker van het toekomende leven en de gelukzaligheid om de verdienste van dit offer te beërven. Ten slotte wordt hij ertoe opgewekt om deze grote liefde van Christus goed te overdenken, Hem het offer van zijn lofprijzing te offeren en Hem te danken.92)

Hieruit concluderen we ook dat het Avondmaal niet is ingesteld om een daadwerkelijk en verzoenend offer voor levenden en doden te zijn. Nee, het is een plechtige en eerbiedige openbare dankzegging voor de menswording van Christus, zijn dood, zijn verlossing en voor al zijn weldaden.

94. Wat zijn de redenen waarom heeft Christus ingesteld Zijn gedachtenis onder ons te houden?

  1. Zijn onmetelijke liefde die zodanig van aard is dat ze in het hart en in de gedachten van die personen wil leven, die ze oprecht en van harte liefhebben. Daaruit kunnen we afleiden dat Christus ons nooit zal vergeten.
  2. De trouw en voorzichtigheid van Christus waarmee Hij zijn discipelen geeft dat de weldaad die Hij hun geschonken heeft, hen ook werkelijk helpt en haar doel bereikt. Ontvangen weldaden raken gemakkelijk in het vergeetboek doordat men de weldoeners vergeet, maar als men aan de weldaden blijft uitstallen, wordt de herinnering aan de weldoener bewaard.

95. Wat houdt het in als we de dood des Heren verkondigen?

Hat gaat er niet alleen om de geschiedenis goed te overdenken, maar ook ernstig over het volgende na te denken:

  1. Gods rechtvaardigheid en toorn tegen de zonde dien men in dit offer opmerkt.
  2. Gods onmetelijke barmhartigheid jegens ons.
  3. De liefde van de Zoon voor het menselijk geslacht.

De eis van Gods rechtvaardigheid en de ernst van de zonde is zo groot dat de verzoening niet kon plaatsvinden dan alleen wanneer iemand de rechtvaardige straf op de zonde kon dragen en hij die betaald had. De toorn van God is immers zo groot dat de eeuwige Vader alleen tevredengesteld wordt door de voorbidding en de dood van Zijn Zoon. Maar ook is Zijn barmhartigheid zo ontzaglijk groot dat Hij Zijn Zoon voor ons heeft gegeven.

De liefde van de Zoon voor ons is zo groot dat Hij deze werkelijke en ontzaglijke toorn op Zich genomen heeft en dat Hij een offer voor ons is geworden, waardoor Hij ons laat delen in zijn lichaam en zijn bloed. Dat moeten we in het gebruiken van het Avondmaal verkondigen en overdenken. Dan zullen we terecht en met ontzetting beseffen hoe groot Gods toorn tegen de zonde is; dan zullen we over onze zonden ook van harte bedroefd zijn en mogen we ons opnieuw verblijden door deze ware troost. Ten slotte zullen we dan onze Here Jezus Christus met ware dankbaarheid met ons hart, onze mond en ons leven grootmaken en prijzen.

96. Moet men Christus in het brood van het Avondmaal niet aanbidden?

Nee, om de volgende redenen: (1) Omdat Hij daar niet in lichamelijke gestalte aanwezig is; (2) Hij heeft Zich door zijn woord ook niet aan het brood gebonden, en daarom moet Hij, zoals Ambrosius zegt, in de verborgenheid aangebeden worden terwijl men het Avondmaal houdt – en dat als God en Mens. Maar dan zo dat we niet aan de tekenen blijven hangen, maar met de ogen van het geloof en met ons harten niet gericht op de plek waar het brood is, maar gericht op de hemel waar Hij aan de rechterhand van God zit.93) Daartoe nodigde men in vroeger tijden de gemeente tijdens de bediening van het Avondmaal ook uit, als men haar opwekte om de harten opwaarts te heffen – sursum corda! De gemeente zocht het lichaam en bloed van de Here niet hier beneden en evenmin in, onder of met het brood dat in haar substantie aanwezig is. Nee, veel meer is het zo dat zij met de hand van het geloof in de hemel het vlees dat voor ons overgegeven en het bloed dat voor ons gestort is, aanraken en tot zich nemen.

De discipelen zijn [bij de instelling van het Avondmaal] ook niet opgestaan om bij Hem neerknielend het brood en de wijn uit zijn hand aan te nemen. In het boekje dat men aan de volgelingen van Clementus toeschrijft, wordt trouwens de gemeente bevolen met schaamte en eerbied tot de tafel te komen.

Wat het opheffen van het sacrament betreft, willen we wel erkennen dat dit de gang van zaken in de eerste christengemeente was. Het sacrament werd op de tafel, die gedekt was met een schone linnen doek, neergelegd totdat het aan de gemeente werd uitgedeeld. Als de dienaar van de gemeente de linnen doek wegnam, stelde hij de verborgenheden oftewel de sacramenten voor ogen van hen die aanwezig waren. Chrysostomos zegt ook in zijn Liturgie dat de dienaar gewoon was om het brood boven de tafel (maar niet boven het hoofd) op te heffen en luid en duidelijk te zeggen: “Het heilige komt de heiligen toe”. Daarin volgde hij de Joodse ceremonie, waar de priester bij het offeren het offer zelf voor zijn borst ophief en heen en weer bewoog94), met als enige doel dat het volk zich zou voorbereiden op de gemeenschap in het offer.

Het heffen van het brood boven het hoofd van de misdienaar is de kern van deze ‘brooddienst’, maar door Christus of door de apostelen is het niet bevolen of in praktijk gebracht en evenmin in de nog zuivere vroegchristelijke gemeente. Daarom is dit terecht in de evangelische gemeenten afgeschaft.

==== 97. Behoort men het brood dat over is van het Avondmaal, niet als heilig te beschouwen; en moet het daarom niet worden opgeborgen, in optochten worden meegedragen of worden aanbeden?
====

Op geen enkele manier! En wel om de volgende redenen:

  1. De sacramenten zijn alleen maar sacramenten wanneer ze heilig en wettig gebruikt worden en ze aangenomen worden met de daarbij voorgeschreven woorden: Neem, eet; neem, drink; daarna zijn het geen sacramenten meer. Het water is ook geen doopwater, behalve wanneer iemand daarmee op de voorgeschreven manier gedoopt wordt. Als iemand daarmee besprengd is in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, houdt het daarna op om nog langer water van het sacrament te zijn. De sacramenten zijn daden van Godswege waarbij verschillende tekenen als een pand gebruikt worden. De gedachten mogen dan echter niet bij de tekenen blijven hangen, maar bij het doel van het sacrament om degene die het toegediend krijgt, ertoe te bewegen om anders te denken en te handelen.
  2. Gods Woord getuigt ook openlijk dat de Here het uitdrukkelijk verboden heeft iets te bewaren van het paaslam – dat een voorbeeld is van ons Avondmaal – en van het manna iets te bewaren of voor de volgende dag over te houden. Dat is gedaan om alle bijgelovigheid te voorkomen.
  3. Deze vorm van brooddienst schrijft Daniël in hoofdstuk Leviticus 11:38 – “Maar wanneer water op dat zaad gedaan is en er valt zulk aas op, dan zal het u onrein zijn.” toe aan de antichrist. Hij zegt daar namelijk: “Maar in hun plaats zal hij de god der vestingen vereren: de god die zijn vaderen niet gekend hebben, zal hij vereren met goud en zilver en edelgesteenten en kostbaarheden”. Het lijkt hier alsof hij de mis-god bedoelt, de gebakken god, de brood-god.
  4. Christus heeft immers ook niet gezegd: “Hef op, offer, berg het op, draag het om en bid het aan”, maar: “Neemt, eet, drink tot Mijn gedachtenis.”

98. Wat is het tweede doel om het Avondmaal te houden?

Dat de Here zijn onzichtbare gaven op een zichtbare manier aan vrijwel alle zintuigen bekend en duidelijk maakt; ze worden gezien, gehoord, gesmaakt en gevoeld – zodat de hele mens met lichaam en ziel ertoe bewogen wordt om met grote blijdschap deze liefelijke maaltijd te houden en te vieren.

99. Wat is het derde doel?

Om een krachtig teken, zegel en getuigenis te zijn van onze gemeenschap, vereniging en inlijving in ons Hoofd Christus, en door Hem als middelaar met de Vader en de Heilige Geest95). Over dit doel zegt de apostel: “Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?” (1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?) Dit is in beeldende zin gesproken, zoals ook van het evangelie gezegd wordt dat het “een kracht Gods tot behoud” is (Romeinen 1:1616 Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek.); dat wil zeggen: een krachtig werktuig van God. De belofte van de Here heeft hetzelfde doel op het oog: Wie mijn vlees eet, die blijft in Mij, en Ik in hem.

100. In hoeveel opzichten is er een vereniging van onze natuur met die van Christus?

In drie opzichten.

  1. De eerste is een vereniging in natuur. Onze natuur is die van een individueel ondeelbaar mens. Christus is als mens uit het geslacht van Abraham en in de persoon van de Zoon is Hij met de menselijke natuur tot een Persoon verenigd96) – een vereniging die persoonlijk en zelfstandig genoemd wordt. Wat dit betreft, zeggen we dat de Zoon van God uit ons vlees en onze benen is, omdat Hij vanuit ons geslacht het vlees of het lichaam heeft aangenomen.
  2. De tweede is een vereniging van onze persoon. Zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, zijn we ver van de Here in den vreemde (2 Korintiërs 5:66 Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn.), maar toch zijn wij met de Persoon van Christus, God en mens, ja, met de beide naturen van Christus, zowel de goddelijke als de menselijke natuur, verenigd in een verborgen lichaam. Die vereniging moet ten aanzien van de zaken die verenigd worden, zelfstandig en wezenlijk, en ten aanzien van de manier waarop geheel geestelijk en verborgen genoemd worden. Hieraan is de gemeenschap of het genieten van de kracht en de zegeningen van Christus ten nauwste verbonden – namelijk de vergeving van de zonden, de wedergeboorte en het eeuwige leven. Daarover leest men in 1 Korintiërs 1:99 God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here.: “God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here.” Wat deze woorden betreft, mogen we zeggen vlees van zijn vlees te zijn en been van zijn benen – nier voor zover wij mens zijn maar voor zover we christen zijn en in Christus zijn ingelijfd. Vanwege deze vereniging is Christus de Bruidegom van zijn gemeente, dat wil zeggen: van alle uitverkorenen.97)
  3. De derde is een vereniging van onze personen. Voor hen die al bij de Here zijn, is dat een vereniging met de Persoon van Christus in een verheerlijkt lichaam – zij worden de verheerlijkten genoemd.

Bij deze vereniging komt de derde uit de tweede voort, en de tweede uit de eerste.

101. Wat betekent het woord “gemeenschap” in wat Paulus zegt in 1 Korintiërs 10:16? En om welke van de drie genoemde vormen van vereniging gaat het hier?

Het is niet een soort akkoordverklaring van eendracht en overeenstemming, dus een vorm van eenheid in de geest en de wil, maar een inwoning, een inlijving en vereniging van onze persoon met die van Christus.98) Het is wel zo dat het ‘delen in’ eigenlijk betrekking lijkt te moeten hebben op de tekenen, zoals de apostel dat in 1 Korintiërs 10:1717 Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood. uitlegt. Chrysostomos zegt ook dat ieder van hen die eet van hetzelfde brood dat gebroken wordt en daarvan een stukje uitgereikt krijgt, deel heeft aan het ene brood. De gemeenschap met de gehele Christus moeten we ons echter door het geloof toe-eigenen. Het deelachtig zijn of het ‘delen in’ is dus een aannemen van het deel, en de gemeenschap is een genieten van het geheel. Over het ‘delen in’ wordt gesproken als het over de tekenen gaat, maar de gemeenschap heeft betrekking op de betekende zaak, dat wil zeggen op de gehele Christus.

Hoe nauw deze gemeenschap is, blijkt uit het woord ‘eenheid’ dat Christus als een verklaring gebruikt als Hij zegt: “Ik bid U, Vader, dat allen die U Mij gegeven hebt, één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn” (vgl. Johannes 17:2121 opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.).

Het woord “gemeenschap” heeft een andere betekenis als het gaat om de gemeenschap in de gebeden en in het breken van het brood, dan wanneer het gaat om het geven van aalmoezen en het uitdelen aan de armen, en om de overeenstemming in de leer (Galaten 2:99 - en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnedenen gaan.).

Wat houdt het in om in gemeenschap met Christus te zijn?

Het is niet alleen Christus belijden of het gemeenschappelijk mens-zijn ervaren, waardoor Hij één geworden is met het gehele menselijke geslacht. Deze menswording is overigens wel het fundament van de vereniging of gemeenschap waarover we nu spreken. Het is ook niet alleen een vereniging met Christus vanuit genegenheid, liefde, overeenstemming en eensgezindheid; en evenmin alleen gemeenschap hebben aan de verdienste van Christus. Maar deze gemeenschap betekent dat Christus in ons is en blijft wonen en leven; en dat wij in Christus blijven en in Hem leven99). We zijn metterdaad – zoals Chrysostomos zegt – en op een natuurlijke wijze – zoals Cyrillus zegt – dus door de gemeenschap van de menselijke natuur van Christus met Hem verenigd en hangen Hem aan, zodat Christus de onze wordt en wij van Christus worden. Zo worden we door Christus gevoed en zijn we in Hem als het ware in Hem ingegrift. Hierdoor worden we meer en meer in een verborgen lichaam en in één geest in toenemende mate leden van zijn lichaam100), been van zijn been en vlees van zijn vlees, totdat wij “de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van Christus” (Efeziërs 4:1313 totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. en 5:3030 omdat wij leden zijn van zijn lichaam.).

102. Wie of wat wordt dan met ons tot één gemaakt?

Christus, voor wat Hemzelf betreft én voor wat betreft de weldaad en genade die Hij schenkt – dat wil zeggen: de gehele Christus, zoals Hij met al zijn verdiensten in geestelijke zin met het hart beschouwd moet worden.

103. Hoe vindt die vereniging plaats – door een daadwerkelijk en lichamelijk (hoewel onzichtbaar) neerdalen van het lichaam van Christus in ons, door een fysieke aanraking één worden met ons vlees, door een plaatselijk hoewel onruimtelijk met de mond genieten, door een wezenlijke vereniging van het vlees van Christus met ons vlees, doordat zijn lichaam in ons lichaam of ziel ingaat of door een lichamelijk samengaan?

Nee, zeker niet! De werkelijkheid van Christus’ vlees en zijn hemelvaart kunnen dat niet verdragen. Bovendien zou er dan een schrikbarend wanstaltig lichaam moeten groeien uit zoveel wezens van verschillende lichamen. Nee, deze eenheid wordt door een band gesmeed die geheel en al geestelijk en bovennatuurlijk is, maar die tegelijk op een geheel goddelijke en hemelse manier werkelijk en wáár is.

