Het woord missa, mis, vindt men nergens in de Schrift genoemd als aanduiding voor het Avondmaal des Heren, en het is in de apostolische kerk ook niet bekend geweest. Sommigen zeggen dat het afgeleid is van het Hebreeuwse woord missath, dat een ‘gave’ of een ‘heffing’ betekent.8) Maar deze afleiding is niet waarschijnlijk, omdat de Hebreeuwse woorden niet tot de Latijns sprekende kerken zijn doorgedrongen dan alleen via het Grieks. Men leest echter nergens dat de Griekse kerkvaders dit woord gebruikt hebben. De kerk in Griekenland heeft het Avondmaal des Heren echter wel een leitourgian, dat wil zeggen een heilige bediening, genoemd. In de Handelingen van de apostelen wordt immers in hoofdstuk 13:22 En terwijl zij vastten bij de dienst des Heren, zeide de heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. gezegd: “terwijl zij de Heere dienden” (HSV), oftewel: toen zij de dienst deden. Anderen zeggen – en dat stemt ook het meest met de waarheid overeen – dat het woord missio, afgeleid van mittere (laten gaan, ontslaan, verlaten) is gebruikt omdat de oude kerkvaders zoals TertullianusTertullianus (ca. 160-230) staat bekend als een van de grootste 'kerkvaders'. Hij heeft vele belangrijke geschriften nagelaten, waaronder met name strijdschriften tegen heidenen en joden, alsook tegen ketters. Hij was een fel bestrijder van het gnosticisme en legde steeds de nadruk op de feitelijkheid van het christelijk geloof. zeiden: remissa peccatorum, in plaats van remissio peccatorum, dat in beide gevallen de vergeving van de zonden betekent.9) Zo hebben ze ook missa gezegd in plaats van missio; en daaruit is de manier van spreken ontstaan Ite, missa est, dat wil zeggen: Ga, de dienst is gedaan; of: Het volk heb ik laten gaan. Het is zoals in vroeger tijd de Romeinen zeiden als de offers waren gebracht: I, licet, missa est; dat wil zeggen: Het staat u vrij om te gaan, het is gebeurd. En zoals de priester bij de Grieken in vroeger tijd zei als de offers waren gebracht: Laois aphesis, alsof hij afscheid nam van het volk en hen verliet. Zie hiervoor Apuloeus, lib. II. Metamorph. Anderen echter zeggen dat het woord missa dezelfde betekenis heeft als transmissa, namelijk een zending van het offer door de priester tot God.
Maar de roomsen hebben de mis – maar dat is een verzinsel – een offer genoemd dat in het bijzonder voor de priesters is tot vergeving van de zonden; en dat geldt dan zowel de levenden als de doden. Dit staat echter heel ver van het Avondmaal des Heren, zoals Christus het Zelf heeft ingesteld. De mis is dus beladen met verschrikkelijke afgoderij – en daarom is het beklagenswaardig dat het Heilig Avondmaal onteerd wordt door de naam ‘mis’. Bovendien is het ook niet toegestaan om dit het sacrament van het altaar te noemen.
Het is het tweede sacrament dat het Evangelie aanwijst en door Christus– Die direct daarna zou sterven – ingesteld is voor volwassen mensen die gedoopt zijn en zichzelf kunnen beproeven. Door het breken van het brood en het uitgieten van de wijn in de beker wordt het kruisigen van het lichaam van Christus en het uitstorten van Zijn bloed voor ons uitgebeeld en de gelovigen als het ware voor ogen gesteld. Door het geven, het aannemen en proeven van het brood en de wijn wordt de vergeving van onze zonden, die Christus door Zijn dood voor ons verworven heeft, ons voor ogen gesteld, bevestigd, voor de gelovigen verzegeld en de gedachtenis van deze grote weldaden levend gehouden. Het Avondmaal is een uitbeelding van het in geestelijke zin nemen en genieten van het lichaam en het bloed van Christus; en zo beeldt het ook de gemeenschap met Christus, het gevoed worden door Hem en de gemeenschap met Zijn andere lidmaten uit. God wordt hierdoor ook gedankt, en aan de gelovigen wordt de opdracht gegeven om het sacrament vaak te gebruiken, opdat de gelovigen in geloof en liefde toenemen en versterkt worden.
Zoals wij door de Heilige Doop herboren worden, zo worden wij door het Avondmaal – nu we herboren zijn – gevoed, en dat is een voeding in Christus tot het eeuwige leven. We weten dat de Doop maar één keer bediend wordt, maar het Avondmaal moet dikwijls gebruikt worden, omdat Christus ons daarin door het genieten van het voedsel gegeven wordt. Het voedsel en de drank die Hij geeft, moeten we in dit leven dikwijls gebruiken, omdat we daardoor gevoed worden. Het model of voorbeeld van deze omschrijving van het sacrament is de geschiedenis van het eerste Avondmaal des Heren, die door Paulus10) en de andere evangelisten11) meegedeeld en uitgelegd wordt.
Dat is de Heere Zelf; Hij alleen is de testament-maker van het Nieuwe Testament en Hij heeft het verbond der genade ingesteld. Hij is God, onze Verlosser, in Wie alleen het de Vader behaagd heeft alles onder één hoofd samen te vatten (Efeziërs 1:1010 om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten.). Hij is de weg, de waarheid en het leven (Johannes 14:66 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.), de Hogepriester (Hebreeën 3:11 Daarom, heilige broeders, deelgenoten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus.), en de eeuwige Koning van Zijn gemeente (Psalm 2:66 Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg.). Alleen van Hem heeft de Vader vanuit de hemel geroepen: “Hoort naar Hem” (Matteüs 17:55 Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!). Hij is het ook door Wie het de naam “het avondmaal des Heren” heeft gekregen. Dit sacrament behoort dan ook door de dienaars van het Evangelie getrouw onderwezen en eerbiedig bediend te worden. Het mag niet worden veranderd, niet door er iets aan toe te doen of er iets aan af te doen, en ook niet door er iets aan te wijzigen. In 1 Korintiërs 11:2323 Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam. zegt Paulus immers: “Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb”. In Galaten 1:1212 Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus. zegt hij: “Ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.” Die openbaring ontving hij wellicht, toen hij in het paradijs oftewel in de derde hemel werd opgenomen. Dat betekent overigens niet dat hij allerlei ook niet gekregen kan hebben van anderen, zoals bijvoorbeeld Ananias of van andere discipelen, die ze van Christus zelf gehoord en gezien hebben, en wellicht ook van [zijn mededienaar] Lukas zelf.
Het Avondmaal des Heren werd ingesteld in het jaar 3995, in het jaar 33 na Christus’ geboorte, op donderdag 24 maart in de avonduren, toen het al heel laat was, en nadat Hij door Judas aan de Joden verraden werd.12) Dat gebeurde om verschillende redenen.
Ja, zeker wel, want ten aanzien van de omstandigheden wat de tijd betreft, de manier van zitten of liggen, van kleden of van het aantal mensen dat ter tafel gaat, zijn er geen verborgen bepalingen. Het zijn evenmin wezenlijke elementen die tot het sacrament zelf behoren, en ze zijn ook niet uitdrukkelijk door God geboden. Christus heeft immers niet gezegd om dit sacrament na het eten, of staand, of zittend of met een bepaald aantal mensen te houden. Hij heeft eerst het Pascha gevierd omdat Hij iets nieuws ná het oude wilde instellen.
Het Avondmaal kan heel gemakkelijk ’s ochtends worden gehouden, omdat men dan gemakkelijk met anderen kan samenkomen. Overdag heeft elk mens zijn eigen ding te doen waardoor hij wordt gehinderd om Gods instelling te handhaven. Een tweede reden is dat men dan het rustigst is en het verstand deze heel bijzondere dingen dan het best kan begrijpen.
In vroeger tijden hielden de gemeenteleden het Avondmaal des Heren echter vooral als ze vastten, en dat was in de avond of nacht; terwijl ze de hele dag met bidden en prediken doorbrachten en met het zingen van de lofzang. In de tijd van AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. werd het sacrament, zoals hijzelf vertelt, op de donderdag vóór het Paasfeest gehouden om daardoor des te beter Christus voor ogen te stellen; en dat deden ze dan ’s avonds laat of ’s nachts nadat ze de avondmaaltijd gebruikt hadden. Deze gewoonte is echter door het zesde concilie van Constantinopel afgeschaft.
Nee, zeker niet. Christus heeft namelijk de voeten van de discipelen niet gewassen, opdat ze dit juist zouden navolgen. Hij heeft hen hiermee wel uit hun hoofd willen halen wat zij droomden over het aardse rijk van de Messias, waarover ze aan het twisten waren; en Hij heeft hun een voorbeeld gegeven van werkelijke ootmoed. Op andere plaatsen zegt Christus ook tegen hen dat ze het stof van hun voeten moeten schudden, dat ze onderweg alleen een staf, maar geen brood, geen reiszak en geen geld mochten meenemen (Marcus 6:88 En Hij gebood hun niets mede te nemen voor onderweg, dan alleen een staf; geen brood, geen reiszak, geen geld in de gordel.), dat ze niemand moesten groeten die ze tegenkwamen, en dat ze hun hoofd moesten zalven als ze vastten. Dat zei Hij niet om dit precies naar de letter na te volgen, maar om de dingen in hun gedachten hierdoor op een hoger plan te krijgen en te begrijpen. Men leest ook niet dat de apostelen dit wassen van de voeten gedaan en het gebruik ervan in ere gehouden hebben. Dit wassen van de voeten was in de warme landen waar ze niet geschoeid waren zoals wij, ook meer het werk van vrouwen dan van mannen; zie 1 Timoteüs 5:99 Als weduwe kome in aanmerking iemand niet beneden de zestig jaren, die de vrouw geweest is van één man.. Een vreemde tekstverwijzing m.i.!!
Dat zijn alleen de dienaren van het Woord, die wettig geroepen zijn en aan wie de sleutels van de gemeente zijn gegeven. Ze zijn dat als ze hun ambt in de bediening van het Woord en van het Heilig Avondmaal in het uitreiken van brood en wijn wettig uitvoeren.15) “Niemand matigt zichzelf de waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron” (Hebreeën 5:44 En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron.). Maar de Zoon van God – Die tot onze zaligheid16) niet door Zijn lichamelijke17) maar door Zijn geestelijke tegenwoordigheid bij Zijn gemeente is – bedient het Zelf. Dat doet Hij zoals een hoogste tafelmeester dat doet door zijn dienaren. Hij geeft ons even werkelijk het brood en de wijn ten leven – dat is Hemzelf – om door het geloof te genieten, als Hij ons door de hand van Zijn dienaren de tekenen daarvan duidelijk geeft, namelijk het brood om gegeten en de wijn om gedronken te worden. Zie Johannes 6:5151 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.: “Het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.”
Het is niet ingesteld voor allen zonder enig onderscheid. In Matteüs 7:66 Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren. verbiedt Christus om het heilige voor de honden, dus voor de goddelozen, te gooien. Het is echter wel bedoeld voor degenen die uit water en Geest geboren zijn, dat wil zeggen: voor de discipelen van Christus18), want Hij heeft hun het voedsel van Zijn levendmakend vlees en bloed toegezegd en beloofd – en Hij geeft het hun ook alleen. Het sacrament komt ook degenen toe die deelhebben aan de belofte.
Daarom werd in vroeger tijden aan de ongelovigen en ook aan de catechisanten die nog niet gedoopt waren én aan hen die zich van het Avondmaal moesten onthouden en boete deden, de opdracht gegeven om na de preek weg te gaan. Dat gebeurde door een diaken die heel duidelijk riep: “Laten nu de catechisanten en degenen die onder de ban zijn, weggaan.” Hieruit is de term Missacatechumenorum ontstaan – dat wil zeggen: Laten de leerlingen nu gaan! Als de Grieken het Avondmaal gingen houden, zeiden ze luid en duidelijk: Hagia tois hagiou – dat wil zeggen: Het heilige komt de heiligen toe! Apuleus vertelt in Boek 2 dat als de priester begon te offeren hij altijd tegen de oude heidense Grieken zei: ’t is tede – wie is daar nog? Daarop antwoordde men hem: Kaloi k’agathoi – eerlijke en goede mensen. Dat gebeurde dus als de slechte, onreine en onwaardige mensen weggegaan waren.
Uit drie:
Nee, want elk teken afzonderlijk is geen sacrament, maar wel beide tekens bij elkaar. Ook bij ons is het toch één maaltijd en geen “dubbele”, hoewel er veel gerechten bestaande uit voedsel en drank worden opgediend. De twee tekenen [van brood en wijn] maken de éne daad van Christus voor ons duidelijk, namelijk heel onze geestelijke voeding. Niet alleen van wat ondeelbaar en aaneengevoegd is, wordt gezegd dat het één is, maar ook van iets wat volmaakt en volkomen is. Dus iets is één in volmaaktheid, waartoe alle dingen dan ook bijeenkomen die daarvoor vereist zijn. Zo is ook een mens één, hoewel hij bestaat uit wezenlijke onderdelen die tot dat menszijn behoren.
Zo is dan ook dit sacrament, hoewel het ten aanzien van de materie uit verschillende onderdelen bestaat, één in wezen en volkomen, in zover daardoor voeding en verzadiging plaatsvindt; aldus Thomas van AquinoDe Italiaan Thomas van Aquino (1225-1274) was een filosoof en theoloog, die voor de roomse kerk geldt als een van de belangrijkste kerkleraren. Zijn werk kwam vooral neer op een synthese tussen het christelijk geloof en de filosofie van Aristoteles. in deel 3, questio 73, artikel 20.
Degenen die tegen het nadrukkelijk bevel van Christus in de drinkbeker scheiden van het brood in het Avondmaal, laten dus de volkomenheid van dit sacrament los; en daarom geven zij ons slechts een halve genoegdoening in Christus voor onze zonden.
Ja, heel ernstig.
Er valt dan volgens hem aan verschillende dingen te denken: 1. de wijn kan gemakkelijk gemorst worden; 2. ze wordt ook niet zonder gevaar gedragen; 3. in de winter wordt de wijn gemakkelijk zijn geur en smaak, en hij wordt zuur; 4. ’s Zomers gaat wijn snel stinken en komen er veel wormen in; 5. daardoor gaan degenen die eruit drinken van walgen; 6. in sommige landen is wijn moeilijk te krijgen; 7. leken moeten bij het gebruik de beker aanraken; 8. sommige leken dragen baarden; 9 ook lijden sommigen van hen aan jicht of ze zijn verlamd; 10. de priesters zijn waardiger dan leken.
Het antwoord op deze bezwaren is: Nee. Daarvoor zijn de volgende redenen:
Om daarmee de verborgenheid aan te geven van één en hetzelfde lichaam; daarom krijgen allen die aangaan deel aan één brood.
Echt en gewoon brood, maar wel ongezuurd; allereerst vanwege het feit dat het de eerste dag was van de ongezuurde broden – de dag waarop Christus het Avondmaal heeft ingesteld, nadat Hij met Zijn discipelen het paaslam gegeten had.23) En ook omdat men zulk brood op de dagen dat het Pascha gevierd werd, moest eten; het was dan immers niet geoorloofd om dan gezuurd brood te eten.24) Als de apostel over het Heilig Avondmaal spreekt, noemt hij dat wat de Korintiërs aten, gewoonweg ‘brood’. Daarmee bedoelt hij ongetwijfeld gewoon brood – brood dat bij hen gebruikt werd en zoals de gemeente daar in Griekenland gebruikte.
Vanwege de overeenkomst die er is in de eigenschappen van het teken én in dat wat het betekent.
Christus heeft niet gekeken naar de kleur of de uitwendige vorm waarmee het vlees het beste het beeld van vlees weergeeft, maar Hij heeft gelet op de voedingskracht die méér voor brood geldt dan voor vlees, van welk schepsel dat ook is.
Geen wijn die gemengd is met water, die de Grieken in de Oudheid krama noemden en die ze gebruikten als iets heel gewoons.26) Dit is niet nodig voor het sacrament van het Heilig Avondmaal, omdat het water voor de Israëlieten die dorst hadden, uit de rots vloeide die op Christus wees.27) Er was ook water en bloed uit de zijde van de Here Jezus gevloeid28). In de eerste christelijke gemeenten ging het er soms wat te los aan toe als ze het Avondmaal gebruikten29), zodat ze bij de liefdesmaaltijden dronken werden.30) Men heeft toen de wijn met water gemengd, zodat de wijn die van zichzelf krachtig is, minder nadelige gevolgen zou hebben. Men deed dit ook wel om daarmee de vereniging van de gemeente met Christus aan te geven; het water was dan een aanduiding van de gemeente, zoals Cyprianus het uitlegt. En ten slotte gebeurde dit om de vereniging van de twee naturen van Christus uit te beelden, zoals Nycephorus zegt.31)
Deze bewijsvoeringen zijn echter niet voldoende om die beweringen vaste grond te geven. Het komen van water en bloed uit de zijde van Christus betekende, zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt, de twee sacramenten – de Doop en het Avondmaal. In de tweede plaats drinkt men tijdens het Avondmaal niet zo veel en ook niet zulke sterke wijn dat men daar dronken van kan worden. De vereniging die wij met Christus hebben, wordt bovendien ook op andere manieren duidelijk gemaakt.
Vanuit deze overwegingen kan men beter zeggen dat Christus ongemengde wijn heeft gebruikt, omdat de Schrift in het geheel niet spreekt over water dat met de wijn is gemengd en evenmin over rode of witte wijn. Er wordt alleen over de vrucht van de wijnstok gesproken; zie Matteüs 26:2929 Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders.: “Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders” Deze woorden voegen Matteüs en Marcus bij de woorden over de geestelijke drinkbeker, maar bij Lucas lijken ze op een andere plaats gezet te zijn; zie Lucas 22:1818 Want Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet van de vrucht van de wijnstok drinken, voordat het Koninkrijk Gods gekomen is. – zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt in Lib. 3 De consensu Euangelistarum, cap. 1. Men vindt ze overigens ook niet in de Syrische vertaling. Chrysostomos zegt in Homil. 83 over Matteüs 261 En het geschiedde, toen Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot zijn discipelen zeide: 2 Gij weet, dat het over twee dagen Paasfeest is, en alsdan wordt de Zoon des mensen overgeleverd om gekruisigd te worden. 3 Toen kwamen de overpriesters en de oudsten des volks bijeen in het paleis van de hogepriester, genaamd Kajafas, 4 en zij beraamden een plan om Jezus door list in handen te krijgen en te doden. 5 Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen opschudding ontsta onder het volk. 6 Toen Jezus te Betanië was, in het huis van Simon de melaatse, 7 kwam een vrouw tot Hem met een albasten kruik vol kostbare mirre en goot die uit over zijn hoofd, terwijl Hij aanlag. 8 Toen de discipelen dit zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe die verkwisting? 9 Want deze (mirre) had duur verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. 10 Maar Jezus merkte het op en zeide tot hen: Waarom valt gij deze vrouw lastig? Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht. 11 De armen hebt gij immers altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd. 12 Want toen zij deze mirre over mijn lichaam uitgoot, heeft zij dat gedaan om mijn begrafenis voor te bereiden. 13 Voorwaar, Ik zeg u, overal waar dit evangelie verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft. 14 Toen ging één van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters, 15 en hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. 16 En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren. 17 Op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: Waar wilt Gij, dat wij toebereidselen maken voor U om het Pascha te eten? 18 Hij zeide: Gaat naar de stad tot die-en-die en zegt tot hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; bij u houd Ik met mijn discipelen het Pascha. 19 En de discipelen deden, zoals Jezus hun had opgedragen, en zij maakten het Pascha gereed. 20 Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf [discipelen]. 21 En terwijl zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal. 22 En zeer bedroefd, begonnen zij, een voor een, tot Hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Here? 23 Hij antwoordde hun en zeide: Die zijn hand met Mij in de schotel heeft gedoopt, die zal Mij verraden. 24 De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. 25 Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was. Judas, zijn verrader, antwoordde en zeide: Ik ben het toch niet, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. 26 En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. 27 En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. 28 Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. 29 Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders. 30 En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg. 31 Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. 32 Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea. 33 Petrus antwoordde en zeide tot Hem: Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit! 34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. 35 Petrus zeide tot Hem: Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen. Zo spraken ook al de discipelen. 36 Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot de discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden. 37 En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mede en Hij begon bedroefd en beangst te worden. 38 Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij. 39 En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. 40 En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende, en Hij zeide tot Petrus: Waart gijlieden zo weinig bij machte één uur met Mij te waken? 41 Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. 42 Wederom, ten tweeden male, ging Hij heen en bad, zeggende: Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die drinke, uw wil geschiede! 43 En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren bezwaard. 44 En Hij liet hen daar en ging wederom heen en bad ten derden male, opnieuw dezelfde woorden sprekende. 45 Toen kwam Hij bij de discipelen en zeide tot hen: Slaapt nu maar en rust. Zie, de ure is nabijgekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. 46 Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij. 47 En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, één van de twaalven, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten des volks. 48 En die Hem overleverde had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem. 49 En terstond trad hij op Jezus toe en zeide: Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem. 50 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. 51 En zie, één van die bij Jezus waren, strekte zijn hand uit, trok zijn zwaard en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af. 52 Toen zeide Jezus tot hem: Breng uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. 53 Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen? 54 Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden? 55 Op dat ogenblik sprak Jezus tot de scharen: Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen? Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen. 56 Doch dit alles is geschied, opdat de schriften der profeten in vervulling zouden gaan. Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten. 57 Die nu Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, bij wie de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren. 58 En Petrus volgde Hem van verre tot aan de hof van de hogepriester, en binnengekomen zijnde, ging hij tussen de dienaars zitten om de afloop te zien. 59 De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, 60 hoewel er vele valse getuigen optraden. 61 Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen. 62 En de hogepriester stond op en zeide tot Hem: Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U? 63 Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God. 64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels. 65 Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zeide: Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u? 66 Zij antwoordden en zeiden: Hij is des doods schuldig. 67 Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; 68 anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden: Profeteer ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft? 69 Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zeide: Ook gij waart bij Jezus, de Galileeër. 70 Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zeide: Ik weet niet, wat gij zegt. 71 Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zeide tot hen, die daar waren: Die man was bij Jezus, de Nazoreeër. 72 En wederom loochende hij het met een eed: Ik ken de mens niet. 73 Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden: Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u. 74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet. 75 En terstond kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had: Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter. eveneens: “Van de vrucht van de wijnstok, die toch werkelijk alleen wijn geeft en geen water.” Als men een allegorie mag gebruiken, zou men Jesaja 1:2222 Uw zilver is met onzuivere bestanddelen vermengd, uw edele wijn is met water vervalst. (“Uw edele wijn is met water vervalst”) kunnen uitleggen als een vervalsing van het Avondmaal des Heren.