Als men namelijk ziet op de dingen die verenigd worden, is die vereniging wezenlijk, en als men op de waarheid van die vereniging ziet, is ze daadwerkelijk; maar als men op de manier van vereniging ziet, is ze geestelijk. Dat er een gemeenschap is, blijkt eenvoudig uit Gods Woord en uit de sacramenten, maar wat de gestalte daarvan is die ons daarin wel degelijk beschreven wordt en die sommigen van ons ook willen weten – daarvan zegt de apostel heel duidelijk in Efeziërs 5:2222 Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan de Here. dat het een groot geheimenis is, maar dat toch die twee tot één vlees zullen zijn. Het karakter daarvan is echter van die aard dat wij dat met ons verstand niet kunnen doorzien en niet kunnen begrijpen.

Het kennen en onder woorden brengen van de formele oorzaak van iets én de verborgenheid ervan zijn zaken die elkaar tegenspreken. “Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben”; en “wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen” – zo lezen we in 1 Korintiërs 13:12-1312 Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. 13 Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde. en 2 Korintiërs 5:77 - want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen.. Het is voldoende dat we in deze verborgenheid de werkende oorzaak met het doel ervan en de tweede oorzaken weten. Want van alle handelingen weten wij pas iets af als we de werkende oorzaak weten, zegt AristotelesDe Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v.Chr.) wordt samen met Plato en Socrates beschouwd als een van de grootste filosofen uit de klassieke oudheid. Aristoteles wordt gezien als één van de grondleggers van de logica, onder meer door zijn concept van het syllogisme. in zijn derde boek over de fysica.

104. Wat is de belangrijkste oorzaak of middel van deze gemeenschap tussen ons en Christus?

De kracht van de Heilige Geest werkt uit dat de mens Christus en zijn verdiensten aanneemt. Het is als met de zenuwen die zich vanuit de hersenen vertakken tot in alle delen van het lichaam. Ze verenigen de romp, de armen, de handen en de voeten met het hoofd en met elkaar, terwijl elk van die ledematen in het geheel haar eigen functie behoudt. Zo zorgt de ene en dezelfde Geest van Christus die ons aanneemt, ervoor dat we in Hem delen. We hangen het Hoofd Christus nog veel nauwer aan dan de ledematen van een natuurlijk lichaam dat elkaar doen. We kunnen dan ook nooit van Hem gescheiden worden, zoals Paulus ons leert in 1 Korintiërs 12:1212 Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus.: “Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus.” Christus is namelijk het Hoofd, en het verborgen lichaam van dit Hoofd is de gemeente.

Vanwege de grote mildheid van onze Zaligmaker wordt Christus Zelf hierdoor de onze, en wij de Zijne. Daardoor hebben Christus en de gemeente voor de rechtbank van de Vader één en dezelfde zelfstandigheid, ja, zij worden als één in Christus gehouden. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er een persoonlijke vereniging in één wezen tot stand komt, maar wel een verborgen vereniging in de eenheid met Christus.

Dezelfde apostel Paulus zegt dat wij allen door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt; dat wil zeggen dat wij tot één lichaam in Christus zouden opgroeien en toenemen ( 1 Korintiërs 12:1313 want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.). En Ireneüs zegt: “Zoals uit droge tarwe geen deeg of brood zónder bevochtiging kan plaatsvinden, zo kunnen wij met vele gelovigen niet met Christus één worden zonder het water vanuit de hemel.

Daarom zegt Paulus in 1 Korintiërs 6:1717 Maar die zich aan de Here hecht, is één geest (met Hem).: “Maar die zich aan de Here hecht, is één geest (met Hem).” Dit wordt de gemeenschap met de Heilige Geest genoemd. En in 1 Johannes 3:2424 En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft. lezen we: “En hieraan onderkennen wij, dat Hij on ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft.” Romeinen 8:99 Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. voegt daaraan toe: “Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe.”

Alle ledematen van het lichaam zijn door een en dezelfde ziel met het hoofd verenigd en zijn daardoor levend. Zo is het ook met de gelovigen; hoewel ze op de aarde zijn en hun Hoofd in de hemel is, worden zij toch allen daadwerkelijk door een en dezelfde Geest die uit het Hoofd voortkomt, met Christus verenigd. “En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde” (Efeziërs 4:1616 En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde.); zie ook Galaten 3:55 Die u de Geest schenkt en krachten onder u werkt, (doet Hij dit) ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof?.

105. Waardoor worden we ook met het lichaam van Christus verenigd?

Dat gebeurt niet op een natuurlijke en lichamelijke manier, zoals we wel met het vlees van Adam verbonden zijn; maar door een niet natuurlijk en geestelijk ‘werktuig’, namelijk door het geloof alleen. Dat geloof is in ons gewerkt door de Geest waardoor Christus ons aanneemt101); en zo ontvangen we Christus en nemen Hem aan, en wordt Hij als door een werktuigelijke oorzaak van ons. Over dat middel spreekt de apostel in Efeziërs 3:1717 opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde., waar hij zegt: “… opdat Christus door het geloof in uw harten woning make.” Zo worden we dus door het geloof met Christus verenigd.

Deze vereniging vindt vanuit Christus gezien plaats door de Heilige Geest, en vanuit ons gezien door het geloof. Er is volgens de Schrift voor ons geen andere manier om ons met Christus te verenigen.

Zij die zeggen dat het geloof de formele oorzaak is van onze vereniging met Christus en van onze rechtvaardiging, dwalen dus, omdat het als het ware een geestelijke hand is die ons door de Heilige Geest wordt toegeëigend, waardoor we Christus met al zijn weldaden aannemen.

106. Wat zijn de uitwendige werktuigen voor deze vereniging?

Het Evangelie en de sacramenten. Daarom wordt ze een “deelhebben aan de prediking van het evangelie” genoemd102), omdat we door de verkondiging van het Evangelie en het gebruik van de sacramenten gemeenschap hebben met Christus en zijn gemeente (1 Johannes 1:33 hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. En ónze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus.).

107. Is deze wezenlijke vereniging met Christus wel nodig?

Ja, heel zeker! Deze vereniging is immers de oorzaak waardoor wij alle zegeningen in Christus hebben. Er is ook geen andere mogelijkheid om die te ontvangen. De wijnrank trekt geen sappen aan dan alleen wanneer ze aan de wijnstok groeit, en de ledematen worden niet aangestuurd vanuit het hoofd behalve wanneer ze met het hoofd verenigd zijn. Zo is het hier ook: we kunnen niet delen in de gaven van Christus dan alleen wanneer we eerst deel aan Hem hebben. De Here zegt immers: “Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als de rank en is verdord.”103) En de apostel zegt: “Hoe zal Hij (…) ons met Hem niet alle dingen schenken?”104) Dezelfde apostel Paulus getuigt ook dat door de gemeenschap van Christus met ons de gemeenschap met al zijn weldaden volgt, want hij zegt: “Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt”, en daarop volgt: “die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing” (1 Korintiërs 1:3030 Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing.). Hier ziet u dus die gemeenschap met zijn weldaden.

108. Maar al die oude kerkvaders zeggen toch met nadruk dat Christus lichamelijk, door een natuurlijke vereniging of “naar het vlees” – zoals zachte was met andere was vermengd wordt**((Cyrillus in zijn commentaar op Johannes, boek 10, hoofdstuk 13.)) **– dus door de gemeenschap van zijn lichaam en bloed in ons en wij in Hem zijn. Bedoelen ze met die woorden dan dat er letterlijk sprake is van gemeenschap en vereniging?

Nee, dat doen ze niet, want diezelfde kerkvaders stellen dat Christus met zijn vlees in de hemel is en nergens anders; zie daarvoor Cyrillus in Boek 11, hoofdstuk 21 en 22. Bovendien is de wijze waarop onze vereniging met Christus wordt gerealiseerd, geestelijk van aard en niet lichamelijk. Deze kerkvaders denken hier aan datgene waarmee men zich verenigd weet, namelijk met het waarachtige en natuurlijke lichaam van Christus zelf. Zij bedoelen daarmee niet een gemeenschap zoals die op een natuurlijke manier plaatsvindt, maar het werkelijk deelhebben aan het fysieke lichaam van Christus. In Hem worden we immers, al is Hij in ruimtelijke en plaatselijke zin ver van ons verwijderd, op een geestelijke manier door het geloof ingeplant. Daardoor weten we dat we geheel en al met lichaam en ziel niet alleen met zijn Godheid, maar ook met het wezen van zijn menselijke natuur – zoals de ledematen van het lichaam met het hoofd – verenigd zijn. Zo zijn we in Hem ingeënt door de band van de Geest en door het geloof. Deze vaderen maken ons hiermee tegelijk duidelijk dat Hij door het aannemen van zijn menselijke natuur onze Broeder geworden is – en dat is de grond en het fundament van onze vereniging met Hem. Zo worden we niet alleen naar de geest maar ook naar het lichaam met Christus verenigd. Daarop slaat ook die vermenging van zacht geworden was, waar Cyrillus over spreekt. Overigens is elke vergelijking maar gebrekkig, want het is beslist niet zo dat ons lichaam of het lichaam van Christus vloeiend gemaakt wordt om met elkaar verenigd te worden. Daarom moeten we ook niet denken aan een natuurlijke, fysieke aanraking of samenvoeging, maar alleen aan een geestelijke vereniging, waardoor – zoals die week geworden was met was – ook het vlees van Christus met het onze nauw verenigd wordt. Zij tweeën zullen een vlees zijn – te weten Christus en zijn gemeente.

109. Hoe hebben de gelovigen dan deel aan de goddelijke natuur, waarover 2 Petrus 1:4 spreekt?

Zij gaan niet delen in Gods natuur of wezen, want Hij kan daarin niet mede gedeeld worden. Maar ze ontvangen wel bepaalde eigenschappen en uitnemende heerlijke gaven die de Heilige Geest hun schenkt. Die gaven noemt Petrus niet God maar goddelijk, dat wil zeggen dat zij een goddelijke natuur ontvangen. Dit is een geschapen gesteldheid die tegengesteld is aan onze oude en verdorven natuur, en laat zien dat God deze aan de gelovigen heeft toegezegd en hun ook geeft. Deze gaven en eigenschappen omvatten alle dingen die zowel voor dit leven en de godzaligheid bestemd zijn als voor de gelukzalige onsterfelijkheid, wanneer God alles in allen zal zijn.

110. Wordt alleen onze ziel zonder het lichaam met de ziel van Christus verenigd of ook ons lichaam met het lichaam van Christus?

Ja, de hele persoon van elke gelovige wordt met ziel en lichaam werkelijk met Christus verenigd. En wel om de volgende redenen:

  1. De gehele persoon Adam was innig verenigd met de gehele persoon Eva.
  2. Niet alleen de ziel of alleen het lichaam van de gelovige wordt door Christus behouden, maar beide, ziel en lichaam.
  3. Onze lichamen zijn ledematen van Christus.
  4. De gehele Persoon van Gods Zoon heeft de gehele mens, dus heel de menselijke natuur en niet alleen de ziel of alleen het vlees aangenomen, maar beide tezamen.
  5. De gehele Christus met zijn Godheid en mensheid, dat wil zeggen met zijn ziel en zijn lichaam, is ons Hoofd en onze Zaligmaker. Maar hier geldt deze vereniging eerst onze ziel, en pas daarna het lichaam.

111. Waarmee wordt onze ziel en vervolgens ons vlees éérst verenigd, met het Woord of met het vlees?

Eerst worden wij door het geloof verenigd met zijn vlees en daarna via het vlees met zijn Godheid.

  1. De Schrift stelt Christus eerst als Mens en daarna als God voor, en daardoor kennen we Hem en nemen we Hem eerder als Mens aan dan als God.105) In Jesaja 7:1414 Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven. wordt eerst gezegd: “Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren”, en daarna “en zij zal hem de naam Immanuël geven”. De evangelieschrijvers en de apostelen stellen Christus dus eerst als Mens en daarna als God voor.
  2. We worden alleen met God verenigd door een Middelaar, en zo worden we ook met de godheid van Christus alleen verenigd door zijn vlees of zijn lichaam waarin Hij zijn belangrijkste middelaarswerk heeft volbracht. Onze verlossing heeft immers in zijn vlees plaatsgevonden; in zijn vlees is de zonde uitgewist, de duivel overwonnen, de dood overweldigd en het eeuwige leven en de zaligheid verworven. En het leven dat geheel en al uit de volheid van de godheid van Christus als uit een springader gevloeid heeft, komt niet in ons dan alleen door het vlees van Christus. Dat vlees is als het ware een werktuig dat de Godheid in nooit te scheiden mate vanwege de eenheid van de Persoon heeft aangenomen. In Romeinen 5:1919 Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden. lezen we: “Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden.” En Johannes 6:5353 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. zegt: “Tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf.” Wie dit werktuig dus niet aanneemt en daarmee niet verenigd wordt, kan werkelijk nooit delen in het water dat uit deze fontein vloeit.
Daarom moeten we in de praktijk van het geloof en van de godzaligheid de ogen van onze ziel vóór alles en onmiddellijk slaan op het menselijke vlees van Jezus Christus. Dat is als een voorhangsel waardoor men in het heilige der heiligen kwam waar Gods heerlijkheid op het helderst scheen106) – om daarna zijn Godheid te aanschouwen, oftewel in het allerheiligste van het heiligdom zelf te gaan.
**112. Het doel van onze vereniging met het lichaam van Christus is dat wij, daardoor levend gemaakt, voor eeuwig zullen leven. Hoe maakt het lichaam van Christus, dus zijn mensheid, ons dan levend? ====
Niet door een in potentie aanwezige genade zoals de scholastieke theologen daarover spreken, maar alleen door de genade van een persoonlijke vereniging met Hem. Dus niet door een bepaalde in beginsel aanwezige kracht in het vlees, alsof er in het lichaam van Christus daadwerkelijk een levendmakende kracht zou zijn uitgestort of daarmee op zichzelf al was begiftigd, of dat zijn lichaam dat leven in zichzelf en daardoor dus een levendmakende kracht had. Nee, want de kracht om levend te maken is een onmededeelbare eigenschap die alleen God toebehoort. Het is zoals Cyrillus zegt: “Het komt alleen God toe om levend te kunnen maken wat in zichzelf geen leven heeft.”107)
Maar ook het volgende moet gezegd worden:
  1. Wat de vereniging betreft, geldt dat we hier spreken over het eigen vlees of lichaam van het Woord dat alles levend maakt, zoals de Synode van Efeze uitspreekt. Het Woord is de fontein van het leven en ís in zichzelf het leven; dat woont in Hem en werkt krachtig, en daarmee woont Hij persoonlijk in zijn kinderen. Zijn vlees of lichaam is zo nauw met dat wezenlijke leven verenigd, dat zijn twee naturen één zelfstandigheid vormen, zodat gezegd kan worden dat deze Mens wezenlijk God is. Het sterven van dat lichaam, het lichaam van de Zoon van God, is kostbaar genoeg geweest om voor ons het leven te verwerven.108) Cyrillus zegt hierover: “Het vlees [van Christus] is niet in zichzelf levend makend, maar wel in het Woord dat persoonlijk met Hem verenigd is.”
  2. De verdienste van zijn gehoorzaamheid waardoor Christus Zichzelf in zijn vlees voor ons aan het kruis offerde, heeft voor alle gelovigen het eeuwige leven verworven; zie Johannes 6:5151 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.: “En het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.”
  3. Voor wat onze vereniging met Christus betreft, geldt dat wij niet tot God, de Fontein van het leven, en tot het eeuwige leven kunnen komen dan alleen door het lichaam van Christus. Dat wil zeggen dat dit alleen maar kan door het geloof en de kracht van de Heilige Geest. Ingelijfd in het lichaam van Christus, kunnen we zijn leden worden. Als in Johannes 6:6363 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven. gezegd wordt dat het vlees geen nut doet, moet dat niet eenvoudigweg betrokken worden op het lichaam van Christus zelf; nee, het gaat hier over vleselijke gedachten en gevoelens die niets te maken hebben met de verborgenheid van het eten van Christus’ lichaam.

113. Is deze vereniging werkelijkheid of bestaat ze alleen in ons verstand en in de gedachten, zoals wij dingen in onze gedachten, onze verbeelding, ons verstand of onze herinnering kunnen hebben, waarbij van een vereniging in ons geen sprake is?

Wat betreft de zaken die verenigd worden en de realiteit daarvan, is deze vereniging beslist en wezenlijk waar. Wat de manier waarop betreft, is ze echter geheel en al geestelijk.

  1. Over Christus en zijn gemeente is gezegd: “Die twee zullen tot één vlees zijn” (Efeziërs 5:3131 Daarom zal een man [zijn] vader en [zijn] moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn.). Man en vrouw zijn werkelijk en wezenlijk één vlees voor wat de band van het huwelijk betreft waardoor ze naar Gods instelling aan elkaar verbonden en verenigd zijn, ook als de man op de markt en de vrouw in haar huis is.
  2. Christus is het Hoofd en het fundament van de gemeente; en zo worden zijn ledematen met het Hoofd en met elkaar werkelijk en wezenlijk verenigd, evenals een gebouw met het fundament verbonden is.
  3. Het is zoals Christus in Johannes 15:55 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen. zegt: “Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken.” De ranken worden werkelijk in de wijnstok geënt, zoals ook gebeurt met in een olijfboom geënte takken.
  4. Christus’ vlees is werkelijk voedsel, en het is als brood dat werkelijk met ons lichaam verenigd wordt, omdat het voor het lichaam bestemd voedsel is voor hen die het met hun mond eten. Zo wordt nu ook Christus’ vlees werkelijk en wezenlijk met ons verenigd als wij het eten, maar dat gebeurt op een geestelijke manier om dat het geestelijk voedsel is.

114. Hoe kan het lichaam van Christus dat in de hemel is en van daar niet zal wederkomen vóór de jongste dag, werkelijk en wezenlijk met ons verenigd worden?

115. Het geloof grijpt zich vast aan en beeldt zich iets in wat niet aanwezig is. Daardoor wordt het lichaam van Christus toch niet werkelijk met ons verenigd, en daardoor is in het Avondmaal het geloof voor ons toch alleen maar een sterke mate van instemmen met een bepaalde voorstelling van zaken?

Het eerste wat hier in de vraag beweerd wordt is geheel onjuist en ook zondig110). Als men namelijk stelt dat het geloof alleen maar inbeelding, fantasie, een voorstelling in de gedachte of een gevoel in het hart is, dan verschilt het in niets van een inbeelding, een activiteit van het verstand, een mening en een toestemmen van iets. Het verschilt dan ook in niets van het historisch geloof dat ook veel verworpenen hebben en dat ook de duivelen niet onbekend is. Het geloof dat de evangelische beloften in Christus en daardoor Christus Zelf aanneemt en omhelst, is dan geen volle verzekering en vast vertrouwen en ook geen voor-zeker-aannemen. Het geloof is namelijk heel wat anders dan een inbeelding, een speculatie of een zinvolle gedachte. Het geloof is dan ten slotte ook geen hemelse en bovennatuurlijke gave van God zijn naar de kracht van Zijn sterkte, maar een natuurlijke gave; zijn verstand heeft de mens immers van nature. Omdat al de veronderstellingen ongerijmd zijn, is het eerst gestelde niet juist; en daarom geldt dat ook voor het vervolg.

Zoals de tijdsbepalingen het geloof niet kunnen beletten, omdat de verleden en toekomende dingen in geestelijke zin in het nu samenkomen, zo kunnen ook de plaatselijke ruimten niet beletten dat het geloof zaken die plaatselijk ver uit elkaar liggen, in geestelijke zin als tegenwoordig beschouwt en aanneemt. Het geloof is namelijk “de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet”.111) En: “Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhan gel, waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan.”112)

116. Door middel van welke vergelijkingen wordt deze gemeenschap of vereniging in de Heilige Schrift uitgelegd?

Door verschillende, maar toch wordt daardoor niet het wezen van en de manier waarop deze vereniging uitgelegd, maar gaat het meer om de vruchten die de gelovigen hieruit mogen ontvangen. Men mag daarom deze vergelijkingen niet verder doortrekken dan in overeenstemming is met de bedoeling van de Heilige Geest.

  1. Het huwelijk; in dit beeld wordt het lichaam en het gebeente van de gemeente één met het lichaam van Christus en zijn beenderen. En dan natuurlijk niet in die zin van het huwelijk zoals dat er was tussen Eva die met Adam één was in vlees en benen, maar alleen voor zover de gemeente de bruid van Christus is. Het gaat hier dus niet zozeer in zover wij méns zijn, maar in zover wij ware christenen zijn.113) Door deze vergelijking wordt uitgelegd dat Christus zijn kerk niet alleen zijn genadegaven geeft om die te gebruiken en daarvan te genieten, maar ook zichzelf aan ons schenkt, zodat we Hem ons eigen mogen maken.
  2. Hoofd en ledematen. Deze zijn door éen en dezelfde levendmakende geest met elkaar verbonden114), waardoor wordt aangegeven dat wij niet alleen heel nauw met Christus verenigd zijn, maar dat we ook door Hem alleen het leven, de zaligheid en al zijn genadegaven ontvagen, en dat Hij alleen het Hoofd van de gemeente is.
  3. Planten en bomen. We kunnen dan denken aan de wijnstok en de ranken, aan het inenten van een takje in de stam van een boom waardoor dit takje werkelijk tot de boom behoort en daarmee ook verder groeit. Er zijn hier echter wel de volgende verschillen:
a. Wij zijn van nature wilde druivenranken die beslist niet groeien aan de wijnstok waarover we spreken. Daar moeten we door genade eerst ingeënt zijn om daarna door de wijngaardenier besnoeid te worden; dan pas zullen we langzamerhand onze zuurheid verliezen en aangename zoete vruchten gaan dragen.
b. Na deze geestelijke inenting moeten we veranderen in de aard en het wezen van de wijnstok waarin we geënt zijn; het mag dus niet zo zijn als bij een natuurlijk ingeënt worden gebeurt.
c. We moeten ons ook niet inbeelden dat er een werkelijke uitstorting van het wezen of van de eigenschappen van Christus in ons plaatsvindt, of een samenvoeging daarvan met onze geest zoals de Postellianen en de libertinisten of vrijgeesten doen. Nee, het gaat hier om de kracht waardoor Christus ons die in Hem gerechtvaardigd zijn, door de Heilige Geest verandert en een nieuw geestelijk leven schenkt.
  1. Een fontein en een beek. Wij zijn daarbij echter niet anders dan een stinkende poel, die door genade met rein en zuiver water van onze vuilheden gezuiverd moeten worden.
  2. Het wonen in een huis. Dat huis is zonder handen gebouwd met levende stenen, en gefundeerd op de levende, kostbare en onderste hoeksteen115) [Christus]. Deze vergelijking is dienstbaar om te kunnen zeggen dat de hele gemeente en ieder lidmaat daarvan alleen op Christus Jezus is gefundeerd, met Wie ze door het geloof op een geestelijke manier is verenigd. In en door Hem bouwt de Heilige Geest heel de gemeente van gelovigen op dit fundament. De stenen ervan zijn door de eenheid van het geloof en de onderlinge liefde aan elkaar gehecht, en zo wordt deze gemeente tegen al de stormen, de aanvallen van de wereld en elke vorm van geweld bewaard en beschermd.
  3. Voedsel en drank, oftewel eten en drinken.116) Hierbij komt echter veel aan de orde waarbij de vergelijking niet opgaat.
a. Lichamelijk eten en drinken kunnen het leven niet geven, maar ze dienen alleen tot onderhoud van het lichamelijke leven naar het God behaagt. Maar het voedsel en de drank waarover het hier in geestelijke zin gaat, hebben het eeuwige leven in zichzelf.
b. Het natuurlijke eten en drinken wordt op een natuurlijke manier door het lichaam verwerkt en verteerd om zo één met het lichaam te worden, maar het geestelijke eten en drinken zijn onverderfelijk en veranderen ons bij wijze van spreken tot een nieuwe wijze van bestaan, zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt: “U zult niet veranderd worden in Mij, maar Ik zal veranderd worden in u.”
c. Het natuurlijke eten en drinken komen alleen dit leven een korte tijd ten goede, terwijl het ook – tenzij men er matig en met onderscheid mee omgaat – hinderlijk kan zijn en soms ook tot de dood kan leiden. Maar zij die het geestelijke voedsel en de geestelijke drank eten en drinken, ontvangen de onsterfelijkheid, dus het eeuwige leven.
d. Als Christus zijn vlees vergelijkt met voedsel en zijn bloed met drank, en het geestelijke genieten daarvan vergelijkt met eten en drinken, dan wil Hij daarmee niet zeggen dat zijn vlees en bloed in onze ziel of in ons lichaam komt of dat de eigenschappen van zijn ziel of zijn lichaam aan ons worden overgedragen. Nee, Hij bedoelt daarmee dat de vrede in het geweten en het heilige, geestelijke en hemelse leven in ons wordt gewerkt door de gave van de Geest der heiliging.

De manier van spreken is in al die vergelijkingen oneigenlijk, dus we mogen die niet in strikte en letterlijke zin opvatten. We mogen zoals de apostel ons vermaant, geen geestelijke zaken samenvoegen met lichamelijke, maar geestelijke met geestelijke. Dat wil zeggen dat we de woorden moeten aanpassen aan de zaken, en niet de zaken aan de woorden; zie 1 Korintiërs 2:1313 Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken..

117. Wat is het doel en de vrucht van de gemeenschap die wij met Christus hebben?

Dat zijn er verschillende.

  1. Onze verzoening met God door de Middelaar.
  2. De gemeenschap van Christus met ons, waardoor Hij ons als onze eeuwige Priester in zijn hart draagt, de Vader voor ons bidt, en Zich zo opstelt dat al wat men zijn broeders aandoet, het Hem wordt aangedaan – of het nu goed of kwaad is.
  3. Het deel krijgen aan al zijn genadegaven – want vrienden delen in hetzelfde bezit – en het gelijk worden aan het beeld van Christus. Onze schuld, onze erfelijke zondesmet en al onze zonden die daaruit voortkomen, zijn vanwege het evangelie-verbond op Christus gelegd. Dat is niet gebeurd door een werkelijk instorten van die zonden in Hem, maar alleen door toerekening daarvan. Onze Borg117) heeft, Zelf zonder zonde, al onze ellenden en de straffen die wij door onze zonden verdiend hebben, werkelijk Zelf op Zich genomen. Zo is ook zijn volkomen gerechtigheid voortgekomen uit zijn gehoorzaamheid, die Hij als Mens aan zijn Vader tot aan de dood op het kruis volkomen heeft bewezen. Door deze gehoorzaamheid heeft Hij voor ons als gelovigen de vergeving van al onze zonden verworven en ook het recht om het eeuwige leven te beërven. En dit heeft Hij niet door een werkelijk instorten van die weldaden in ons gedaan, maar eveneens door ze ons toe te rekenen.

Over ons die in geestelijke zin door het geloof in Christus zijn ingeënt, giet Hij door de kracht van de Heilige Geest of door de werkelijk aanwezige kracht van de Geest in ons het levendmakende vermogen tot in het eeuwige leven. Dat wil zeggen: Hij schenkt ons de tweede vrucht van de zaligmakende kracht die onafscheidelijk met zijn vlees is verenigd. Daardoor maakt Hij ons inwendig levend, Hij vernieuwt en heiligt ons zowel wat ons verstand als onze wil en onze gevoelens betreft; en zo maakt Hij ons gelijk aan zijn menselijke natuur. Zo laat Hij het geestelijke leven en de daarmee verbonden gerechtigheid in ons persoonlijk leven beginnen – een leven dat pas op de jongste dag tot voltooiing zal komen. Tegelijk hiermee schenkt Hij ons alle genadeweldaden die voor ons nodig zijn om het eeuwige leven te verkrijgen en daarvan te genieten. We denken dan aan het ervaren van Gods liefde, de zekerheid van onze verkiezing, de gave van de rechtvaardiging en van de aanneming tot kinderen oftewel de wedergeboorte, het geloof en de goede werken en andere genadige geschenken van zijn Geest. Hij schenkt die aan ieder persoonlijk, zoals Hij dat wil118), totdat we in de hemel met Hem tot in eeuwigheid zullen leven, zoals we daarvan ook lezen in Johannes 15:55 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.: “Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht”, en in Johannes 1:1616 Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade.: “Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade.” We hangen de Here aan en worden een geest met Hem, namelijk door de gelijkvormigheid van verstand, wil en gevoelens en door de vernieuwing van het beeld van God in ons door de Heilige Geest.119) We lezen ook: “[Wij] veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid” (2 Korintiërs 3:1818 En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is.); en ook: “Wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen” (1 Johannes 3:22 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; (maar) wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.); en ten slotte: “die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt” (Filippenzen 3:2121 die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.). Hierom wordt gezegd dat Christus in ons is en in ons leeft, en anderzijds wordt gezegd dat wij in Hem zijn en leven. Daarom zegt Paulus in Galaten 2:2020 Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.: “Toch leef ik, dat is, nier meer mijn ik, maar Christus leeft in mij.” Met deze woorden wordt niet te kennen gegeven dat Gods wezen in ons is of dat de eigenschappen uit de ziel of het lichaam van Christus in onze ziel invloeien zoals dwaalgeesten zich inbeelden. We bedoelen er wel mee dat de kracht van deze gemeenschap met Christus veel sterker is om ons te rechtvaardigen en heilig te maken dan de kracht van onze ziel die met ons lichaam is verenigd, om ons lichaam tot leven te wekken.