Vanwege de gelijkheid in eigenschappen en werking van de wijn en het bloed van Christus. Hierbij zijn de volgende overwegingen van belang.
Met die vormen van voedsel en drank die de mensen in die landen als eten en drinken gebruiken. Dat komt namelijk geheel overeen met de bedoeling van Christus. Daarom werd het de geestelijken in Noorwegen toegestaan – zoals Volaterranus schrijft – om als de situatie dat noodzakelijk maakte, het Avondmaal zonder wijn te gebruiken maar met honingdrank of honing met wijn vermengd. De wijn die men in dit land importeert, bederft namelijk al heel snel vanwege de kou.
Daarom zegt Beda terecht: "Het brood verwijst mystiek naar het lichaam van Christus, en de wijn naar Zijn bloed." En zo hebben de kerkvaders altijd over dit mysterie gesproken, alsof in elke bediening van het avondmaal Christus dagelijks voor ons wordt gedood, sterft en geofferd wordt. Chrysostomus zegt hierover: "In de beker is datgene wat uit zijn zijde vloeide, en wij nemen daaraan deel."
Het is verreweg het beste als hij zich daarvan onthoudt als hij al eerder vanuit het Evangelie weet dat dit met het Woord van God in strijd is. Het is immers een ernstige zonde om tegen zijn geweten in de instelling van Christus te overtreden. Ambrosius zegt dan ook heel terecht: “Hij die het sacrament op een andere manier bedient dan door de Heere is ingesteld, is Hem niet waardig. Wie anders handelt dan de Insteller heeft bevolen, mag niet de naam krijgen dat hij met toewijding werkzaam is geweest.”
Hij heeft een tweede soort van tekenen ingesteld, namelijk de zichtbare handelingen om het Avondmaal te bedienen, oftewel de ceremonie bij het uitreiken van het Avondmaal des Heren. Hierdoor heeft Hij een voorbeeld gegeven dat alleen bedoeld is voor de dienaren van het Evangelie.
Christus heeft de Vader gedankt, aan Wie Hij de genade van onze verlossing als de voornaamste Oorzaak daarvan toeschrijft. Door dit voorbeeld leert Hij ons dit ook te doen, zowel bij het gebruiken van het Heilig Avondmaal als in het nuttigen van ons dagelijks voedsel en het gebruikmaken van andere dingen34). En direct daarop heeft Hij het ook gezegend en ervoor dank gezegd. De uitdrukkingen “als Hij gezegend had” en “als Hij gedankt had” worden bij de instelling van het Avondmaal des Heren door elkaar heen gebruikt; zie Matteüs 26:26-2726 En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. 27 En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. en Marcus 14:2222 En terwijl zij aten, nam Hij een brood, sprak de zegen uit, brak het, gaf het hun en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam.. De zegening (eulogia) en de dankzegging (eucharistia) worden niet door het kruisteken bekrachtigd, zoals de roomsen dwaas genoeg denken, alsof Hij een magische bezwering heeft uitgevoerd. Nee, door de zegening – dus door het gebed tot God – heeft Hij het brood en de wijn tot een heilig gebruik toebereid, ingesteld, bestemd en geheiligd.
Het woord “zegenen” wordt gebruikt ten aanzien van:
Toch betekent dit woord vaak hetzelfde als consacreren, dat wil zeggen: afzonderen van het aards gebruik, heiligen en wijden, verkiezen en bestemmen voor een heilig gebruik naar Gods verordening, zoals in Genesis 2:33 En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.: “En God zegende de zevende dag en heiligde die.” Daarom zegt Ecumenus dat de woorden “de beker der dankzegging zegenen” (1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?) hetzelfde betekenen als door ons mensen gezegd wordt als wij mensen zegenen, oftewel door gebeden en dankzegging hoogachten.
Hieruit komt het woord consecratie voort, oftewel heiliging en zegening. Die heiliging ontstaat niet door het eenvoudig letterlijk lezen van de tekst in het evangelie, de brief aan de Korintiërs, maar door het gebed, de dankzegging, de heldere en getrouwe verslaggeving en de bewogen en duidelijke uitleg van de woorden van Christus over de instelling ervan en de belofte hierin. Die belofte is altijd vol kracht en daarom geldt die ook voor geheel de ceremonie of de heilige handeling die Christus ons bevolen heeft te onderhouden, zoals Hijzelf gedaan heeft. God werkt hierin met kracht, zodat de dingen die gewone middelen zijn om het lichaam te voeden, sacramenten worden van het lichaam en bloed van Christus. Ze worden voor ons ingesteld tot levendmakend voedsel en drank en ons zo voorgehouden. Zo wordt dit gewone voedsel tot voedsel dat heilig en geestelijk is. Voedsel en de drank worden bestemd voor het gebruik om het lichaam en het bloed van Christus zijn. Dat is niet vanwege de eigenschappen ervan, maar vanwege Gods instelling. Die instelling moet worden uitgelegd, zodat het geloof iets heeft dat mag worden omhelsd – zowel in het Woord als in deze elementen en tekenen van voedsel en drank. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt ervan: “Ons brood en de beker worden voor ons tot iets geestelijks door een bepaalde consecratie of heiliging; dat gebeurt dus niet vanuit zichzelf.”
Daarom dwalen zij heel ernstig die de consecratie alleen betrekking laten hebben op de woorden “Dit is mijn lichaam” en “Dit is mijn bloed”. Dat geldt ook voor hen die de consecratie verbinden met de verborgen kracht van die woorden, die zij “werkzame woorden” noemen, waardoor het wezen van het brood zou veranderen, oftewel het lichaam en bloed van Christus in het brood worden opgenomen. De Here Jezus sprak immers het brood niet aan, maar de discipelen toen Hij over het brood zei: “Neem en eet, dit is mijn lichaam”, en zo verder.
Gregorius zegt dat de apostelen het gebed des Heren alleen hebben uitgesproken bij de consecratie of heiliging.36) Justinus zegt dat het Avondmaal door het gebed plaatsvindt37), Cyprianus dat het door de aanroeping van de allerhoogste God plaatsvindt38), en Ireneüs door de dankzegging. Dit laatste is hetzelfde als wat de apostel zegt in 1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?: “De beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken.” Ambrosius zegt: “Door de woorden van de Here Jezus Christus.”39) Wat die woorden dan zijn, legt hij in hoofdstuk 5 uit, waar hij spreekt over de woorden van de instelling. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. ten slotte zegt: “Het Woord komt bij het element, en dan wordt het een sacrament.”
De Schrift zegt nergens dat de regel van de mis – waarvan de roomsen zeggen dat zonder die regel er geen consecratie of gemeenschap van het Avondmaal des Heren kan plaatsvinden – door Christus of door de apostelen zou zijn ingesteld. Nee, het is een roomse en verzonnen instelling, die als de jas van een bedelaar door heel veel auteurs en veel verschillende tijden in elkaar geflanst en bij elkaar geschraapt is – een instelling die vol godslastering is, gericht tegen Christus.
Het brood dat Hij genomen had, heeft Hij gebroken; en dat niet alleen om het des te beter te kunnen uitdelen, maar ook om ons Zijn dood als het ware voor ogen te houden en uit te schilderen.
Nee; het breken van het brood is een wezenlijke en sacramentele handeling, die het doel van het Heilig Avondmaal heel in het bijzonder dient en dus ook de vormgeving ervan bepaalt; en dit geldt ook voor het schenken van de wijn in de beker. Het zijn beide handelingen waardoor de gelovigen Christus met de ogen van het geloof aanschouwen. Dat gebeurt niet alleen als Hij Zich geheel en al voor ons overgeeft, maar ook als Hij aan het kruis met onuitsprekelijke pijn naar ziel en lichaam gemarteld, verscheurd, vermorzeld, verbroken en vaneengescheurd wordt, totdat Zijn ziel en lichaam met geweld als twee delen van elkaar gescheiden worden en naar Zijn menselijke natuur als het ware in twee delen gekloofd zijn.
Het is niet zo dat het lichaam van Christus zelf inderdaad gebroken werd, want er mocht geen been aan Hem gebroken worden, zoals het paaslam dit ook uitbeeldde40). Het werd toen echter wel vreselijk gemarteld, de zijde van het lichaam werd doorstoken, door de handen en voeten werden spijkers geslagen en ten slotte werd het gescheiden van de ziel. Daarom zeggen we dat het lichaam gebroken is, en dat is de reden waarom de apostel dat wat met het brood gebeurde – en wat nog steeds hoort te gebeuren – aan het lichaam van de Here zelf toeschrijft. Dat doet de apostel door het ten aanzien van het sacrament uit te beelden en de daarvoor gebruikte woorden onderling te verwisselen. De apostel zegt daar immers van het brood dat Jezus ‘het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis’ (1 Korintiërs 11:2424 de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis.). Door de manier van breken wordt het Avondmaal ook wel “het breken van het brood” genoemd.41)
Dat het breken van het brood in de tijd van Paulus in de gemeenten een gewoonte was, blijkt duidelijk uit zijn eigen woorden, als hij in 1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? zegt: “Het brood, dat wij breken…” De kerk heeft deze gewoonte lange tijd gehandhaafd. De manier van uitdelen van een hostie oftewel een ouwel – een dun en rond koekje – heeft de roomse kerk ingesteld.
Hij heeft het brood aan Zijn discipelen gegeven of het hun in de hand gedrukt en uitgedeeld. Daarmee heeft Hij geleerd dat de gelovigen in de uitdeling van brood en wijn door het geloof Christus Zelf moeten aanmerken. Dan is het alsof ze daarin Hemzelf zien Die met Zijn eigen hand Zichzelf met het eeuwige leven aan hen uitdeelt om gegeten te worden. Dit doet Hij ook werkelijk door de kracht van Zijn Heilige Geest.