Ten slotte vloeit uit deze gemeenschap tussen Christus en de gelovigen de vereniging van de gelovigen met elkaar voort. Die vereniging bestaat niet uit een onderlinge samenvoeging van zielen en lichamen, maar uit de eenheid van geloof en hoop en de band van ware en heilige onderlinge liefde – en wel in die mate dat de gelovigen een van hart en ziel lijken te zijn.120) Daarom wordt ze ook wel de gemeenschap der heiligen genoemd.

118. Wat houdt dat vierde doel in?

Als wij het sacrament gebruiken zoals Hij het heeft ingesteld, moet het een getuigenis zijn van ons in geestelijke zin gevoed worden door Christus. We worden op een geestelijke manier gevoed en onderhouden door het lichaam en het bloed van Christus, zoals zijn eigen belofte luidt: “Eet, drinkt, dat is mijn lichaam.” Dit doel komt dus geheel overeen met wat hiervóór al is gezegd.

119. En wat houdt het vijfde doel in?

De bevestiging van het Nieuwe Testament tussen God en mensen, dat wil zeggen de belofte van het evangelie ten aanzien van de vergeving van de zonden. Daardoor betuigt God dat Hij allen in genade aanneemt en hun de zonden vergeeft omwille van de verdienste, het lijden en de dood van Christus, die vanuit het ware en levende geloof dit sacrament gebruiken. Dat heeft Hij immers Zelf met zijn woorden over “deze drinkbeker” bevestigd.

Zo is het Avondmaal een liefelijk teken van het verbond waarin Gods Zoon Zich met ons verbindt, waardoor Hij ons in zijn goedheid en genade aanneemt, en wij van onze kant met Hem een verbond maken met de verzekering dat we in Hem geloven, zijn weldaden uit genade ontvangen, en dat we liever al ons bezit kwijtraken dan Hem niet te gehoorzamen.

120. Wat is het zesde doel?

Het sacrament moet ook een pand zijn van onze opstanding. Dat geldt in de eerste plaats de geestelijke opstanding in dit leven die we daarom de eerste opstanding noemen en die betrekking heeft op de ziel.121) Wie daaraan deelheeft, over hem zal de tweede dood geen macht meer uitoefenen.122) Dat geldt vervolgens ook de lichamelijke opstanding op de jongste dag, de dag waarop het lichaam zal opstaan; en dan spreken we over de tweede opstanding, die ons van de eerste dood verlost123), en ook het eeuwige leven en de eeuwige zaligheid schenkt. Die mogen we dan beërven door de kracht van Christus’ opstanding uit de doden. Dan zal gelden wat in Johannes 6:5454 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. staat: “Wie mijn vlees uit en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.”

121. Wat is het zevende doel?

Ook moet het sacrament een pand zijn van onze geestelijke gemeenschap, waardoor wij zij die delen in het sacrament als het ware tot één lichaam door de Geest van Christus verenigd worden. Zij gaan aan een en dezelfde tafel en genieten daar hetzelfde voedsel en dezelfde drank als leden van een huisgezin en als mede-gasten. Zij zitten daar als homospondei, delend in hetzelfde offer, of als bondgenoten die tot eenzelfde verbond behoren, zoals men vroeger gewoon was om een verbond door een gemeenschappelijk offer te bekrachtigen. Zo komt het ook dat men de verbonden spondas noemde. In 1 Korintiërs 10:1717 Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood. zegt Paulus dan ook: “Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood.” We moeten daarbij wel bedenken dat in het sacrament het niet beslist nodig is dat het een brood is in het enkelvoud, en ook dienen we te beseffen dat hier sprake is van een verborgen lichaam in Christus.

Hieruit volgt opnieuw dat onze gemeenschap met Christus niet van lichamelijke en natuurlijke aard is, omdat de gemeenschap van de kerk of gemeente niet lichamelijk is, maar zich op een verborgen en geheel geestelijke wijze manifesteert.

Het brood ontstaat immers na het malen van veel graankorrels en het daarna bakken van het meel; en de wijn ontstaat door het persen van veel druiven. Zo groeien wij als vele gelovigen tezamen op in één verborgen lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. In Romeinen 12:4-54 Want, gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, 5 zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander. lezen we: “Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, (…), zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander” – we zijn als mensen in Christus Jezus van hetzelfde lichaam.

Deze gemeenschap der heiligen komt voort uit de gemeenschap die wij met Christus als ons Hoofd hebben – zoals oorzaak en gevolg bij elkaar horen. Hieruit volgt vanzelfsprekend ook de overeenstemming in de wil, en daaruit komt de liefde voort, de eendracht en het één van hart en ziel zijn van hen die aan het avondmaal gaan – zoals het toegaat tussen de leden van een verborgen en geestelijk lichaam. Als deze liefde niet in zijn hart voelt, is het voor hem beter zich van het Avondmaal te onthouden.

Het Avondmaal is voor ons ook een voorschrift waaruit we kunnen leren dat we, als de nood dat eist, onze lichamen tot eer van God en tot bescherming van onze naasten moeten opofferen en ons leven daarvoor moeten overgeven. We moeten ons er ook aan gewennen om de bezittingen die God ons gegeven heeft, in liefde en met een voor allen geldende milde vrijgevigheid rijkelijk te schenken aan de armen en allen die hulp nodig hebben. Laat het een aansporing zijn om te volharden in de broederlijke liefde – een liefde die voortkomt uit het heerlijke onderpand van Gods liefde voor ons, arme zondaren. Het moet echter verre van ons zijn om dit zoals bij de wederdopers het belangrijkste doel van het Avondmaal te laten zijn. Het mag ook niet zo zijn dat deze heilige en verborgen zaken alleen een voorschrift tot navolging voor ons zijn en ons alleen enkele verborgen zaken in herinnering brengen.

122. Wat is het achtste doel?

  1. Het sacrament moet een getuigenis zijn van onze belijdenis en van de overeenstemming met de leer en het geloof in Christus.
  2. Het is ook een teken dat wij niet meer behoren bij de onderdanen van de satan, en ook dat we geen heidenen zijn, geen aanhangers van de Islam, geen Joden en geen roomsen, en dat we niet behoren tot de een of andere sekte die niets te maken heeft met het ware kennen van Christus.
  3. Het is een benadrukken van de belofte om in het geloof en de kennis van het Evangelie te zullen volharden, hoe het ook verder gaan mag.
  4. Het is eveneens een geestelijke band waarmee de openbare eredienst van de gemeente wordt onderhouden.
  5. Het is een hulpmiddel in de beoefening van de godzaligheid, en een aansporing om ervoor te waken niet besmet te worden met vuilheid van deze wereld, waarvan we door het bloed van Christus gereinigd zijn.
  6. Het is ten slotte een troost in alle aanvechtingen.

123. Ontvangen en ervaren alle gelovigen in gelijke mate de kracht en de vrucht van het Heilig Avondmaal?

Nee, zeker niet! Maar het is zoals Origines zegt: de kracht en de vrucht ervan zijn er in overeenstemming met de toestand, de grootte en de omstandigheden van het geloof in hen die tot het Avondmaal komen.

124. Wat is de juiste manier om het Heilig Avondmaal te bedienen?

Laat het op de volgende manier bediend worden.

  1. Het moet zo bediend worden dat het op de beste manier overeenkomt met de eenvoud van de oorspronkelijke instelling, en vrij is van alle bijgeloof en uitwendige praal. Ambrosius zegt namelijk dat de sacramenten geen goud zoeken en zij die niet om goud gekocht zijn, hebben daarin ook geen behagen. Bovendien moet het bediend worden door godzalige en wettige dienaren van de gemeente. Er zijn wel mensen die denken dat het Avondmaal in vroeger tijd ook wel in de huizen bediend werd en dat het daarom niet nodig was dat er dienaren van het Woord bij betrokken waren – zoals men ook niet leest dat er in alle huizen waar men het paaslam at, priesters bij aanwezig waren. Dit komt echter niet overeen met de instelling door Christus. De dienaren moeten de dienst ernstig en eerbiedig leiden, de gebeden uitspreken, de woorden van de instelling duidelijk voorlezen en uitleggen, en de leden van de gemeente nodigen om tot de heilige tafel te naderen. Ze moeten door hun eigen voorbeeld de gemeente aanmoedigen en voorhouden om ordelijk en met een geschikt hart te komen en wat ze hun geven, met eerbied aan te nemen. Ten slotte moeten ze ertoe opwekken om niet aan de tekenen te blijven hangen, maar hun harten hoog op te heffen.
  2. De dienaren moeten de leden van de gemeente ook voorhouden dat ze met christelijke liefde en weldadigheid de armen tegemoet treden. Daarom wordt het Avondmaal ook wel de maaltijd van de liefde genoemd, omdat het Avondmaal tot gevolg had dat men de armen een milde handreiking gaf.
  3. De dienaren moeten de dood des Heren verkondigen. Het pas namelijk niet om het Avondmaal zwijgend te bedienen. Nee, het is goed als men de geschiedenis leest van het lijden van Christus, of iets dergelijks, of dat men psalmen zingt of over de dood des Heren een preek houdt.
  4. De heilige gemeenschap [die aan de tafel is beoefend], moet men besluiten met het zingen van een lofzang of een openbare dankzegging, zoals de discipelen dat met Christus samen deden.124) Dat betekent dus dat men God de Vader looft en prijst, zoals Justinus zegt dat het in zijn tijd gebeurde.125)
  5. Ten slotte moet dit alles gebeuren in onze eigen moedertaal, zodat de leden van de gemeente het kunnen verstaan en volgen, en met het hart ermee instemmen. Het is niet zo belangrijk of men staand of zittend aan het Avondmaal deelneemt, al is het wel zo dat het paaslam staande gegeten werd.

125. Waar moet men het Avondmaal bedienen?

In de openbare samenkomst van de gemeente, en niet voor ieder afzonderlijk in zijn eigen huis of voor hen die thuis ziek op bed liggen. Het moet ook niet gebeuren als men in doodsnood is, terwijl er geen bijeenkomst van de gemeente is en andere gelovigen er niet in kunnen delen. Het bijeenkomen in het Avondmaal is namelijk een kerkelijk gebeuren en moet ook in het openbaar plaatsvinden; het is dus niet zo dat ieder zijn eigen Avondmaal mag houden,126) Het Avondmaal is ook een pand en een bewijs van de gemeenschap der heiligen.127) Ook moet men niet de weg vrijmaken voor de mening dat er in het deelnemen aan het sacrament een verdienstelijk werk schuilt waardoor een verkeerd vertrouwen ontstaat, zoals bij de viering van de roomse eucharistie.

In de tijd van Justinus brachten de diakenen na de bediening van het Avondmaal des Heren wel alles wat overgebleven was naar hen die door ziekte niet in de gemeente aanwezig konden zijn. Ze brachten dat ook wel bij vreemden en bij bisschoppen die ter plaatse een tijdelijk verblijf hadden. Eusebius vertelt128) dat de bisschop van Rome dat gewoon was, maar dan gebeurde dat zonder bijgelovigheid en met als enige doel om een teken te geven van eendracht en overeenstemming in de leer en heel de belijdenis. We moeten er echter niet op letten of men dat vroeger gedaan heeft, maar het gaat om de vraag of men daar goed aan gedaan heeft. Die manier van doen is nu [in ieder geval] veranderd in een schandelijk bijgeloof. Daardoor brengt men het sacrament nu alleen bij degenen die op sterven liggen, en dat om winstbejag. Daarbij maakt men de mensen wijs dat ze dit nodig hebben om zalig te worden. Daarom is de gewoonte om het brood en de wijn van het Avondmaal bij diegenen te brengen die er niet bij tegenwoordig waren, heel terecht in onze gemeenten afgeschaft.

Cyprianus zegt129) ook dat we bij de bediening van dit sacrament niet anders behoren te doen dan wat Christus Zelf gedaan heeft.

126. Wanneer en hoe vaak behoort men het Avondmaal te vieren?

De Here heeft ons geen bepaalde tijden voorgeschreven, zoals onder de bediening van de Wet wel een bepaalde dag in een bepaalde maand van het jaar gesteld was om het paaslam te eten. Toch maakt de zaak zelf ons wel duidelijk dat alle christenen dit niet maar één keer per jaar maar juist dikwijls behoren te doen. Het woordje “dikwijls” dat Paulus tot twee keer toe gebruikt in 1 Korintiërs 11:2525 Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis., roept hen op om het lijden van Christus vele malen in hun gedachten te overdenken en daarmee hun geloof te versterken. Zo stellen ze zichzelf beschikbaar om God lof toe te zingen en zijn goedheid uit te roepen. En in de laatste plaats ook om in de onderlinge liefde toe te nemen, want die band tussen hen kunnen ze ervaren in de eenheid van het lichaam van Christus.

AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt dat hij het dagelijks gebruik van het sacrament niet kan prijzen of kan afkeuren, maar wel zegt hij: “Toch roep ik u ertoe op dat u het alle zondagen ontvangt. En als het niet dikwijls kan plaatsvinden, dan moeten de mensen toch tenminste drie maal per jaar tot het Avondmaal gaan.”

Het voorbeeld van Christus schrijft ons ook niet voor het Avondmaal in het nachtelijke uur te vieren. Christus heeft naar het voorschrift van de Wet het paaslam dat “ tussen twee avonden” moest worden geslacht, in de nacht ingesteld. Wij leven nu echter niet meer onder het gebod van de oude ceremoniën.

127. Hoe behoren we naar het Avondmaal des Heren te gaan?

Niet op een lichtzinnige en onwaardige manier. Zoals een medicijn voor het lichaam niet helpt als men het op een verkeerde en ook schadelijke manier gebruikt als men het niet op de juiste tijd, plaats en manier hanteert, niet met de juiste hoeveelheid en niet gericht op deze bepaalde ziekte waar het bij past – zo doet ook het Avondmaal des Heren geen kracht als een heilzaam medicijn voor de ziel, als men het op een verkeerde manier gebruikt; ja, dan is het juist hinderlijk. De apostel zegt immers in 1 Korintiërs 11:2727 Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.: “Wie [dus] op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.”

128. Hoeveel soorten mensen gaan er aan het Avondmaal?

Twee soorten: er zijn er die het waardig gebruiken, en er zijn er ook die dat onwaardig doen.

129. Wie zijn degenen die waardig tot het Avondmaal gaan?

Het is een verschil of het gaat over waardig of onwaardig zijn – en waardig of onwaardig aan de tafel des Heren gaan. De apostel spreekt nergens zó dat sommigen het waardig zijn en anderen niet, maar hij spreekt over hen die waardig of onwaardig eten. Zij die waardig het brood eten en uit de drinkbeker drinken, zijn mensen die niet zonder gebreken of zonden zijn. Die zijn er niet, want vanuit onszelf zijn we allen zo’n grote zegen onwaardig, en ook niet in staat om zulke uiterst betekenisvolle geloofsgeheimen te begrijpen. Maar als we daartoe bekwaam zijn, is dat uit God; zie 2 Korintiërs 3:55 Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk..130)

Dat zijn deze mensen:

  1. Zij die hun onwaardigheid belijden en daarover bedroefd zijn, en die alleen op de waardigheid van Christus rusten – dat wil zeggen mensen die werkelijk verslagen zijn omdat ze weten hoe groot Gods toorn is tegen de zonden, en ook weten dat ze God vertoornd hebben. Zij erkennen en belijden dat ze door hun zonden vele straffen verdiend hebben, en ze hebben de belijdenis van Daniël in het hart en in de mond: “Bij U, Here, is de gerechtigheid, maar bij ons een beschaamd gelaat.”131) Deze gevoelens zijn in ons hart opgewekt vanwege het aandachtig overdenken van Gods wet en de eeuwige en tijdelijke straffen die daarmee verbonden zijn, en vooral door het overdenken dat de Zoon van God ter wille van ons in de hof zo angstig was en aan het kruis tussen twee moordenaars hing.
  2. Zij die van harte hongeren en dorsten naar Gods genade, en hun toevlucht nemen tot de enige haven van zaligheid, dat is: tot Gods barmhartigheid omwille van Christus, onze Middelaar. Zij scheppen moed door hun vertrouwen hierop, en door een krachtige toe-eigening zijn ze ervan verzekerd dat ze om Christus’ wil door God in genade worden aangenomen en dat hun de genadeweldaden worden geschonken die het Evangelie belooft en toezegt, zoals de gemeenschap met het lichaam en bloed van Christus, het mogen delen in zijn verdienste en almacht, de vergeving van de zonden, de vernieuwing van het hart en het eeuwige leven.132)
  3. Zij die zich voorgenomen hebben hun leven te verbeteren en zich beijveren om tot een nieuwe gehoorzaamheid te komen. Dat zijn mensen die niets liever doen dan heel hun verstand, al hun bezigheden en overwegingen tot de eer van God aan te wenden. Zij nemen afstand van alle boosheid, haat, nijd en vijandschap, zoals gezegd wordt in Matteüs 5:2424 laat uw gave daar, vóór het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.: “Laat uw gave daar, vóór het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.” Zij zijn bereid alle leden van Christus lief te hebben, te helpen en te ondersteunen en zich naar het voorbeeld van Christus voor hen in te zetten.
  4. Zij die zich in hun gedachten bezig houden met en mediteren over de zending van Gods Zoon, zijn lijden en heel de weldaad van onze verlossing; en God daarvoor danken.
  5. Zij die voor zichzelf het besluit genomen hebben op het fundament van Christus’ naam te sterven. Het geloof dat met boetvaardigheid begonnen is, maakt dus van onwaardige mensen waardige disgenoten. Maar deze waardigheid betekent geen volmaaktheid, want die wordt in de meest heilige gelovigen op aarde niet gevonden. Die waardigheid houdt echter wel in dat het beginsel van de bekering en het geloof in ons is – wat we uit overtuigende kenmerken in onszelf kunnen vaststellen.

130. Maar moeten zij die zich bekeren en van harte bedroefd zijn over hun zonden, niet nalaten dit sacrament te gebruiken vanwege hun vroegere zonden?

Nee, maar zij moeten juist weten dat dit zo belangrijke onderpand gegeven wordt, opdat het geloof aangaande de vergeving van de zonden daardoor zal worden aangewakkerd en bevestigd. Hierdoor zal de ziel die met God verzoend is, Hem ook opnieuw aanroepen en Hem met een goed geweten dienen. De ziel moet niet vertrouwen op haar eigen waardigheid, maar als de verloren zoon zijn, die tot zijn vader terugkeert en dan niet trots is op eigen verdiensten en goede werken, maar zijn schuld erkent en beweent. Zo moeten ook wij onze schandelijke zonden met schuld belijden en onze toevlucht nemen tot de barmhartigheid die ons omwille van Christus beloofd is. Van deze barmhartigheid is het Avondmaal een zegel en pand, waardoor Christus getuigt dat ons de vergeving van zonden uit genade geschonken wordt. Dat houdt in dat onze zonden niet vanwege onze waardigheid worden vergeven, maar omdat Hijzelf een offer voor ons geworden is, en wij moeten weten dat dit medicijn bereid is voor zieken, dus voor mensen die hun onmacht belijden. “Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn” (Matteüs 9:1212 Hij hoorde het en zeide: Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn.).

131. Welke raad geeft de apostel nu aan het die aan het Avondmaal deelnemen?

Dat de mens zichzelf beproeven moet, en “dan” – als hij zich namelijk beproefd heeft en ervaart dat hij door Gods genade mag gaan – “ete van het brood en drinke uit de beker”; zi3 1 Korintiërs 11:2828 Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker..

132. Wat moet men beproeven?

Dat leert Paulus in 2 Korintiërs 13:55 Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk., waar hij zegt: “Stel uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk.” Toch mag men mensen die nog niet krachtig geroepen zijn, niet direct als verworpenen beschouwen; en evenmin mag men zo denken van mensen die na hun geroepen zijn in zware zonden vallen.

De goede beproeving en het ware onderzoeken van zichzelf bestaan dan ook hierin dat ieder zichzelf nauwgezet onderzoekt:

  1. of hij van harte bedroefd is over de zonde die hij gedaan heeft;
  1. of hij van harte in Christus gelooft, Die een Verzoener is van de zonde;
  1. of hij een ernstig voornemen heeft om de zonden, de haat en nijd, de verkeerde hartstochten en begeerten en zo meer, ver van zich weg te houden en daartegenover oprecht en heilig te leven op een manier dat hij zich dankbaar tegenover God betoont.

133. Wie wordt tot dit beproeven geroepen?

Paulus zegt dat de mens zichzelf moet beproeven, want niemand kan beter en met meer zekerheid oordelen of hij in het geloof is dan hijzelf. Het is vervolgens zo dat niet de onwaardigheid van een ander maar die van onszelf ons veroordeelt. Bovendien weet ook niemand beter wat er in ons hart schuilt of hoe wij ons tegenover God staan dan wijzelf; zie 1 Korintiërs 2:1111 Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods.. Ten slotte wordt uit de woorden van Paulus wel duidelijk dat ieder kan weten wat hem te doen staat. Niemand mag zich inbeelden dat hier een zogenaamd ‘ingewonden’ geloof vereist wordt of dat men blijft leunen op het geloof van een ander. Nee, zegt de apostel, laat ieder zichzélf beproeven en niet zijn medemens. Niemand mag namelijk zijn naaste oordelen en evenmin denken dat de onwaardigheid van een ander hem zou kunnen verhinderen. Ieder moet namelijk voor zichzelf rekenschap geven, zegt Romeinen 14:1212 Zo zal [dan] een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven [aan God]..

Dit is echter geen beletsel voor de dienaars en herders van de gemeente, die de gemeenteleden wél mogen onderzoeken hoe ze in de leer van de godzaligheid zijn gevorderd. En als het nodig is, moet hij hun ook privéonderwijs, raad en troost geven. Dit onderwijs dienst er namelijk voor om het eerste – de beproeving van zichzelf – te ondersteunen. Wij allen en ieder individueel zijn verplicht ons geloof te belijden en aan de dienaars te laten horen wat onze mening is over de leer. Petrus vraagt in 1 Petrus 3:1515 Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze. dan ook dat we “altijd bereid tot verantwoording [moeten zijn] aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is”.

134. Volgt uit het woord “zichzelf” niet dat ieder de kwestie maar voor zichzelf moet beoordelen en dat aan niemand die tot de tafel des Heren wil komen, het sacrament geweigerd mag worden?

Nee, want niet alle mensen zijn ertoe in staat zichzelf te beproeven, en bovendien weet men niet van allen of zij tot de gemeente behoren of niet. Bovendien is dit niet afdoende voor hen die eerder de wettige boodschap ontvangen hebben dat ze zich vanwege onboetvaardigheid van de tafel moesten onthouden, om weer opnieuw voor waardige disgenoten gehouden te worden. Zij kunnen niet eenvoudigweg aan de tafel des Heren aangaan.

135. Wie gaan er dan onwaardig aan de tafel des Heren?

Niet zij die in de gewone zin van het woord zondaren zijn of zij die zwak zijn in het geloof, want het Avondmaal is voornamelijk ingsteld omwille van de zwakgelovigen. De hoofdman heeft heel terecht gezegd: “Here, ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt” (Matteüs 8:88 Doch de hoofdman antwoordde en zeide: Here, ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen.).

Maar zij gaan onwaardig aan, die niet weten wat het Avondmaal inhoudt en in wie in het geheel geen vreze Gods, boetvaardigheid of geloof is; zij die tegen hun geweten in met hun zonden dóórgaan en daarin volharden; zij die op hun eigen kracht en gerechtigheid vertrouwen; zij die aan bijgelovigheid, huichelarij en valse godsdiensten een voedingsbodem geven; zij die dwalingen in het openbaar verdedigen; zij die op scheuringen uit zijn, en vol met twist en nijd zitten; zij die bij hun slechte voornemens blijven of op wraakgierigheid, boosheid, verkeerde lusten en andere zondige begeerten uit zijn; zij die de arme mensen verachten en ten slotte zij die de avondmaalstafel niet als geestelijk en heilig beschouwen maar als gewoon en werelds.

136. Welke straf kunnen zij die het brood des Heren onwaardig gebruiken, tegemoet zien?

Er zijn verschillende maten en graden in onwaardigheid, en daarom is de straf of het oordeel ook niet in alle gevallen gelijk. De ernstigste mate van onwaardigheid is er als men zonder het minste greintje geloof en boetvaardigheid op de verborgenheden van het geloof af gaat – zoals de ongelovige en verworpen huichelaars en goddelozen doen. Wie zo aan de tafel des Heren gaan, zijn schuldig aan het lichaam en bloed van de Here. De oorzaak van Zijn dood wordt dan hun aangerekend; dat wil zeggen: de dood van Christus dient dan tot hun dood en niet tot hun leven. BasiliusBasilius de Grote (330-379) was één van de drie Cappadocische kerkvaders en als bisschop verbonden aan de stad Caesarea. In theologisch opzicht stond hij aan de zijde van Athanasius en dus tegenover Arius en de zijnen. zegt: “Zij zijn even schuldig aan de dood van Christus als degenen die Hem door hun ongeloof voor wat het lichaam betreft gedood hebben.” Voor hen is het bloed van Christus immers onrein133), en heeft het even weinig waarde als het bloed van een misdadiger. Over hen wordt gezegd: “Wie niet gelooft, zal veroordeeld worden” (Marcus 16:1616 Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden.). Hun staat dus het oordeel te wachten om tot de eeuwige helse pijnen verdoemd te worden.

Een andere mate van onwaardigheid heeft betrekking op de gelovigen, namelijk op hen “die het lichaam des Heren niet onderscheiden”; dat wil zeggen: op mensen die wel niet geheel en al zonder geloof zijn, maar bij wie het toch heel zwak is. Daardoor zijn de liefde en de boetvaardigheid om te geloven, in hen ook niet erg sterk; en daardoor maken ze ook geen onderscheid tussen het verborgen brood des Heren en het gewone voedsel. Het gevolg is dat ze het oneerbiedig aannemen, en niet op de manier zoals de Here het heeft ingesteld. Paulus zegt deze mensen een oordeel aan als hij in 1 Korintiërs 11:2929 Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. zegt: “Wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt.” Dat wil zeggen: zo iemand roept door zijn eten en drinken een oordeel over zich af.

Dat oordeel is niet het oordeel van de eeuwige verdoemenis, maar wel van tijdelijke straffen die de Here hun in dit leven toezendt. Dat blijkt uit de volgende woorden van de apostel waarmee hij enkele voorbeelden van dit oordeel noemt, zoals ziekte en de lichamelijke dood. “Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen” (vers 3030 Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen.). Vooral vers 3232 Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden. is duidelijk waar hij zegt dat wij vooral geoordeeld worden “opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden” en daarom “onder het oordeel des Heren [getuchtigd worden]”. Dit oordeel wordt wel het oordeel van de vermaning en bestraffing genoemd.

137. Met wie moet men dan het Avondmaal des Heren delen?

Met al de gelovige leden van de gemeente die zichzelf kunnen beproeven en in de verborgenheid van het geloof onderwezen zijn, dus met mensen die de dood des Heren kunnen verkondigen. Voor deze verborgenheid van het geloof is de beproeving van zichzelf vereist samen met de verkondiging van de dood des Heren.

Het sacrament is dus niet bedoeld voor de ongelovigen, niet voor kinderen en ook niet voor zwak- of krankzinnigen. Het is dus niet voor hen die van de verborgenheid van het geloof helemaal niets weten, en evenmin voor hen die niet weten wat de bedoeling is van wat men dan doet. Het sacrament is niet voor onboetvaardige mensen en evenmin voor hen die door het wettige oordeel van de gemeente onder de ban leven. Het is ook niet voor hen die in openbare dwalingen leven of met een bepaalde zonde die algemeen bekend kan zijn – behalve natuurlijk wanneer ze die aan de gemeente beleden hebben met de belofte hun leven te beteren. Het sacrament mag ook niet aan een dode of voor een dode bediend worden. De offergaven van brood en wijn die in vroeger tijd naar heidense gewoonten aan de vrienden van de overledene werden gegeven, zijn nu immers voor de armen. Datzelfde geldt voor de offergaven waarvan Cyprianus zegt dat die voor de martelaars werden geofferd. Daaronder verstaat hij overigens de lofzangen en de dankzeggingen tot God, omdat Hij zijn gemeente van zulke lichten had voorzien.

138. Mag men godzalige en rechtschapen mensen van het Avondmaal des Heren afhouden, omdat ze militair zijn of bij de rechtbank als advocaat werkzaam zijn?