Dat zijn drie soorten uitspraken geweest. Sommige zijn gesproken als een gebod, waarmee Hij heeft bevolen wat Hij wilde dat Zijn kinderen in het houden van het Avondmaal zouden doen. Daarmee heeft Hij ook de vorm en het wezen aangegeven waarmee en waarin in het Avondmaal moet gehouden worden. Andere woorden zijn meer van vaststellende aard; dat zijn de sacramentele woorden of belovende woorden , die Hij ter verklaring aan de tekenen heeft toegevoegd – woorden waarmee Hij het wezen van het sacrament ofwel de “betekende zaak” verklaart. Ten slotte zijn er woorden die een nog wat ruimere verklaring geven; woorden waarmee Christus het doel van deze heilige handeling heeft uitgelegd.
In de eerste plaats leert Hij in de bediening van het Avondmaal wat de dienaars of uitdelers van het brood en de wijn verplicht zijn te doen. Daarna geeft Hij aan wat de gehele gemeente in het aannemen en gebruiken daarvan behoort te doen. Hij spreekt in deze heilige handelingen immers zijn apostelen aan als de herders en uitdelers van Zijn sacramenten maar ook als heel de gemeente der gelovigen.
Allereerst geeft Christus Zijn apostelen of de dienaars als zij hun taak waarnemen, de opdracht om het brood en de wijn te nemen, God de Vader daarvoor te danken, en het brood te breken en uit te delen. Als Hij in Lucas 22:1919 En Hij nam een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis. en in 1 Korintiërs 11:24-2524 de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. 25 Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. zegt: “Doet dat tot Mijn gedachtenis”, moet men het woordje “dat” niet laten slaan op het brood of op de beker, maar op wat de Here Jezus met het brood en de wijn gedaan heeft. Hij heeft Zijn lichaam en bloed in de gedaante van brood en wijn niet aan God, Zijn Vader, geofferd, maar Hij heeft het boord genomen, gedankt en gebroken. En zo nam Hij ook de drinkbeker, die Hij niet aan God opdroeg, maar aan Zijn discipelen gegeven heeft; met de twee opdrachten: eet, en vervolgens: drink allen daaruit. Ditzelfde – en niet wat anders – is ook aan de dienaren opgedragen. Als ze dat niet doen, zal Christus hen beschuldigen dat ze Zijn opdracht en bevel niet goed uitgevoerd hebben.
Men moet ook niet teveel letten op de betekenis van het Latijnse facere, doen, als Christus zegt: “Doet dat…”, tonto pojeite, dat door de Latijnse kerkvaders soms is vervoegd met een ablativio casu en dan sacrificare, offeren, betekent. Zij zeggen: facere hac vel illa victima, deze of die offerande doen; zoals bijvoorbeeld in dit vers uit Vergilius’ Eclog. 3: Cum faciam vitula pro frugibus, ipse venito. Dat betekent: Kom zelfs als ik een jong kalf voor mijn korenoogst offer; en niet, zoals de roomsen met een kalververstand uitleggen: cum faciam vitulam. Dat doen ze ook als het woorden uit de Schrift betreft, zoals datgene wat geofferd of aan de Here opgedragen wordt, bij het woord zelf wordt gevoegd, of als de tekst uitdrukkelijk van offers spreekt. Als de Schrift bijvoorbeeld van een lam of geit zegt dat men er meel of iets dergelijks aan toe moet voegen, dat wil zeggen: te offeren – dan is dat naar de Hebreeuwse en niet naar de Latijnse manier van spreken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Leviticus 15:1515 En de priester zal ze bereiden, de ene als zondoffer en de andere als brandoffer. En de priester zal verzoening over hem doen voor het aangezicht des Heren vanwege zijn vloeiing.. Mozes beveelt daar dat twee tortelduiven geofferd moeten worden; hij zegt dan: “En de priester zal ze bereiden, de ene als zondoffer en de andere als brandoffer.” In Numeri 28:44 het ene schaap zult gij des morgens bereiden, het andere schaap zult gij in de avondschemering bereiden. staat: “Het ene schaap zult gij des morgens bereiden, het andere schaap zult gij in de avondschemering bereiden”, dat wil zeggen: offeren. Maar het woord “doen”, in dit geval “doet dat”, betekent nergens “offeren”, maar wel doen wat ten tijde van het eerste Avondmaal gedaan werd. En dan betekent het zowel het uitdelen als het ontvangen van het Avondmaal.
Vervolgens slaan de woorden “doet dat” op wat de communicanten – dus degenen die ter tafel gaan – in het gebruiken van het Heilig Avondmaal behoren te doen. Dat blijkt uit het feit dat Paulus ze niet alleen op de dienaars toepast, maar op heel de gemeente van Korinte. Daarom geeft hij aan dat de genodigden die ter tafel gaan en communiceren, eerst het gebroken brood zullen nemen, het dan zullen eten en vervolgens de gegeven wijn zullen drinken. Dit zijn sacramentele handelingen of ceremonies, en degenen die tot de tafel des Heren komen, zijn eraan gehouden deze uitwendige tekenen eerbiedig in de hand te nemen, te eten en te drinken.
Hij heeft inderdaad met woord en daad het offer dat Hij de dag daarna aan het kruis zou brengen, uitgeschilderd, en ook bevolen dat men dit tot een gedachtenis in stand zou houden. Maar Hij heeft niet metterdaad en in eigenlijke zin Zichzelf in de gedaante van brood en wijn aan God, Zijn Vader, opgeofferd en ook niet bevolen dat men daar een offer van zou gaan maken tot vergeving van de zonden. [Daarvoor zijn de volgende argumenten:]
Stel nu echter – waarmee we niet kunnen instemmen – dat Melchizedek toen hij Abraham die met zijn personeel na de overwinning was teruggekeerd, aan de maaltijd ontving, eerst brood en wijn genomen en geofferd heeft. Dat betekent dus dat hij God door een offer voor de overwinning gedankt heeft en ook voor het gebruik van het voedsel voor het lichaam en voor alle andere ontvangen weldaden. Ook onder de heidenen was dit de gewoonte, zoals Athenus Homerus daarin prijst dat hij de Griekse vorsten beschrijft als personen die nooit aan tafel gaan zitten en evenmin daarvan opstaan vóór zij geofferd, gebeden en gedankt hadden. Maar uit dit alles volgt nog niet dat de dankzegging van Melchizedek een offer is geweest voor Abraham en de zijnen om voor hen de vergeving der zonden te verdienen.
Zo vindt er ook in het Avondmaal een heilig offer plaats; dat wil zeggen dat wij na het proeven en smaken van het lichaam en bloed des Heren God danken voor het geestelijke voedsel en voor de grote overwinning waardoor Christus de zonde en de dood voor ons overwonnen heeft en ons in Zijn overwinning laat delen. Deze dankzegging verdient echter voor hen en voor anderen níet de vergeving van de zonden. En nog veel minder volgt hieruit dat Christus Zichzelf in het Avondmaal onder de gedaante van brood en wijn zou geofferd hebben. We kunnen alleen vaststellen dat het brood en de wijn die aan Abraham gegeven werden, in allegorische zin voorbeelden zijn geweest van Christus Die Zichzelf aan ons in het Avondmaal aanbiedt, opdat wij Hem door het ware geloof aannemen. In deze zin passen de oude kerkvaders het voorbeeld van Melchizedek toe op het Avondmaal des Heren. Dat maakt Lombardus voldoende duidelijk als hij zegt: “Melchizedek zag op de manier en de ceremonie van dit sacrament, toen hij Abraham brood en wijn gaf.”((In Lib. 4. Sentent. distin 8.))
Ten slotte is het zo dat de oude kerkvaders af en toe het Avondmaal een offer noemen. Dat gebeurt om verschillende redenen.
Ja, maar als men het op de goede manier opvat, zijn ze geen van beide ongedaan gemaakt, maar veel meer op het juiste voetstuk gesteld. Het is wel zo dat de aalmoezen nu niet meer zó worden gegeven als men vroeger deed, toen ze die besteedden om gezamenlijk de maaltijd te houden. Die maaltijden noemden ze agapas, liefdemaaltijden, om daarmee de armen bijstand te verlenen en andere noodzakelijke dingen in de gemeente te handhaven. Ze legden die gaven gewoonlijk op de avondmaalstafel of op een bank die daarvoor gemaakt was – die in de door hen apostolisch genoemde regels een offerkist genoemd werd (Canon 3). Door middel van een plechtig gebed werd deze tafel voor een godzalig gebruik ingewijd, nadat ze eerst het brood en de wijn hadden weggeborgen die ze in het bijzonder voor het gebruik van het Heilig Avondmaal hadden gezegend. Deze gemeenschappelijke maaltijden waren allang in onbruikgeraakt naar het bevel van Paulus: “Heeft iemand honger, laat hij thuis eten, opdat gij niet tot uw oordeel bijeenkomt.” Zo langzamerhand waren de zaken in de christelijke gemeente zo uitgekristalliseerd dat men niet zozeer hoeft bezig te zijn om middelen te zoeken waarmee de dienaars van de kerk konden worden onderhouden. Veel meer ging men erop toezien dat de bezittingen die de kerken hebben, goed besteed worden. Daarom is het niet nodig geweest om zodanige offers als in Gods Woord niet nadrukkelijk worden geboden, in onze gemeenten te handhaven. Het is echter genoeg als men zorg draagt dat de dienaren van het Woord fatsoenlijk kunnen rondkomen, dat de armen goed verzorgd worden, dat er scholen worden opgericht, dat de leerlingen en de onderwijzers worden onderhouden, en dat men wordt voorzien van school- en kerkgebouwen. Daarom mag men ook niet verzuimen de aalmoezen die gegeven worden, in de kerken of op een geheime plaats bijeen te brengen.
Het blijft dus bij ons geheel het brengen van een offer zonder bloed. Men ziet de zegening van de tekenen zelf – dat wil zeggen: de geschiedenis en de verklaring van de instelling door de Here, met daarbij gevoegd de gebeden waardoor – zoals Cyprianus zegt – het lijden van de Zoon aan God de Vader als het ware geofferd wordt. Terwijl zo aan heel de gemeente de dood van Christus verkondigd wordt, wordt deze dood als het ware aan God geofferd en toegeëigend. Dit gebeurt ook door de plechtige belijdenis van het christelijk geloof. En ten slotte is er als men de dankzegging als een offer opvat, de milde uitdeling van de aalmoezen.
Het is dan ook een al te groot bijgeloof om te verbieden dat zij die ten Avondmaal zullen gaan, het brood en de beker van dit Avondmaal niet mogen aanraken. De mond van binnen is immers niet heiliger dan de lippen en de handen zijn. Daarom begrijp ik niet hoe men kan ontkennen dat men de leer van het pausdom volgt en hiermee dus het bijgeloof voedt, terwijl men degenen die aan de Tafel gaan, toch een klein maar héél, ongebroken broodje geeft en dat niet in de hand maar in de mond legt.