Nee, want de rechtbank en een wettige krijgsmacht zijn een onderdeel van de burgerlijke samenleving, die door het evangelie niet worden afgeschaft. Constantijn en andere militairen zijn terecht tot het Avondmaal des Heren toegelaten, toen ze in slagorde stonden opgesteld om het grote leger van Licinius aan te vallen. Toen Abraham van zijn veldtocht terugkeerde, heeft Melchizedek hem ontvangen en gezegend.134) Ook vrome mensen kunnen met elkaar van mening verschillen over een erfenis, een contract, een verdrag en andere afspraken die nodig zijn, zonder dat er sprake is van enige haat en het verlangen om elkaar een hak te zetten. Toch moet men hen die in het leger dienen en hen die met elkaar in een rechtszaak verwikkeld zijn, vermanen als ze tot de tafel des Heren naderen – om namelijk alle haat, bitterheid, vijandschap en andere zondige tekortkomingen af te leggen wanneer zij niet op eigen initiatief maar door andere omstandigheden met oorlog en rechtszaken te maken krijgen.

139. Wat betekent het als men zegt dat het lichaam des Heren onderscheiden moet worden?

Diakrinein is in eigenlijke zin iets onderscheiden door het van de gewone omgeving af te zonderen en het in ere te houden samen met andere dingen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake in Judas Genesis 14:22 – “Doch Abram zeide tot de koning van Sodom: Ik zweer bij de Here, bij God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde”., waar een onderscheid gemaakt wordt tussen zondaren die nog genezen kunnen worden en halsstarrige zondaren. Zie ook 1 Korintiërs 4:77 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt?, waar we lezen: “Wie onderscheidt u?” oftewel: wie zondert u af? – dus: wie houdt u voor beter? Als we dus het lichaam des Heren onderscheiden, houdt dat in dat we het brood als een kostbaar onderpand van het lichaam van Christus van andere dingen afzonderen en dat met zo’n diepe vroomheid, geloof, boetvaardigheid en eerbied gebruiken als hierbij past. We mogen dus niet tot de tafel toegaan alsof we gewoon brood en gewone drank gaan gebruiken, maar we gaan naar het geheim van iets wat uitnemend kostbaar is.

140. Maar degenen die in de hoogste graad onwaardig zijn, dus de goddelozen – eten en drinken zij het vlees en bloed van Christus niet direct tot hun eigen veroordeling en worden ze niet schuldig aan het lichaam des Heren omdat ze dat verachten, maar omdat ze het ontvangen?

In het geheel niet. Daarvoor zijn de volgende redenen:

  1. Als ze het zichzelf iets aandoen door zich een oordeel te eten, is dat niet het eten van Christus, die ons gegeven is tot het leven en gerechtigheid.
  2. De belofte van genade zegt alleen de gelovigen toe dat zij deel hebben aan het lichaam van Christus; en de sacramenten zijn alleen voor de gelovigen werkelijk een sacrament, maar beslist niet voor d ongelovigen. 2 Korintiërs 6:1515 Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige? is immers duidelijk: “Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige?” Het leven toch niets met de dood te maken? AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt: “Men kan ook niet zeggen dat iemand het lichaam van Christus eet als hij niet in het lichaam van Christus is.” Het ongeloof van zo iemand kan Gods belofte en de instelling van het Avondmaal dus niet opheffen.
  3. De apostel zegt dat niemand deel kan nemen aan de tafel des Heren (dus aan het voedsel dat op deze tafel wordt toebereid), én aan tafel van de duivel (dus gemeenschap onderhouden met de duivel en boze geesten); zie 1 Korintiërs 10:2121 Gij kunt niet de beker des Heren drinken èn de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten..
  4. De betekende zaak wordt met het hart genoten en niet met de mond; Christus wordt immers niet ontvangen door onderdelen van het lichaam, maar alleen door het geloof135) – en dat hebben de goddelozen niet.
  5. Het gegeven lichaam en bloed van Christus weet niet van verschíllende effecten en gevolgen, en de kracht om levend te maken kan niet gescheiden worden van de gemeenschap met het lichaam van Christus. Maar de goddelozen hebben het eeuwige leven niet, en zijn veroordeeld (Johannes 3:1818 Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God.). Christus zegt ook: “Tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf” (Johannes 6:5353 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf.).
  6. Als het lichaam van Christus gegeten wordt, werkt dat het leven in zijn kinderen; maar als het veracht, verstoten en verworpen wordt, werkt dat de dood en het eeuwige oordeel – en dat vanwege het missen en het niet-genieten van het lichaam van Christus.
  7. Christus kan zijn taak als rechter wel uitvoeren, hoewel juist de ongelovigen zijn lichaam níet met de mond eten. Ja, ze eten het brood des Heren wel, maar zij eten het brood niet toegewijd aan de Here. De prachtige uitspraak van AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. maakt dit duidelijk: “Als u [het brood] op een vleselijke manier neemt, (……….), maar voor u is het niet geestelijk. En ook: “De goede ontvangt het sacrament met daarbij de betekende zaak ervan. Maar de boze ontvangt wel het sacrament, maar niet de betekende zaak.” Nog een uitspraak van hem136): “Wie het niet met Christus eens is, eet zijn vlees niet en drinkt evenmin zijn bloed, ook al ontvangt hij dagelijks het sacrament tot zijn eigen oordeel.”

Verschillende kerkvaders en vooral AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zeggen dat het lichaam van Christus ook wel door goddelozen genomen wordt; maar dan wordt onder het woord “lichaam” niet de betekende zaak van het sacrament verstaan, maar het teken. Het lichaam des Heren – dat wil zeggen het lichaam als teken – wordt dus onderscheiden van de betekende zaak van het sacrament.

Ten slotte is de uitvlucht van onze tegenstanders al heel belachelijk, als ze zeggen dat het lichaam van Christus hun gegeven of aangeboden wordt en daarom nemen ze het aan. Als ze het niet aannemen, wordt het hun ook niet gegeven.

141. Maar kan iemand die het lichaam en bloed van Christus niet wérkelijk eet en drinkt, daaraan wel schuldig worden?

Ja, beslist wel, omdat hij de heilige tekenen misbruikt, en dat is een belediging van de betekende zaak. Dat is bij hen die de dienstknechten van Jezus Christus verachten, precies eender, want zij verachten daarmee onze Here Jezus Christus zelf, en ook zijn Vader; zie Lucas 10:1616 Wie naar u hoort, hoort naar Mij; en wie u verwerpt, verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, verwerpt Hem, die Mij gezonden heeft.: “wie u verwerpt, verwerpt Mij.” De belediging die een men een gezant aandoet, geldt ook de vorst die hem gezonden heeft. Wie bijvoorbeeld de plakkaten of de brieven van de koning bespuwt of verscheurt, wordt gehouden voor iemand die de waardigheid van de koning beledigd heeft. Ten slotte is degene die het brood en de wijn onwaardig neemt, daaraan schuldig, omdat hij het lichaam van Christus dat hem aangeboden wordt, niet op een geestelijke wijze aanneemt en ook niet eet [of drinkt].

142. De dienaar van het Woord kan niet weten wie waardig of onwaardig zijn [ om het Avondmaal te gebruiken]. Mag hij daarom met een goed geweten ieder wel aan het Avondmaal des Heren toelaten?

De kerk oordeelt niet over de verborgen dingen en ziet dus ook niet wat er in het binnenste van het hart is, maar ze spreekt wel haar oordeel uit in overeenstemming met het richtsnoer van Gods wet. Daarom is het goed als de dienaar van het Woord God Zelf laat oordelen hoe het in het hart van ieder gesteld is. Degene die een vroom leven leidt, zonder schulden is en van wie geen openbare zonden bekend zijn, mag hij toelaten. Daartegenover is hij wel verplicht om degenen die verstrikt zijn in dwalen en tegen de fundamenten van de leer ingaan, van de tafel te weren – en daarvan is de kerkenraad al van te voren op de hoogte. Deze plicht van de dienaar des Woords om van de tafel te weren geldt ook voor lasteraars, ketters, afgodendienaars, dronkaards, bedriegers, leeglopers, rovers, tirannen, overspelers, hoerenlopers, vloekers, vuilsprekers of andere mensen die een onbehoorlijk leven leiden dat niet met het evangelie in overeenstemming is, en ook voor hen bij wie men geen tekenen van leedwezen over de zonde en bekering kan bespeuren. Voor al deze mensen gelden de volgende woorden:

Procul hinc, procul este profani!

dat wil zeggen:

Ga weg van hier, jullie goddelozen!

Christus Zelf verbiedt het grote ernst om het heilige niet aan de honden te geven (Matteüs 7:66 Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren.). En men mag “ook geen deel [hebben] aan de zonden van anderen” (1 Timoteüs 5:2222 Leg niemand overijld de handen op, heb ook geen deel aan de zonden van anderen, houd u rein.). Daarom zegt Chrysostomos dat hij zijn lichaam veel liever uit elkaar wil laten scheuren dan willens en wetens het lichaam en bloed van de Here te geven aan een goddeloos persoon die zich niet bekeert. Paulus getuigt ook dat de leden uit de gemeente van Korinte vanwege dit misbruik ernstig geplaagd werden, en dat er vele zieken en overledenen onder hen waren (1 Korintiërs 11:3030 Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen.).

143. Is het een middelmatige kwestie als je het Avondmaal gebruikt of als je je daarvan onthoudt?

Nee, beslist niet! Maar zij die de tafel des Heren verachten, zondigen heel erg om de volgende redenen:

  1. Zij verachten niet een menselijk maar een goddelijk gebod: “Doe dat”.
  2. Ze verachten de gedachtenis aan de dood van Christus, waardoor we verlost zijn.
  3. Ze laten na om gemeenschap te hebben met het lichaam en bloed van Christus.
  4. Ze laten door hun daden merken dat ze niet voor een discipel van Christus gehouden willen worden.

144. Zullen we in het eeuwige leven nog met enkele sacramentele tekenen van het lichaam en bloed van Christus te maken hebben?

Nee, want we zijn dan bij Christus lichamelijk tegenwoordig. De sacramenten hebben afgedaan als de kerk van Christus zelf lichamelijk bij Hem tegenwoordig is en langs de weg van het geloof zo ver gebracht mag zijn om Hem zelf van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen.

145. Welke dingen zijn in strijd met de leer van het Heilig Avondmaal?

  1. De dwaling van hen die alleen water drinken, en onder het voorwendsel van matigheid geen wijn drinken uit de beker des Heren maar water.
  2. De dwaling van de roomsgezinden die het Avondmaal des Heren verschrikkelijk ontheiligd hebben en ook niet met de naam die het draagt tevreden zijn.
    1. Ze hebben het woord “mis” ontleend aan de afgodendienst van de heidense godin Isis.
    2. Ze hebben het verzinsel verspreid dat Jakobus, de broeder van de Here, de mis heeft bediend zoals ze het nu nog doen.
    3. Ze pronken de mis op als een opgepoetste publieke vrouw om des te meer liefhebbers te verleiden met goud, zilver en kostbare edelstenen.
    4. Ze gebruiken daarvoor op een afgodische manier juist ongezuurd brood.
    5. Ze vermengen de wijn met water, omdat ze dat nodig vinden.
    6. Ze wijzigen de woorden van het Avondmaal “in Efezische woorden”, of ze spreken ze met zo’n wijding en zalving uit dat het geen verschil maakt met toverbezweringen.
    7. Ze prevelen de woorden van het sacrament stilletjes voor henzelf en slaan een kruis over de elementen van het sacrament, terwijl ze met de rug naar de kerkgangers staan met het doel dat de mensen het des te meer zullen vereren.
    8. Ze baseren hun mening over de consecratie alleen op deze vijf woorden: “Want dit is mijn lichaam” en ‘Dit is mijn bloed”.
    9. Ze beweren dat de uitwendige tekenen [van brood en wijn] verdwijnen en veranderen in het wezenlijke lichaam en bloed van Christus; oftewel dat het lichaam van Christus door de kracht van de consecratie door de priester in de plaats komt van het wezenlijke brood. Maar deze beweringen blijven in de lucht hangen zonder enig bewijs. En zo komen ze tot het verzinsel dat de mispriester Christus lichamelijk in zijn hand heeft.
    10. Ze hebben het breken van het brood afgeschaft door hun ronde broodgodjes waar het crucifixteken op afgedrukt is om het bijgeloof in het hart van de mensen mee te voeden. Ze hebben alleen nog een flauw overblijfsel van het breken behouden als de priester de mis bedient.
    11. Ze beweren dat de mispriesters de ‘schepper’ zijn van onze Schepper. Daardoor is de mening ontstaan die men in hun boeken kan lezen: “Het brood wordt vlees, en het element wordt God.” Nog zo iets: “Die mij geschapen heeft, vergunt mij dat ik Hem schep.” En ook: “Die mij geschapen heeft zonder mij, wordt nu geschapen door mij.” Zo stellen ze zich boven de maagd Maria, want zij heeft Christus maar één keer ontvangen en gebaard, maar deze lieden kunnen Hem ‘scheppen’ zoveel als ze willen.
    12. Ze veranderen het sacrament van het Avondmaal, dat ze de mis noemen, voor hun eigen bestwil in een werkelijk niet-bloedig offer dat verzoening biedt voor levenden en voor doden, als men althans voor hen een mis houdt.
    13. Ze beweren eveneens dat dit offer ook aan anderen wordt geschonken vanwege het gedane werk.
    14. Ze stellen dat het offer van de mis er voor zorgt dat niet alleen levenden verlost worden van zonden, straffen en andere moeiten, maar ook verdienste hebben om de gestorvenen uit het door hen verzonnen vagevuur te verlossen.
    15. Ze verzinnen dat de mispriester Christus aan de God de Vader offert, en zo stellen ze hem als een middelaar tussen Christus en de Vader. Hierdoor wordt het offer van Christus aan het kruis geheel en al tenietgedaan, zijn eeuwig priesterschap verloochend, de verdienste van zijn dood verduisterd en Christus opnieuw gekruisigd.137) Ze beweren dat zoals het paaslam moest geofferd worden, zo ook Christus in de mis geofferd wordt – terwijl Hij toch voor éénmaal en altijd aan het kruis werd geofferd.138) De profeet Maleachi heeft in hoofdstuk met woorden ontleend aan de levitische eredienst – zoals “reukwerk” en “rein spijsoffer” – die onder het Oude Testament gebruikt werden, als profeet in algemene zin gesproken over de redelijke, geestelijke en inwendige eredienst oftewel over de geestelijke offers van de gemeente onder het Nieuwe Testament die God behagen. De profeet zegt in : “Allerwege wordt mijn naam reukwerk gebracht en een rein spijsoffer”, maar deze woorden wenden ze aan op een manier die helemaal tegen de bedoeling van de profeet ingaan. Ze laten die woorden namelijk slaan op het – volgens hen – daadwerkelijke en voor allen zichtbare offer van het lichaam van Christus in het Avondmaal. De apostel spreekt in Hebreeën 5:11 Want elke hogepriester, die uit de mensen genomen wordt, treedt voor de mensen op bij God, om gaven en offers te brengen voor de zonden. over de levitische priesters, en spreekt dan in de tegenwoordige tijd: “Want elke hogepriester, die uit de mensen genomen wordt, treedt voor de mensen op bij God, om gaven en offers te brengen voor de zonden.” Deze woorden laten ze op een heel onverstandige en onterechte manier slaan op de dienaars van het evangelie. Ze houden het erop dat Melchizedek, de priester van de Allerhoogste en een voorafbeelding van Christus, aan God brood en wijn als een offer heeft gebracht. Vandaaruit kunnen ze beweren dat het priesterschap van Christus bestaat in het offer van brood en wijn. Melchizedek heeft dat brood en die wijn echter als een gulhartige koning geschonken met allerlei andere etenswaren om Abraham en zijn dienaren die vermoeid van hun krijgstocht terugkeerden, daarmee te dienen en te onthalen. Op deze manier heeft hij Abraham en zijn mannen veel geluk willen toewensen vanwege de behaalde overwinning. Daarbij heeft hij als een priester hen ook gezegend en tienden van Abraham ontvangen; zie Genesis 14:19-2019 En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde, 20 en geprezen zij God, de Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd. En hij gaf hem van alles de tienden.. De roomsen vatten het zo op dat Christus een Priester is naar de ordening van Melchizedek, maar dan vooral vanwege het dagelijkse offer dat aan God geofferd wordt in de vorm van brood en wijn. Dat is echter een misvatting, want als de apostel Christus met Melchizedek vergelijkt139) daar in het geheel niet over spreekt. Het gaat erom dat Melchizedek vér boven alle levitische priesters uitstak en ook “eeuwig” was en die ook geen priesters ná hem had. Mozes zegt van hem dat was “zonder vader, zonder moeder, en zonder geslachtsrekening”. Het is alsof hij snel uit de hemel was neergedaald en direct daarna weer was opgevaren, omdat er niet over voorouders en ook niet over zijn dood wordt gesproken. Bovendien heeft het offer van Jezus dat Hij eenmaal aan het kruis heeft gebracht, eeuwigdurende kracht; zie Hebreeën 7:33 zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos. en 24.
    16. Bovendien onthouden ze op een godslasterlijke manier aan de leken het tweede onderdeel van het Avondmaal, namelijk de beker, hoewel het concilie van Constanz stelt dat dit ingaat tegen de instelling van Christus en de gewoonte in de vroegchristelijke kerk.
    17. Ze willen dat de zaken die Christus toch echt wel van elkaar heeft onderscheiden, vanwege de door hen verzonnen gelijktijdigheid en natuurlijke eenheid tot één teken zullen zijn.
    18. Ze heffen het brood dat ze op een magische manier hebben gewijd, omhoog, draaien het om en om, en aanbidden het als God, waarna ze deze god direct opeten; en daarbij denken ze niet aan de woorden die zelfs door een heiden als Cicero gezegd zijn: “Denkt u dat er iemand zo dwaas is, die denkt dat wat hij eet, god is?”
    19. Ze gaan er geheel ten onrechte van uit dat het lichaam van Christus en het onze heel anders is, als ze beweren dat het lichaam van Christus direct weer in de hemel wordt opgenomen, zodra wij onze tanden zetten in de ouwel.
    20. Ze laten de gemeenschap van velen achterwege en stellen daarvoor in de plaats het eten door één persoon die daar in een hoek van de kerk zijn eigen maaltijd aan het gebruiken is. Ze beweren daarom het goed is dat ook wanneer er helemaal geen gemeenteleden zijn en zelfs niemand van de geestelijken aanwezig is, toch de mis gehouden wordt. Ze zeggen ook dat er elke dag in een kerk of kapel veel missen op veel plaatsen gelijktijdig moeten worden gehouden om Christus daar op hun manier te offeren; en dan deelt de priester aan niemand het brood dan alleen aan zichzelf. Dan is het alsof iemand zichzelf doopt en zegt dat dit goed is voor anderen die niet gedoopt worden!
    21. Ze bieden de mis als het ware te koop aan op zoals een openlijke hoer in een bordeel dat doet.
    22. Ze doen dat in kleding die aan het toneel herinnert, met gebaren als die van een goochelaar, met uitroepen, gemompel, gefluister, gezucht en gezang en dergelijke fratsen alsof ze Bacchus eren – zonder te prediken of de dood des Heren te verkondigen, zoals Paulus voorhoudt om te doen.
    23. Ze denken dat ze door het horen en vooral door het zien van de mis tegenover God gewapend zijn en daardoor als met een tegengif bevrijd worden van elke nood en elk gevaar.
    24. Ze beweren ook dat men aan de gewone leken in de gemeente het sacrament maar één keer per jaar hoeft uit te delen.
    25. Ze beweren ook dat de oorbiecht nodig is voor hen die het sacrament zullen ontvangen.
    26. Ze bedienen de mis in een vreemde en onbekende taal.
    27. Bij het bedienen van de mis roepen ze ook heiligen aan, waarbij ze tegelijk ook hun verzonnen en ingebeelde verdiensten opsommen.
    28. Ze houden een mis ter ere van de heiligen, zodat zij voor hen tot God zullen bidden, waardoor de gedachtenis aan Christus en Zijn voorbede verduisterd en zelfs verworpen wordt.
    29. Ze denken dat het gebruik van het Avondmaal beslist nodig is voor hen die op sterven liggen.
    30. Ze gebruiken het gewijde brood om branden te blussen en het onweer te doen ophouden.
    31. Ze sluiten dat vol bijgeloof op in kastjes of kelkvormige vaten waarin de hostie bewaard wordt.
    32. Ze steken er ter ere kaarsen voor aan.
    33. Bij gelegenheden dat ze daar genoegen in hebben, dragen ze de hostie in een processie met zich mee – zoals de Perzen dat vroeger met vuur deden – om door de mensen aanbeden te worden.
  3. De dwaling van hen die de consubstantiatie of mede-aanwezigheid van twee substanties verdedigen; deze dwaling kan naar letter en geest in het licht van de ware leer niet worden toegelaten.
    1. Zij willen de sacramentele manier van spreken letterlijk en niet in beeldende, figuurlijke zin uitleggen.
    2. Zij beweren dat het lichaam van Christus lichamelijk, als een zelfstandige, ruimtelijke en begrensde substantie op een wonderlijke en onuitsprekelijke manier door de hand van hem die het sacrament bedient, wordt aangeboden.
    3. Dat komt dan ook in de mond van mensen die God niet kennen.
    4. Maar Berengarius herriep dat weer, toen paus Nicolaus dat omschreef als heel goed kennen en daarbij beleed dat niet alleen het sacrament maar ook het werkelijke lichaam en bloed van onze Here Jezus Christus als een tastbare substantie in de handen van de priesters genomen en gebroken wordt en door de gelovigen met de tanden wordt vermalen.
    5. Zij leren dus ook dat het lichaam van Christus werkelijk op heel veel plaatsen op aarde, ja zelfs overal tegenwoordig is.
    6. Ze beweren dus dat het lichaam van Christus op veel verschillende manieren kan bestaan.
    7. Ze zijn van mening dat de gemeenschap plaatsvindt door een onderlinge en daadwerkelijke aanraking van verschillende substanties.
    8. Ze willen daarbij niet toestemmen dat het vlees en bloed van Christus alleen op een geestelijke manier aanwezig is.
    9. Ze houden het opheffen van het brood door de roomsen voor iets van middelmatige orde.
    10. Ze vermengen op een heel verkeerde manier twee manieren van eten, het ene waarbij concreet het brood gegeten wordt, en het andere waarbij het lichaam van Christus op een geestelijke manier wordt gegeten.
  4. De dwaling van hen die het breken van het brood tijdens het Avondmaal achterwege laten en in plaats daarvan aan iedere avondmaalganger een heel klein broodje of een rond dun koekje uitdelen. Zij houden zich dus niet langer aan de opdracht om de tekenen van het brood in de hand te geven en het met de hand daaruit te nemen.
  5. De dwaling van hen die nooit of maar zelden spreken over de sacramentele verandering van het brood en de wijn. Zij zijn van mening dat men alleen de verdienste van de gehoorzaamheid van Christus voor de betekende zaak in het Avondmaal des Heren moet houden, en denken dat in het Avondmaal alleen de gedachtenis aan de dood van Christus en zijn weldaden is ingesteld. Zij gaan er dus niet van uit dat wij door de gemeenschap in Christus ingelijfd worden.
  6. De dwaling van nog weer anderen:
    1. Zij ontkennen dat Christus in het Avondmaal tegenwoordig is.
    2. Ze houden de tekenen voor gewone elementen die ons hart niet krachtig aanspreken.
    3. Ze houden de sacramentele tekenen voor een gewone, normale uitbeelding die niet meer doen dan ons aansporen om zich de dood van Christus te herinneren en daaraan te denken.
    4. Ze houden deze heilige verborgen zaken dus alleen voor uiterlijke kenmerken waardoor de christenen zich van andere, niet-christelijke mensen onderscheiden.
  7. De dwaling van hen die de heilige handelingen [van het sacrament] zonder enige eerbied uitvoeren alsof het om heel gewone dagelijkse dingen gaat. Ze denken dat het hun vrij staat om het Avondmaal te gebruiken of zich daarvan te onthouden. Daarom gebruiken ze het ook maar heel zelden, omdat het niet in het minste een onderdeel is van hun godsdienstige praktijk – terwijl het door God juist zo ernstig aan ons wordt opgedragen.
  8. De dwaling van sommige mensen, die tegen de openlijke instelling door Christus zelf140) in, beweren dat het Avondmaal niet in de plaats gekomen is van het Pascha, maar van het manna [in de woestijn]. Dit manna is echter geen gewoon en blijvend sacrament geweest, en er lopen ook geen lijnen naar het Avondmaal. Er is namelijk in het manna geen teken dat wijst op de verdienste van Christus – en dat is toch het voornaamste waarover het in het Avondmaal gaat.
  9. De dwaling van een zekere liberale vrijdenker, de Nederlander Jodocus Harchius Montensis, die niet wil aannemen dat het gekruisigde lichaam van Christus zelf door ons genomen en gegeten wordt. Hij gaat ervanuit dat Christus twee soorten lichaam heeft: het natuurlijke lichaam dat Hij van Maria heeft aangenomen en nu in de hemel verheerlijkt is; en een geestelijk lichaam dat we in ons denken kunnen voorstellen, en dat door Gods kracht uit ontstaan is uit het brood en de wijn, en dus ook alleen met de ziel geproefd en gegeten moet worden. Deze man beeldt zich in dat dit lichaam dat dagelijks met de mond en met geloof genomen wordt, voedsel is voor het verborgen lichaam van Christus, dus voor alle gelovigen samen. Het is in zijn visie ook mogelijk dat er kracht uitgaat van het lichaam van Christus dat op een wondere en onuitsprekelijke manier in het brood komt en het lichaam van een christen voedt. Dit gaat in tegen de duidelijke woorden van Christus, dat “gegeven wordt” en dat “wordt uitgestort”. Deze woorden maken voldoende duidelijk dat het werkelijke lichaam van Christus en zijn werkelijke bloed zelf bedoeld worden, en dat die aan de gelovigen op een geestelijke manier worden geschonken.
1)
1 Korintiërs 11:20 – “Wanneer gij dan bijeenkomt, is dat niet het eten van de maaltijd des Heren”.
2)
Handelingen 20:7 – “En toen wij op de eerste dag der week samengekomen waren om brood te breken, hield Paulus een toespraak tot hen en, daar hij van plan was de volgende dag te vertrekken, zette hij zijn rede voort tot middernacht.”
3) , 84)
1 Korintiërs 10:16 – “Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?”
4)
1 Korintiërs 10:21 – “Gij kunt niet de beker des Heren drinken èn de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten.”
5) , 126)
1 Korintiërs 11:20,21 – “Wanneer gij dan bijeenkomt, is dat niet het eten van de maaltijd des Heren; want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de een hongerig is en de ander dronken.”
6)
Judas 1:12 – “Dezen zijn de schandvlekken bij uw liefdemalen, zij, die zonder schroom tezamen feesten om zichzelf te weiden; wolken, die geen water geven, daar zij door winden voorbijgejaagd worden; bomen, die in de late herfst geen vrucht geven; tweemaal gestorven zijn zij en ontworteld”.
7)
1 Petrus 2:17 – “Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer.” 1 Petrus 5:9 – “Wederstaat hem, vast in het geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten.”
8)
Deuteronomium 16:10 – “Dan zult gij het feest der weken vieren ter ere van de Here, uw God, naar de mate van de gaven, die gij vrijwillig geven zult, naar dat de Here, uw God, u gezegend heeft”.
9)
Zie Lib. 4 contra Marcionem.
10)
1 Korintiërs 11:23 – “Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam”. e.v.
11)
Matteüs 26:26 – “En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam.” Marcus 14:22 – “En terwijl zij aten, nam Hij een brood, sprak de zegen uit, brak het, gaf het hun en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam.” Lucas 22:13 – “En zij gingen heen en vonden het zoals Hij hun gezegd had, en zij maakten het Pascha gereed.”
12)
1 Korintiërs 11:23 – “Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam”.
13)
Daniël 9:24-27 – “Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven. Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is. En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.” Matteüs 11:13 – “Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe”. Galaten 3:24 – “De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden.”
14)
Galaten 4:4,5 – “Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen.”
15)
1 Korintiërs 3:9 – “Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.” en Matteüs 28:19 – “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.”
16)
Matteüs 28:20 – “En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.”
17)
Johannes 16:7 – “Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden.”
18)
Matteüs 26:26 – “En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam.” Lucas 12:14 – “Hij echter zeide tot hem: Mens, wie heeft Mij tot rechter of scheidsman over u aangesteld?” 1 Korintiërs 11:23 – “Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam”.
19)