Op deze manier, dus als we de tekenen werkelijk echt in onze hand nemen, wordt Christus met Zijn weldaden – die voor onze zaligheid nodigzijn – werkelijk op een geestelijke manier door het werktuig van het geloof in ons verzegeld.
Dat Jezus Christus, Die wij door het geloof vanwege Gods kracht aannemen, zó van ons wordt – zoals het verbond van het Oude en Nieuwe Testament getuigen. Langs de weg van een onbegrijpelijke verborgenheid komt Hij als het ware in ons om het geestelijke leven in ons te verzegelen, en anderzijds komen wij weer in Hem. Dit onderscheid is er echter wel, dat de dingen die wij eten en drinken in het natuurlijke voedingsproces door de kracht van de natuurlijke warmte onderdeel van ons lichaam worden tot vernieuwing van datgene wat al ging afsterven. Maar in geestelijke zin voeden het lichaam en het bloed van Christus ons zó dat we met Christus één lichaam zijn. Ze veranderen dus ons wel, maar ze worden in ons niet veranderd, omdat wij aan Christus gelijkvormig en van gelijke gestalte met Hem moeten worden; zie Romeinen 8:2929 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. en Filippenzen 3:1010 (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende..
Nee, om de volgende redenen:
Over deze twee manieren van eten spreekt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme.49), en hij zegt dan: “Die inwendig eet, en niet uitwendig; die met het hart eet, en niet met de tanden.” Lombardus zegt erover: “Zoals er twee zaken in dit sacrament zijn, zo zijn er ook twee manieren van eten; de ene is sacramenteel, waarbij zowel de goeden en de slechten eten; de andere is geestelijk, waardoor alleen de goeden eten.”
Zoals de aardse dingen op het menselijk lichaam wijzen en op de werktuigen daarvan, zo wijzen ook de hemelse gaven op de ziel en haar voortreffelijkste werktuig, namelijk het geloof. De aardse tekenen worden door het lichaam en wat daarbij hoort met de uitwendige zintuigen en op lichamelijke wijze genuttigd en genoten. En zo worden ook de geestelijke weldaden door de ziel en haar werktuig, het geloof, op een geestelijke wijze met een [verlicht] verstand ontvangen en aangenomen.50) Hieruit mag men concluderen dat het woord eten bij het nuttigen en genieten van de tekenen letterlijk wordt opgevat, maar ten aanzien van de gemeenschap met het lichaam van Christus figuurlijk.
Christus’ vlees is wel lichamelijk, omdat het tot het lichaam behoort, maar eigenlijk gezegd is het niet lichamelijk, in zover het voedsel is. Onze lichamen worden namelijk niet gevoed door Zijn vlees en bloed voor dit fysieke, tijdelijke en vergankelijke leven. Dat zou met recht een 'kapernaïtisch'51) vlees eten zijn!
Het is dus geestelijk, en dan niet ten aanzien van het wezen ervan, maar vanwege de manier waarop men het ontvangt en de geestelijke voedingskracht. De geest of de ziel van de mens neemt het immers alleen door het geloof aan; en daardoor wordt de ziel metterdaad en werkelijk – ook geestelijke daden gebeuren namelijk echt – door de kracht van de Heilige Geest gevoed en onderhouden tot bevordering van het geestelijke en eeuwige leven. De weldaad van het geestelijke leven is ook tot nut van het lichaam zelf, omdat het daardoor herboren en geheiligd wordt, en ten slotte ook de gelukzalige verrijzenis zal ontvangen. Toch mag dat voedsel niet lichamelijk genoemd worden, maar geestelijk, omdat het ons alleen geestelijke voeding schenkt. Hoewel het dus een eten is van het lichaam van Christus – ten aanzien waarvan het lichamelijk genoemd mag worden – is het ten aanzien van de manier waarop, geen eten op een lichamelijke manier. Omdat het vlees van Christus dus alleen geestelijke voedsel is en Zijn bloed een geestelijke drank, volgt hieruit dat het vlees en het bloed van Christus alleen op een geestelijke wijze gegeten en gedronken wordt; dat wil zeggen: met de mond van de ziel, dus door het geloof dat de Heilige Geest Zelf in onze harten werkt (Johannes 6:5151 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld., e.v.).
Dit klopt niet. Zoals gezegd, bestaat het Heilig Avondmaal uit twee dingen, het aardse en het hemelse; het teken en het betekende; en zo zijn er ook twee manieren van eten. Ons wordt ook opgedragen om op twee manieren te eten: eten van het teken, en eten van het betekende; het ene is lichamelijk en zintuiglijk, het andere is geestelijk en bestaat alleen in het verstand. Het woord “eten” wordt bij het ene in eigenlijke en bij het andere in oneigenlijke zin opgevat, zoals in Psalm 14:44 Hebben zij dan geen kennis, al die bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk opeten, als aten zij brood? De Here roepen zij niet aan.: “Hebben zij dan geen kennis, al die bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk opeten, als aten zij brood”; en ook in Johannes 6:5353 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf.. Anders zou hieruit volgen dat men Christus’ lichaam lichamelijk moet eten – maar dat is verschrikkelijk en met recht 'kapernaïtisch'! Christus gaat toch niet de maag in, maar Hij komt in het hart (Efeziërs 3:1717 opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde.), en Hij wordt dus niet met de lichamelijke mond gegeten. Om deze “ongerijmdheid” – naar men meent – te voorkomen, fantaseren sommigen een lichamelijke manier van eten, die op een bovennatuurlijke manier zou toegaan. Dit is echter een niet onuitsprekelijk en onbegrijpelijk groot verzinsel, dat in strijd is met zichzelf.
Het is niet alleen de belofte van God geloven, Die betuigt, zoals Christus het Zelf uitlegt in Johannes 6:3535 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.: “Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.” Hier geeft de Here te kennen dat geloven drinken is en door het geloof tot Christus komen eten. Het vlees van Christus is voor ons gekruisigd, en Zijn bloed is voor ons vergoten tot vergeving van de zonden. In geestelijke zin betekent het ook gespijzigd worden met het ware lichaam van Christus, het voedsel voor onze ziel, en daardoor geestelijk leven en kracht ontvangen. Christus zegt daarvan: “(die) zal nimmermeer hongeren” en “nimmermeer dorsten”. Het is dus ook Christus door het geloof omhelzen en aannemen – en dan toont Hij Zich niet aan van verre, maar Hij verenigt Zich met ons, [waarmee Hij aangeeft dat] Hij ons Hoofd is en wij Zijn ledematen.
Daarom zegt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. in zijn tweede preek over de woorden van de apostel: “Dat eten is: verzadigd worden; en dat drinken – wat is dat anders dan te leven?” En ergens anders52) zegt hij: “Dat is: die spijs te eten en die drank te drinken, in Christus te blijven, en Christus in ons als woonplaats te hebben, zoals Christus Zelf uitlegt in Johannes 6:5656 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.: ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.’ Wie dus niet in Christus blijft en Christus niet in hem blijft – die eet ongetwijfeld Zijn vlees niet en drinkt Zijn bloed niet op geestelijke wijze, hoewel hij het sacrament van het lichaam en bloed van Christus op een lichamelijke en zichtbare manier met zijn tanden tot zich neemt.”
Het eten en drinken van het vlees en het bloed van Christus is dus: geloven; maar het is ook een vrucht van het geloof, namelijk onze inwendige vereniging met Christus. De vrucht daarvan is blijdschap in God en dus ook het eeuwige leven.53)
Dat is nodig, opdat wij Hem met een des te intenser gevoel zullen eten en Hem des te nauwer en krachtiger toe-eigenen. Dat gebeurt via dit sacrament door een handeling die heel gewoon voor ons is, en door een zichtbaar ‘woord’ dat ons voor ogen houdt wat het gehoorde woord ons wil zeggen. Ons geloof wordt hierdoor meer en meer geoefend en versterkt; en zo wordt ook het geestelijk gevoelen en leven hoe langer hoe meer uit Christus, Die wij eten, gehaald en ontvangen. Dat duurt totdat we uiteindelijk op de jongste dag – wanneer we niet meer onderwezen worden door het Woord en de sacramenten – geheel in Christus en met Christus, Die daar Zelf in de hemel aanwezig is, van het eeuwige geestelijke leven zullen genieten.
We spreken allereerst over het woord “sacrament” zelf, en niet over het geheel van het Avondmaal des Heren en het genieten ervan, zowel van het teken als van de betekende zaak. We spreken nu over het teken zelf, zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. het sacrament van het lichaam van Christus noemt, dat op een bepaalde manier het lichaam van Christus is. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt dikwijls dat het offer van de gemeente uit twee zaken bestaat: het sacrament en de betekende zaak van het sacrament. In die eerste zin is het eten alleen uitwendig, sacramenteel; het is dan alleen ceremonieel. Dat gebeurt door hen die in het Avondmaal des Heren het heilige teken van het lichaam van Christus met zijn lichamelijke mond uit. Als dat zonder geloof gebeurt, helpt dat in het geheel niet tot zaligheid, en het is dan ook van geen enkele waarde.
Vervolgens is er ook het eten door de ziel, het geestelijke eten van de betekende zaak, dat alleen door het geloof plaatsvindt – en dat vanuit het gehoor, het lezen van en spreken over Gods Woord van wat men leest. Dit gebeurt altijd alleen door de gelovigen, zoals ook ten tijde van het Oude Testament de oude vaders en de patriarchen gedaan hebben. In Johannes 6:53-5453 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. lezen we: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven.” En vervolgens in vers 5555 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank.: “Mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank.” Van dit eten zegt Hiëronymus: “Als wij het Woord van God horen, wordt het vlees en bloed van Christus in onze oren ingestort.”
Tenslotte is er ook het geestelijke en tegelijk sacramentele eten in het wettig gebruik van het Heilig Avondmaal des Heren door hen die daarin zowel het teken van het lichaam van Christus met hun lichamelijke mond eten als het lichaam van Christus met de mond van hun ziel – dat wil dus zeggen: met het ware geloof daaraan werkelijk deel krijgen door de kracht van de Heilige Geest. Dan eet men, zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. ooit gezegd heeft, niet alleen het brood des Heren, maar ook het brood voor de Here.
Het geestelijk eten van de ene Christus is één ……………..