Matteüs 26:20 – “Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf [discipelen].” Marcus 14:18 – “En terwijl zij aanlagen en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal; een die met Mij eet.” Lucas 22:14 – “En toen het uur aangebroken was, ging Hij aanliggen en de apostelen met Hem.”
20)
Galaten 1:9 – “Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, zeg ik thans nog eens: indien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt!” 1 Korintiërs 11:25 – “Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis.”
21)
Achtste preek over 1 Korintiërs 111 Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg. 2 Ik prijs het in u, dat gij in alles aan mij gedachtig blijft en aan de overleveringen zó vasthoudt, als ik ze u overgegeven heb. 3 Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God. 4 Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn hoofd schande aan. 5 Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. 6 Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken. 7 Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. 8 Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. 9 De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 10 Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen. 11 En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. 12 Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God. 13 Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekten hoofde tot God bidt? 14 Leert de natuur zelf u niet, dat, indien een man lang haar draagt, dit een schande voor hem is, 15 doch dat, indien een vrouw lang haar draagt, dit een eer voor haar is? Immers, het haar is haar tot een sluier gegeven. 16 Maar, indien het er iemand om te doen is gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods. 17 Nu ik dit voorschrijf, moet ik er (tevens mijn) afkeuring over uitspreken, dat uw samenkomsten niet tot zegen, maar tot schade zijn. 18 Want vooreerst is er, naar ik hoor, wanneer gij als gemeente samenkomt, verdeeldheid onder u, en ten dele geloof ik dit. 19 Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan. 20 Wanneer gij dan bijeenkomt, is dat niet het eten van de maaltijd des Heren; 21 want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de een hongerig is en de ander dronken. 22 Hebt gij dan geen huizen om te eten en te drinken? Of minacht gij (zózeer) de gemeente Gods, dat gij de behoeftigen beschaamd maakt? Wat zal ik tot u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik niet. 23 Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, 24 de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. 25 Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. 26 Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt. 27 Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren. 28 Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker. 29 Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. 30 Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen. 31 Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen. 32 Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden. 33 Daarom, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, wacht op elkander. 34 Heeft iemand honger, laat hij thuis eten, opdat gij niet tot uw oordeel bijeenkomt. Het overige zal ik regelen, wanneer ik kom..
22)
In de zeventiende preek over 2 Korintiërs.
23)
Matteüs 26:17 – “Op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: Waar wilt Gij, dat wij toebereidselen maken voor U om het Pascha te eten?”
24)
Exodus 12:15 – “Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten; dadelijk op de eerste dag zult gij het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, zo iemand zal uit Israël worden uitgeroeid.”
25) , 32) , 33)
Psalm 104:15 – “En wijn, die het hart des mensen verheugt, het aangezicht doende glanzen van olie; ja, brood, dat het hart des mensen versterkt.”
26)
Theodor. Dialog. 1.
27) , 60)
1 Korintiërs 10:4 – “En allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus.”
28)
Johannes 19:34 – “Maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.”
29)
*Ambrosius. De sacramentis. Lib. 5, cap. 1.
30)
1 Korintiërs 11:21 – “Want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de een hongerig is en de ander dronken.”
31)
Lib. 18, cap. 53.
34)
Johannes 6:11 – “Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten.” 2 Timoteüs 4:5 – “Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle.”
35)
Lucas 1:42 – “En zij riep uit met luider stem en sprak: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.”
36)
Boek 7, brief 63.
37)
Apolog. 2, boek 1.
38)
Brief 1, boek 4, hoofdstuk 57.
39)
Lib. 4. de Sacramentis, cap. 6.
40)
Johannes 19:36 – “Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden: Geen been van Hem zal verbrijzeld worden.” Exodus 12:46 – “In één huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niets uit het huis naar buiten brengen; geen been zult gij ervan breken.”
41)
Handelingen 2:42 – “En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.”
42)
Galaten 3:1 – “O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, wie Jezus Christus toch als gekruisigde voor de ogen geschilderd is?”
43)
Hebreeën 7:24 – “Doch Híj heeft, juist doordat Hij in eeuwigheid blijft, een priesterschap, dat op geen ander kan overgaan.”
44)
Jesaja 56:7 – “Hen zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken.” Jesaja 61:6 – “Maar gij zult priesters des Heren heten, dienaars van onze God genoemd worden; gij zult het vermogen der volken genieten en u op hun heerlijkheid beroemen.” Jesaja 66:20 – “En zij zullen al uw broeders brengen uit alle volken als een offer voor de Here; op paarden en op wagens, op draagstoelen; op muildieren en op snelle kamelen, naar mijn heilige berg, naar Jeruzalem, zegt de Here, zoals de Israëlieten het offer in rein vaatwerk naar het huis des Heren brengen.”
45)
Hebreeën 13:16 – “En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen.”
46)
Dist. 2. Lib. 4. Senten.
47)
Hebreeën 5:14 – “Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad.”
48)
Jona 4:11 – “Zou Ik dan Nineve niet sparen, de grote stad, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee?”
49)
Tractaat 36 over Johannes.
50)
Johannes 6:33 – “Want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft.”
52)
In Tract. 26 en 27. In Johannes.
53)
Johannes 6:51-57 – “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld. De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven? Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij.” 1 Korintiërs 5:8 – “Laten wij derhalve feest vieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid.”
54)
Johannes 6:62 – “Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was?”
55)
De doctr. Christian. lib. 3. cap. 16.
56)
Epist. 102.
57)
Johannes 14:8,16,17 – “Filippus zeide tot Hem: Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. (...) En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.”
58)
Hebreeën 7:26 – “Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven”.
59)
Leviticus 17:10 – “Ieder van het huis Israëls en van de vreemdelingen, die in hun midden vertoeven, die enig bloed eet - tegen zo iemand, die dat bloed gegeten heeft, zal Ik mijn aangezicht keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien.”
61)
In Epist. ad Hedibiam.
62)
Exodus 4:3 – “Daarop zeide Hij: Werp die op de grond. En toen hij die op de grond geworpen had, werd hij een slang, zodat Mozes ervoor wegvluchtte.”
63)
In Lib. de Coem.
64)
Matteüs 24:24 – “Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden.”
65)
2 Tessalonicenzen 2:9 – “Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen”.
67)
In Dialog. 3.
68)
Titus 1:2 – “In de hoop des eeuwigen levens, dat God, die niet liegt, vóór eeuwige tijden beloofd heeft, terwijl Hij te zijner tijd zijn woord heeft openbaar gemaakt in de verkondiging”. Hebreeën 6:18 – “Opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die (tot Hem de) toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt.”
69)
In Dialog. 3.
70)
Matteüs 3:9 – “En beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken.”
71)
In Lib. de trin. 5.
72)
Lucas 24:39 – “Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb.”
73)
Lucas 24:16 – “Maar hun ogen waren bevangen, zodat zij Hem niet herkenden.” Johannes 20:15 – “Jezus zeide tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij? Zij meende, dat het de hovenier was, en zeide tot Hem: Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen.”
74)
In boek 6, hoofdstuk 6.
76) , 83) , 97) , 135)
77)
In Epist. in Ioan. tract. 1.
78)
In Dialog. 2, pag. 19.
79)
In Lib. 2. cap. 15.
80)
Contra Adimantum, cap. 12.
81)
Matteüs 28:18-20 – “En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op [de] aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.”
82)
Handelingen 1:11 – “Die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen.”
85)
Johannes 1:4 – “In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen”.
86)
Johannes 6:51 – “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.”
87)
1 Korintiërs 10:15 – “Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeelt dan zelf, wat ik zeg.” e.v.
88)
1 Johannes 5:11 – “En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon.”
89)
Hebreeën 3:14 – “Want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin van onze verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden.”
90)
Lucas 22:19 – “En Hij nam een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis.” 1 Korintiërs 11:24-25 – “De dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis.”
91)
2 Korintiërs 5:6-7 – “Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn - want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen”.
92)
Psalm 50:14 – “Offer Gode lof en betaal de Allerhoogste uw geloften”.
93)
Kolossenzen 3:1 – “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods.”
94)
Exodus 29:24-27 – “Gij zult alles op de handen van Aäron en op die van zijn zonen leggen en gij zult dat bewegen als een beweegoffer voor het aangezicht des Heren. Daarna zult gij het van hen aannemen en op het altaar op het brandoffer in rook doen opgaan tot een liefelijke reuk voor het aangezicht des Heren; het is een vuuroffer voor de Here. Vervolgens zult gij de borst van de ram ter inwijding voor Aäron nemen en die bewegen als een beweegoffer voor het aangezicht des Heren, en zij zal u ten deel vallen. Zo zult gij de beweegborst heiligen en de hefschenkel, die bewogen en geheven zijn van de ram der inwijding, die zowel voor Aäron als voor zijn zonen is.” Leviticus 10:15 – “De hefschenkel en de beweegborst zullen zij brengen bij de vuuroffers van de vetstukken, om die als een beweegoffer te bewegen voor het aangezicht des Heren. En het zal voor u en uw kinderen tot een altoosdurende inzetting zijn, zoals de Here geboden heeft.”
95)
1 Johannes 1:6 – “Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet”.
96)
Johannes 1:14 – “Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.” Hebreeën 2:14-16 – “Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren. Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham.”
98)
2 Korintiërs 6:6 – “In reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de heilige Geest, in ongeveinsde liefde”. Johannes 6:56 – “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.”
99)
Johannes 6:16 – “En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaüm.” Galaten 2:20 – “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.”
100)
1 Korintiërs 6:15 – “Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan leden van Christus wegnemen om er leden ener hoer van te maken? Volstrekt niet!”
101)
Filippenzen 3:12 – “Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben.”
102)
Filippenzen 1:5 – “Wegens uw deelhebben aan de prediking van het evangelie, van de eerste dag af tot nu toe.”
103)
Johannes 15:6 – “Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand.”
104)
Romeinen 8:32 – “Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?”
105)
Genesis 3:15 – “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.” Deuteronomium 18:15 – “Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken; naar hem zult gij luisteren.”
106)
Leviticus 16:2-13 – “De Here nu zeide tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te allen tijde kome in het heiligdom binnen het voorhangsel voor het verzoendeksel dat op de ark ligt, opdat hij niet sterve; want in de wolk verschijn Ik boven het verzoendeksel. Slechts op deze wijze zal Aäron het heiligdom binnengaan: met een jonge stier ten zondoffer en een ram ten brandoffer. Het heilige linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn en met een linnen gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal hij zich ombinden; dit zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij zijn lichaam in water gebaad heeft. En van de vergadering der Israëlieten zal hij twee geitebokken ten zondoffer en één ram ten brandoffer nemen. Dan zal Aäron de stier van zijn eigen zondoffer brengen en verzoening doen voor zich en zijn huis. Hij zal de twee bokken nemen en ze voor het aangezicht des Heren stellen bij de ingang van de tent der samenkomst, en Aäron zal over de beide bokken het lot werpen; één lot voor de Here, en één lot voor Azazel. Dan zal Aäron de bok waarop het lot voor de Here gevallen is, brengen en hem ten zondoffer bereiden. Maar de bok waarop het lot voor Azazel gevallen is, zal men levend voor het aangezicht des Heren stellen, om daarmee verzoening te doen, door hem voor Azazel de woestijn in te zenden. Dan zal Aäron de stier van zijn eigen zondoffer brengen en verzoening doen voor zich en zijn huis; hij zal de stier van zijn eigen zondoffer slachten. En hij zal een pan vol gloeiende kolen van het altaar voor het aangezicht des Heren nemen en zijn handen vullen met fijngestoten welriekend reukwerk en dat alles brengen binnen het voorhangsel. Dan zal hij het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht des Heren, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel dat op de getuigenis ligt, bedekt, opdat hij niet sterve.” Hebreeën 6:19 – “Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel”. Hebreeën 10:20 – “Langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees”.
107)
Lib. de recta fide ad Reginas.
108)
Handelingen 20:28 – “Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft.”
109)
Epist. 3 ad Voluasinum.
110)
Jakobus 2:19 – “Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wèl, (maar) dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen.”
111)
Hebreeën 11:1 – “Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.” Johannes 8:56 – “Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd.” Filippenzen 3:20 – “Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten”.
112)
Hebreeën 6:19 – “Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel”.
113)
Psalm 45:10-11 – “Koningsdochters zijn onder uw geliefden; de gemalin staat aan uw rechterhand in goud van Ofir. Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor, vergeet uw volk en het huis van uw vader”. Hooglied 1:8 – “Indien gij het niet weet, o, gij schoonste onder de vrouwen, volg dan de sporen der schapen, en weid uw geiten bij de verblijven der herders.” 2 Korintiërs 11:2 – “Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen.” Openbaring 21:2 – “En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is.”
114)
1 Korintiërs 6:19 – “Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?”
115)
1 Korintiërs 3:16 – “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont?” 1 Petrus 2:4-5 – “En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.”
116)
Johannes 6:52 – “De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven?”
117)
Hebreeën 7:22 – “In zoverre is Jezus ook van een beter verbond borg geworden.”
118)
1 Korintiërs 12:11 – “Doch dit alles werkt één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil.”
119)
1 Korintiërs 6:17 – “Maar die zich aan de Here hecht, is één geest (met Hem).”
120)
Handelingen 4:31 – “En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.”
121)
Romeinen 6:4,5,11 – “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; (...) Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.” Openbaring 20:5,6 – “De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding. Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, [die] duizend jaren.”
122)
Openbaring 20:6 – “Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, [die] duizend jaren.”
123)
Openbaring 20:13 – “En de zee gaf de doden, die in haar waren, en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken.”
124)
Matteüs 26:30 – “En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg.”
125)
In zijn tweede apologie.
127)
1 Korintiërs 10:17 – “Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood.”
128)
In Eccl. hist. lib. 5. cap. 29
129)
In brief 3, boek 2.
130)
Kolossenzen 1:10 – “Om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God.”
131)
Daniël 9:7 – “Bij U, Here, is de gerechtigheid, maar bij ons een beschaamd gelaat, gelijk heden ten dage, bij de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem en bij geheel Israël, bij hen die dichtbij en die veraf wonen in al de landen waarheen Gij hen hebt verstoten om de ontrouw die zij jegens U hebben gepleegd.”
132)
Matteüs 5:6 – “Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.”
133)
Hebreeën 10:29 – “Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal híj verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft?”
134)
Genesis 14:19 – “En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde”. e.v.
136)
In het Tract. in Johannes 25..
137)
Hebreeën 5:6 – “Zoals Hij ook op een andere plaats spreekt: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek.” Hebreeën 7:24 – “Doch Híj heeft, juist doordat Hij in eeuwigheid blijft, een priesterschap, dat op geen ander kan overgaan.” Hebreeën 9:12 – “En dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.” Hebreeën 10:12 – “Deze echter is, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God”. Matteüs 26:28 – “Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.”
138)
1 Korintiërs 5:7 – “Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus.”
139)
Hebreeën 7:3 – “Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos.”
140)
Lucas 22:19 – “En Hij nam een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis.”


Paginahulpmiddelen