Alhoewel …………….. sacramentele tekenen
deze passage op fol. 318 I linker kolom begrijp ik niet
Daarom kan men niet tegenspreken dat de teksten in Johannes 61 Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. 3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten? 6 Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. 7 Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. 8 Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: 9 Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? 10 Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. 11 Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. 12 En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. 13 Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had. 14 Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. 15 Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen. 16 En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaüm. 17 En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen, 18 en de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei. 19 Toen zij dan vijfentwintig of dertig stadiën hadden geroeid, zagen zij Jezus over de zee gaan en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd. 20 Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd. 21 Zij wilden Hem dan in het schip nemen en terstond bereikte het schip het land, waar zij heengingen. 22 De volgende dag zag de schare, die aan de andere zijde van de zee stond, dat daar geen ander scheepje was geweest dan één, en dat Jezus niet met zijn discipelen in dit schip gegaan was, maar dat zijn discipelen alleen waren weggevaren. 23 Doch er kwamen andere scheepjes uit Tiberias bij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, nadat de Here gedankt had. 24 Toen dan de schare zag, dat Jezus daar niet was en ook zijn discipelen niet, gingen ook zij in de scheepjes en kwamen te Kafarnaüm om Jezus te zoeken. 25 En toen zij Hem aan de overkant der zee vonden, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen? 26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. 27 Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. 28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en U geloven? Wat voor werk doet Gij? 31 Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven is: Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten. 32 Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; 33 want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot Hem: Here, geef ons altijd dit brood. 35 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. 36 Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien. 37 Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. 38 Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage. 40 Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 41 De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, 42 en zij zeiden: Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald? 43 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Mort niet onder elkander. 44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. 46 Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. 47 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven. 48 Ik ben het brood des levens. 49 Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; 50 dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. 51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld. 52 De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven? 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 55 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. 56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. 57 Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij. 58 Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven. 59 Dit zeide Hij, lerende in de synagoge te Kafarnaüm. 60 Vele dan van zijn discipelen hoorden dit en zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren? 61 Jezus nu wist bij Zichzelf, dat zijn discipelen hierover morden, en Hij zeide tot hen: Geeft u dit aanstoot? 62 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? 63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven. 64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou. 65 En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij. 66 Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede. 67 Jezus zeide dan tot de twaalven: Gij wilt toch ook niet weggaan? 68 Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; 69 en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods. 70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalven uitgekozen? En een van u is een duivel. 71 Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot; want die zou Hem verraden, één uit de twaalven. slaan op het geestelijke eten in het Avondmaal. Hoewel Christus hier niet heeft gesproken over tekenen, heeft Hij echter wel gesproken over de betekende zaak van het sacrament. Hierdoor hebben de kerkvaders in hun preken – die ze voornamelijk voor het volk hebben uitgesproken – deze teksten betrokken op het sacrament van het Heilig Avondmaal. Over het lichamelijke eten waardoor het lichaam van Christus in de mond genomen en in de maag verteerd wordt, gaat het hier helemaal niet, omdat dit niet in overeenstemming is met het geestelijke eten en met de hemelvaart van Christus.54) Dit lichamelijke, vleselijke eten is niet alleen tot geen enkel nut, maar het is ook kapernaïtisch! Het geestelijke eten echter maakt levend! Zie Johannes 6:62-6362 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? 63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven..
Belarminus heeft het gewaagd om te bewijzen dat de woorden van Christus in Johannes 61 Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. 3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten? 6 Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. 7 Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. 8 Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: 9 Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? 10 Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. 11 Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. 12 En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. 13 Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had. 14 Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. 15 Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen. 16 En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaüm. 17 En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen, 18 en de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei. 19 Toen zij dan vijfentwintig of dertig stadiën hadden geroeid, zagen zij Jezus over de zee gaan en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd. 20 Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd. 21 Zij wilden Hem dan in het schip nemen en terstond bereikte het schip het land, waar zij heengingen. 22 De volgende dag zag de schare, die aan de andere zijde van de zee stond, dat daar geen ander scheepje was geweest dan één, en dat Jezus niet met zijn discipelen in dit schip gegaan was, maar dat zijn discipelen alleen waren weggevaren. 23 Doch er kwamen andere scheepjes uit Tiberias bij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, nadat de Here gedankt had. 24 Toen dan de schare zag, dat Jezus daar niet was en ook zijn discipelen niet, gingen ook zij in de scheepjes en kwamen te Kafarnaüm om Jezus te zoeken. 25 En toen zij Hem aan de overkant der zee vonden, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen? 26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. 27 Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. 28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en U geloven? Wat voor werk doet Gij? 31 Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven is: Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten. 32 Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; 33 want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot Hem: Here, geef ons altijd dit brood. 35 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. 36 Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien. 37 Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. 38 Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage. 40 Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 41 De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, 42 en zij zeiden: Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald? 43 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Mort niet onder elkander. 44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. 46 Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. 47 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven. 48 Ik ben het brood des levens. 49 Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; 50 dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. 51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld. 52 De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven? 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 55 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. 56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. 57 Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij. 58 Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven. 59 Dit zeide Hij, lerende in de synagoge te Kafarnaüm. 60 Vele dan van zijn discipelen hoorden dit en zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren? 61 Jezus nu wist bij Zichzelf, dat zijn discipelen hierover morden, en Hij zeide tot hen: Geeft u dit aanstoot? 62 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? 63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven. 64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou. 65 En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij. 66 Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede. 67 Jezus zeide dan tot de twaalven: Gij wilt toch ook niet weggaan? 68 Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; 69 en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods. 70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalven uitgekozen? En een van u is een duivel. 71 Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot; want die zou Hem verraden, één uit de twaalven. werkelijk slaan op het lichamelijk eten van het vlees van Christus in het Avondmaal; en hij noemt het dan een sacramenteel eten. Hij zegt namelijk dat Christus dit Zelf met een eed bevestigt, omdat Hij de woorden “Voorwaar, voorwaar” uitspreekt. Zoiets mag alleen in kwesties die helder zijn en zekerheid hebben en die niet in een andere betekenis kunnen worden omgebogen. Anders zou men namelijk aanleiding kunnen geven om een valse eed te zweren… Deze redenering kan men echter gemakkelijk weerleggen, want Christus heeft in Johannes 3:33 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien. in een oneigenlijke, beeldende manier van spreken die door Nicodemus ook anders werd opgevat, dezelfde eed uitgesproken: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.” Als de woorden van Christus in Johannes 61 Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. 3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten? 6 Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. 7 Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. 8 Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: 9 Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? 10 Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. 11 Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. 12 En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. 13 Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had. 14 Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. 15 Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen. 16 En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaüm. 17 En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen, 18 en de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei. 19 Toen zij dan vijfentwintig of dertig stadiën hadden geroeid, zagen zij Jezus over de zee gaan en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd. 20 Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd. 21 Zij wilden Hem dan in het schip nemen en terstond bereikte het schip het land, waar zij heengingen. 22 De volgende dag zag de schare, die aan de andere zijde van de zee stond, dat daar geen ander scheepje was geweest dan één, en dat Jezus niet met zijn discipelen in dit schip gegaan was, maar dat zijn discipelen alleen waren weggevaren. 23 Doch er kwamen andere scheepjes uit Tiberias bij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, nadat de Here gedankt had. 24 Toen dan de schare zag, dat Jezus daar niet was en ook zijn discipelen niet, gingen ook zij in de scheepjes en kwamen te Kafarnaüm om Jezus te zoeken. 25 En toen zij Hem aan de overkant der zee vonden, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen? 26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. 27 Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. 28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en U geloven? Wat voor werk doet Gij? 31 Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven is: Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten. 32 Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; 33 want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot Hem: Here, geef ons altijd dit brood. 35 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. 36 Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien. 37 Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. 38 Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage. 40 Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 41 De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, 42 en zij zeiden: Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald? 43 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Mort niet onder elkander. 44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. 46 Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. 47 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven. 48 Ik ben het brood des levens. 49 Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; 50 dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. 51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld. 52 De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven? 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 55 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. 56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. 57 Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij. 58 Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven. 59 Dit zeide Hij, lerende in de synagoge te Kafarnaüm. 60 Vele dan van zijn discipelen hoorden dit en zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren? 61 Jezus nu wist bij Zichzelf, dat zijn discipelen hierover morden, en Hij zeide tot hen: Geeft u dit aanstoot? 62 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? 63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven. 64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou. 65 En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij. 66 Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede. 67 Jezus zeide dan tot de twaalven: Gij wilt toch ook niet weggaan? 68 Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; 69 en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods. 70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalven uitgekozen? En een van u is een duivel. 71 Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot; want die zou Hem verraden, één uit de twaalven. in letterlijke zin werden opgevat, zou hier de ongerijmdheid uit volgen dat ieder, hoewel hij onwaardig ten Avondmaal zou gaan, toch het eeuwige leven zou ontvangen.
Maar AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. leert het tegenovergestelde, als hij spreekt over deze woorden van Christus.55) Hij zegt dan: “Hebt u het geestelijk verstaan? Dan zijn deze woorden geest en leven. Hebt u het in vleselijke zin opgevat? Dan zijn ze ook wel geest en leven, maar niet voor u. Wat ik gezegd heb, moet u deze in geestelijke zin opvatten. U zult niet het lichaam eten dat u ziet, en evenmin het bloed drinken dat zij die Mij kruisigen, zullen vergieten. Ik heb u een sacrament toegezegd dat u levend zal maken als u het geestelijk opvat. Het vlees is u niet tot nut.” En in zijn Tractatum in Joannem zegt hij: “In Christus geloven is het Brood des levens eten.” Hij zegt verder ook dat de woorden “tenzij u het vlees eet van de Zoon des mensen” niets anders betekenen dan dat wij gemeenschap moeten hebben met het lijden van Christus en eraan moeten denken dat het vlees van Christus voor ons gekruisigd werd. Hij zegt dan ook: “Waarvoor gebruikt u uw tanden en uw maag? Geloof, dan hebt u gegeten!” Met deze woorden geeft hij voldoende aan dat het vlees van Christus in geestelijke zin gegeten wordt, en dat geldt dan zowel voor het wezen hiervan als voor het lichamelijk eten.
Dat zijn die woorden die de kern, het wezen van de zaak of de betekende zaak aangeven. Er zijn woorden die van het brood en andere die van de drinkbeker spreken. De woorden over het brood bevatten twee delen, waarvan de eerste is: Dit is Mijn lichaam; en het tweede: …dat voor u gegeven of gebroken wordt.
Het onderwerp is het aanwijzende woordje “dit”, en dan niet bijvoeglijk maar zelfstandig gebruikt. Het woord ziet niet op een ongrijpbaar en abstract object of op een ondeelbaar begrip van een bepaald iets dat samen met wat daarvan gezegd wordt, een en hetzelfde is; of zoals Scotus zegt, hetzelfde zegt te zijn in die zin dat de dingen die door het onderwerp en de bepaling te kennen worden gegeven, onderling niet verschillen. Dan lijkt het erop dat wat in het brood vervat is, “mijn lichaam” is. Het woordje “dit” of “dat” slaat ook niet op datgene wat het brood geweest is. Dan lijkt men te zeggen dat wat Mozes in zijn hand hield, een stok of staf was geweest, en nu een slang is; of dat wat water was geweest bij de bruiloft in Kana, eigenlijk wijn is.
Dat aanwijzende woordje “dit” of “dat” slaat op het brood dat Christus nam, brak en aan de discipelen gaf; en niet op Zijn lichaam – zoals Paulus ook uitlegt in 1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?: “Het brood, dat wij breken, [is] een gemeenschap met het lichaam van Christus.”
Het is dan ook niet waar wat Belarminus als zekerheid aanneemt in Lib. 1. cap. 9 De Eucharisti, dat men iets wat men ziet en kent, niet mag aanduiden als “dat”, tenzij dat iets neutrius generu is, dat wil noch mannelijk noch vrouwelijk.
De bepaling, dus datgene wat van het onderwerp gezegd wordt, is: mijn lichaam – en dat slaat op het echte, gewone brood. De band waarmee die die twee delen worden verbonden, is het zelfstandig gebruikte werkwoord “is”.
Beslist niet! Hier bedriegt Belarminus zichzelf opnieuw, want hij is van mening dat dit woordje beslist niet in een andere betekenis kan worden opgevat dan die er in al in ligt. Hij denkt dat op geen enkele manier, niet in de gewone en ook niet in scholastiek-filosofische zin, het ene afzonderlijke ding tegelijk als het andere werkelijke, zelfstandige en wezenlijke ding aangeduid kan worden; maar alleen in oneigenlijke zin. Twee dingen die zelfstandig van elkaar onderscheiden worden, mogen hoe nauw ze ook met elkaar verbonden en verenigd zijn, niet als één aangeduid worden, zodat het ene werkelijk ook het andere is. De ziel mag dus werkelijk niet het lichaam genoemd worden of het lichaam de ziel, al zijn ze ieder in één mens verenigd en verbonden. Ja, in die bijzondere vereniging …..tegen den Eutychem (fol. 319 I linkerkolom, slot van deze paragraaf) hier kom ik niet uit.
Niet in de gewone, werkelijke zin, maar het is een “zijn” in een verborgen, sacramentele en de betekenis aanwijzende zin. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt56): “Het betekende wordt genoemd met de naam van het ding dat het betekent.” Dit vanwege de analogie of overeenkomst en de onderlinge verhouding die ze zowel ten aanzien van elkaar hebben als ten aanzien van degene die ze ontvangt.
Christus wil namelijk met deze uitspraak niet zeggen wat het brood en de wijn op zichzelf zijn en wat de bestanddelen daarin zijn, maar wat ze zijn in hun betekenis en overeenkomst. Als het over de betekenis gaat, wijzen ze [respectievelijk] op het lichaam en bloed van Christus. Er wordt dus van het brood iets op sacramentele wijze gezegd. Dat houdt in dat door deze soort van betekenis de betekende zaak ons niet minder werkelijk gegeven wordt om door het geloof op een geestelijke wijze aan te nemen, als het teken zelf ons aangeboden wordt om door de “werktuigen” van het lichaam te ontvangen.
Niet een eigenlijke en gebruikelijke uitspraak, want de uitspraak gaat niet over hetzelfde (waarbij hetzelfde van zichzelf wordt gezegd, zoals: Dit is brood, over brood, of: dit is een lichaam, over een lichaam), aangezien brood en het lichaam van Christus van verschillende aard zijn. Evenmin wordt het bijzondere gezegd van het enkelvoudige, noch het algemene van het bijzondere, noch het onderscheidende kenmerk, het eigene of het bijkomstige van het bijzondere, zoals in: Petrus is een mens, een mens is een levend wezen, vatbaar voor onderricht. Maar het betreft hier een ongelijk iets dat van een ongelijk iets wordt gezegd, namelijk het betekende van het teken. Toch gebeurt dit op proportionele wijze, zoals de aard van relatieve begrippen vereist: want zaken die onderscheiden of ongelijk zijn, kunnen, als er een analogie of betekenisrelatie bestaat, op een zodanige manier verbonden worden dat zij een zinvolle uitspraak vormen, maar dan figuurlijk. Zoals in Ik ben de wijnstok (Johannes 15:11 Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman.) en de akker is de wereld (Matteüs 13:3838 de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk.).
Daarom is deze uitspraak figuurlijk, en dan niet slechts metaforisch of allegorisch (zoals wanneer het vlees en bloed van Christus het voedsel en de drank van de gelovigen worden genoemd), maar metonymisch. Want het is volkomen terecht dat men dit een metonymie noemt, niet van de omvattende voor het omvattende, maar van die aard waarbij de naam van het betekende aan het teken wordt gegeven. Zoals in de uitspraak: Het brood is het lichaam van Christus, waarbij de naam van het betekende – het lichaam van Christus – aan het teken, namelijk het brood, wordt toegekend. Daarom is het een metonymische uitdrukking, zeer gebruikelijk in de Schrift, zoals in: De zeven koeien zijn zeven jaren (Genesis 41:2626 De zeven mooie koeien, dat zijn zeven jaren, en de zeven mooie aren, dat zijn zeven jaren; de dromen zijn één.), Johannes is Elia (Matteüs 11:1414 en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou.), dat wil zeggen, figuurlijk (want de uitspraak van een enkelvoudig iets over een ander enkelvoudig iets is niet letterlijk waar, maar figuurlijk); Herodes is een vos (Luk. 13:3232 Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen.), dat wil zeggen, metaforisch; Christus is de weg (Johannes 14:66 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.), de deur (Johannes 10:99 Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.), het brood (Johannes 6:3535 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.); de rots is Christus (1 Korintiërs 10:44 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus.). Zo is het brood van de Eucharistie het lichaam van Christus, figuurlijk, metonymisch en sacramenteel.
Want het lichaam van Christus kan niet op regelmatige en eigenlijke wijze brood worden genoemd, aangezien het lichaam van Christus noch het geslacht, noch de soort, noch het onderscheidende kenmerk, noch het eigene, noch het bijkomstige van brood is. Hierdoor komt het dat de uitspraak over het lichaam van Christus met betrekking tot het avondmaalsbrood figuurlijk is, aangezien elke uitspraak óf eigenlijk óf figuurlijk is – een derde soort uitspraak bestaat er niet.
Het is dan ook dwaas om te beweren dat sacramentele uitspraken ongebruikelijk zijn, terwijl ze zo vaak in de Schrift voorkomen.
En werkelijk, deze figuurlijke uitspraak bevindt zich niet in elk afzonderlijk woord op zichzelf beschouwd, maar in de gehele toekenning. Want brood is op zichzelf brood in eigenlijke zin, en het lichaam is niet allegorisch, niet tropisch, niet figuurlijk – en nog veel minder een geest of een visioen; het is ook niet het mystieke lichaam van de Kerk, noch een teken van het lichaam; het betekent niet de verdienste van Christus, maar het eigenlijke lichaam van Christus. Want het ware lichaam van de Heere wordt geheel en al over het ware brood uitgesproken. Ik zeg: het is in de gehele toekenning, omdat het koppelwoord 'is' twee ongelijke zaken met elkaar verbindt, wat wij aldus kunnen ontleden: Het brood is het teken of zegel van het lichaam van Christus.
Daarnaast moet worden opgemerkt dat dit niet alleen een figuurlijke, metonymische of betekenende uitdrukking is, zoals in De akker is de wereld, wat betekent: de akker betekent de wereld, en dergelijke in gelijkenissen (want dan zou het mysterie minder krachtig worden uitgedrukt), maar sacramenteel. Want daarbij wordt tevens de schenking van hetgeen verzegeld is beloofd. Zoals in de uitspraak: De samengebonden roeden zijn het Romeinse Rijk, wat betekent dat zij niet slechts de rechtsmacht van het Romeinse Rijk aanduiden, maar ook daadwerkelijk getuigen dat het Rijk, samen met de tekenen, wordt overgedragen aan degene aan wie de roeden wettig worden uitgereikt. Zo wordt datgene wat door het woord wordt beloofd en door de tekenen wordt aangeduid, ook daadwerkelijk door God geschonken – maar om ontvangen te worden door geloof.
Het begrip van woorden wordt soms wat wijder en soms wat enger genomen; en zo moet men ook in de terminologie van het Avondmaal de eigen woorden handhaven, namelijk op een sacramentele wijze. Die sacramentele woorden zijn echter heel anders dan de letterlijke manier van spreken. Ze moeten dan ook op een bekwame manier worden uitgelegd zoals het karakter van de sacramenten dat vereist. In de sacramentele woorden moet men namelijk niet zozeer letten op de letterlijke betekenis of afgaan op de klank van de woorden, maar op de bedoeling en het begrip. En dat moet weer overeenstemmen met het karakter van het sacrament dat Christus heeft ingesteld, met wat ermee gepaard gaat en met de juiste overeenkomst van het geloof.
Zeer beslist niet! Van een bepaald ding kan immers nooit gezegd worden dat het tegelijk hetzelfde is als een ander ding, ook al is het ermee verbonden en er een nauw verband tussen beide ook is. Hier kan alleen op een oneigenlijke, beeldende manier over gesproken worden.
Het is wel waar dat het brood het lichaam genoemd wordt, of dat iets wat in het brood is verborgen, het lichaam van de Here aanduidt, of dat in het brood het lichaam van de Here gezien wordt – men zal toch nooit beweren dat de woorden “dit is Mijn lichaam” op een letterlijke manier moeten worden opgevat.
Nee, toch niet! Als die oneigenlijke manier van spreken in overeenstemming is met de aard van de zaak waarover het gaat, is ze niet minder trefzeker dan de meest eigenlijke manier. Zo is het ook als God met oneigenlijke, beeldende woorden de eerste belofte van het evangelie uitspreekt: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen” (Genesis 3:1515 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.) – dan legt Johannes in zijn eerste brief, hoofdstuk 3:1515 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen., deze woorden als volgt uit: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou”. En in het Evangelie naar Johannes schrijft hij in hoofdstuk 1 de leer over de Persoon van Christus samen met behulp van oneigenlijke, beeldende woorden: “In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen” (vers 4-54 De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, 5 maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad.).
Toch niet! De zaak zelf maakt immers duidelijk dat die beeldende manier van spreken de discipelen helemaal niet raadselachtig of duister in de oren klonk en door hen niet op verschillende manieren werd opgevat. Als ze immers niet begrepen hadden dat het brood door de Here Zijn lichaam werd genoemd omdat het daarvan een teken was, zo zouden ze ongetwijfeld ontsteld zijn geweest over zoiets ongehoords als door de letterlijke betekenis wordt aangegeven. Dat dit waar is, blijkt des te meer omdat ze op ongeveer dezelfde tijd dingen die veel eenvoudiger waren, níet konden begrijpen.57) Omdat ze over deze woorden niet ontsteld raken, is het kennelijk voldoende dat ze de [bij de instelling gebruikte] woorden op de manier van de Schrift in beeldende zin hebben opgevat. Dat geldt temeer omdat ze vlak hiervóór het paaslam gegeten hadden, dat op dezelfde manier het Pascha, dat is doorgang, genoemd wordt; zie Exodus 12:2727 dan zult gij zeggen: Het is een Paasoffer voor de Here, die in Egypte aan de huizen der Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren sloeg, maar onze huizen spaarde. Toen knielde het volk en boog zich neer..
“…dat voor u gegeven wordt” (Lucas 22:1919 En Hij nam een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis.). Paulus zegt dit in 1 Korintiërs 11:2424 de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis.: “…voor u”. Bij Matteüs en Marcus zijn deze woorden weggelaten. Het onderwerp waarop de woorden betrekking hebben, is niet het brood maar het lichaam. Dit wordt duidelijk gemaakt door het woordje “dat” en door wat over het onderwerp gezegd wordt, namelijk dat het “voor u gegeven wordt” of overgegeven wordt – namelijk in de dood – of gebroken wordt, zoals Jesaja dat uitlegt in Jesaja 53:1010 Maar het behaagde de Here hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben., dat ziek gemaakt en verbrijzeld of gekruisigd en gedood wordt.
Ook die vallen in twee delen uiteen; de eerste staat bij Matteüs en Marcus, met deze woorden: “Dit is het bloed van mijn verbond”; of zoals Lucas en Paulus schrijven: “Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed.”
Het onderwerp waarop het woordje “dit” betrekking heeft – toute of het onzijdig gebruikte hoc, en dus niet het mannelijke hic, zoals het in de oude vertaling gebruikt wordt – moet wel slaan op de wijn en niet op het bloed, want anders zou het een zinloze herhaling zijn van iets wat al eerder verteld is. Dat blijkt ook duidelijk uit Lucas 22:2020 Evenzo de beker, na de maaltijd, zeggende: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt., waar het woordje “deze” gevolgd wordt door “beker” (dus de wijn). Er wordt dus als het ware gezegd: Dit wat ik nu in de hand heb… en aan u geef. Wat over het onderwerp gezegd wordt, is het bloed of “het nieuwe verbond in mijn bloed”. Het verband tussen beide is het zelfstandig gebruikte “is”, dat bij Lucas verzwegen wordt.
In deze woorden mag het woord “beker” niet in letterlijke zin gelezen worden als de wijn die in de beker is, en in deze letterlijke betekenis kan dus ook niet gezegd worden dat deze beker het nieuwe verbond is. In het eerste geval wordt bedoeld wat er in beeldende zin in die beker is, en in het tweede geval wordt de betekende zaak genomen voor het teken zelf. In eigenlijke of letterlijke zin is de drinkbeker of de wijn het nieuwe verbond zelf niet, maar een pand en zegel van dat verbond of, nog beter, van het bloed van Christus, waardoor het verbond geldige kracht krijgt. Dit alles naar analogie van de besnijdenis, die het oude verbond genoemd wordt.
Hieruit blijkt voldoende dat de woorden die gebruikt worden voor het Heilig Avondmaal vol zijn van een oneigenlijke manier van spreken, maar toch heel gebruikelijk zijn en heel gewoon, en ook heel gemakkelijk om te begrijpen.
Heel beslist niet! Mozes besprengde het volk met het bloed van het offer, dat hij uit de vacht van het offerdier nam; dat bloed was een sacramenteel teken, en daarom is de uitdrukking van Mozes geheel in overeenstemming met de goed geformuleerde woorden “Dit is het bloed van het verbond”. Maar Christus schonk voor zijn apostelen wijn in de beker en maakte de betekende zaak op sacramentele wijze duidelijk door middel van het teken van de wijn. Daarom is in de woorden van Christus het woordje “dat”, namelijk de wijn in de beker, wat anders dan het bloed van het nieuwe verbond, dat wil zeggen de betekende zaak van het sacrament. De bedoeling hiervan wordt in woorden van Christus “Dat is mijn bloed” dus goed uitgedrukt.
Het woord “testament” betekent hetzelfde als “verbond”. Dat weten zij die beseffen dat het met het Hebreeuwse woord berith overeenstemt; en dat betekent een akkoord of verdrag, dus een overeenstemming die gemaakt is tussen hen die het hiervóór niet met elkaar eens waren. Die betekenis is hier vooral van belang; maar daarbij maakt het niet uit of men daaronder het nieuwe verbond verstaat dat door het bloed van Christus is bevestigd, óf de uiterste wil van de stervende Christus, die door het woord “testament” te kennen wordt gegeven, en door zijn bloed bevestigd en bekrachtigd is.
Het woordje “in” is een Hebreeuwse manier van spreken, en dat betekent niet eenvoudigweg een verenigd worden of samenvoeging, een erbij-zijn of een daadwerkelijk aanwezig zijn, alsof Hij bedoelt: mét mijn bloed. Nee, het woordje “in” houdt een oorzaak in, een manier, een werktuig en een meewerkende oorzaak van een bepaald iets. Denk bijvoorbeeld aan Psalm 33:1616 Geen koning wordt behouden door een machtig leger, geen held wordt gered door geweldige kracht.: “Geen koning wordt gered door (in) geweldige kracht”, of aan Romeinen 5:99 Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn.: “door (in) Zijn bloed gerechtvaardigd”. Het woordje “in” betekent hier “door”, zoals dat ook uitgelegd wordt in Kolossenzen 1:2020 en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is. en Romeinen 3:2424 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus..
Dit testament of verbond houdt niet in dat men met de mond een teug van Christus’ bloed of een slokje wijn neemt, maar het is het verbond der genade; het is de verzoening of de vereniging in een verdrag tussen God en de gelovigen. Daarin belooft God ons dat Hij ons de zonden kwijtscheldt en ons de Heilige Geest, de rechtvaardiging en het eeuwige leven uit genade door het geloof schenkt omwille van het vergoten bloed van Christus aan het kruishout. En van onze kant verbinden wij ons aan God dat we deze weldaden die Hij schenkt, met een oprecht geloof in Christus zullen aannemen en door oprechte gehoorzaamheid dankbaarheid aan Hem bewijzen. Over dit verbond lezen we in Jesaja 59:2121 En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de Here. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de Here, van nu aan tot in eeuwigheid., Jeremia 31:3131 Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. en 32:4040 ja, Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij niet van achter hen afwenden zal en dat Ik hun wèl zal doen, en mijn vrees zal Ik in hun hart leggen, zodat zij niet van Mij afwijken., Hebreeën 9:1515 En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden. en Galaten 3:1717 Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderd dertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen..
Het is duidelijk dat het nieuwe verbond door het offer van de gehele Christus en door Zijn dood is bekrachtigd (Hebreeën 9:15,1615 En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden. 16 Want waar een testament is, moet noodzakelijk van de dood van de erflater melding gemaakt worden.), maar toch wordt de dood van iemand duidelijker gemaakt door vergoten bloed dan door over het lichaam de spreken. Daarom heeft sprak Mozes ook in de tijd van het Oude Testament gezegd: “Zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit” (Exodus 24:88 Toen nam Mozes het bloed en sprengde het op het volk en hij zeide: Zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit, op grond van al deze woorden.). Zo heeft ook Christus liever Zijn bloed het nieuwe verbond willen noemen dan Zijn lichaam, opdat de waarheid des te beter met het beeld in overeenstemming zou zijn. Maar Hij doet dat wel zó dat Hij Zijn lichaam waarvan het bloed vergoten werd, zeer beslist niet buiten de bevestiging van het verbond en de verlossing van de ziel houdt. Hier komt nog bij dat als Christus spreekt over het drinken van de wijn die Hij Zijn bloed noemt, het nieuwe verbond ter sprake brengt – terwijl het onder het oude verbond immers verboden was bloed te drinken59); daarom was het niet nodig om dit ook tot uitdrukking te brengen door het teken van het brood.
Bij Lucas is dat: “die voor u uitgegoten wordt”, en bij Matteüs en Marcus is het: “dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden”. Het onderwerp van deze woorden is het woordje “dat” – en dit woord ziet in eigenlijke zin op het bloed en niet op de wijn. Weliswaar lijkt het er bij Lucas op dat het vervolg van de woorden op de drinkbeker ziet, maar omdat de drinkbeker en evenmin de wijn voor ons niet vergoten zijn, moet het onderwerp toch wel op het bloed slaan. De woorden “dat vergoten wordt” werden uitgesproken, maar met een verandering in tijd moet dit opgevat worden als “dat vergoten zal worden”, zoals in de gebruikelijke vertaling ook wordt uitgelegd.
Toch lijkt het erop dat de Here bij de instelling van dit sacrament met voorbedachten rade de woorden van de tegenwoordige tijd heeft gebruikt, hoewel Hij sprak over iets wat nog gebeuren moest. Dat deed Hij opdat de discipelen hierdoor onderwijs zouden ontvangen dat het bij deze tekenen gebruikelijk is dat dingen die direct hierna zullen gebeuren, met de ogen van het geloof beschouwd worden als tegenwoordige tijd. Zo is het toch ook met ons, want hoewel deze dingen nu al lang geleden gebeurd zijn, zien we door het geloof de toenmalige gebeurtenissen als het ware opnieuw voor ogen – en dan bedoelen we de hele geschiedenis van het lijden van Christus. Dan is het alsof wij met onze eigen ogen het doornagelde lichaam van Christuszien hangen aan het kruishout, terwijl het bloed uit de wonden van zijn lichaam druipt.
Christus zegt dan “dat vergoten wordt”, en dan bedoelt Hij zijn bloed aan heet kruis, en niet de wijn in de beker of in de mond. Daardoor wordt ook duidelijk gemaakt hoezeer het bloed van Christus voor ons een levendmakende drank is, en dan niet omdat het nu verheerlijkt is, maar omdat het toen voor ons vergoten is – voor ons en voor velen; zie Marcus 14:2424 En Hij zeide tot hen: Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt.. Er staat echter niet: voor allen, omdat het alleen voor de uitverkorenen is vergoten; dus alleen ter wille van hen tot vergeving van hun zonden. Dat is verreweg het meest heilzame doel van Christus’ vergoten bloed. Dan hebben we het dus zozeer over het drinken van de wijn, want daarvan zegt Hij: “Doe dat tot Mijn gedachtenis.” Maar van het uitstorten van Zijn bloed zegt Hij, “dat [het] vergoten wordt tot vergeving der zonden”.
Hij heeft niet minder van de tekenen van het Avondmaal gebruikgemaakt dan Hij van het vlees van het paaslam gegeten heeft. Wie hierover twijfelt, laat hij in ernstig opzien tot God nadenken over het volgende: (1) de Here Jezus heeft door het gebruik daarvan de gewone sacramenten van beide verbonden geheiligd; (2) in de instelling van het Avondmaal is Hij ons met Zijn eigen voorbeeld voorgegaan, zodat heel de gemeente zal weten dat ze op dit voorschrift acht moet slaan. Dit laatste is wel een heel belangrijke reden waarom Hij Zich daarvan niet heeft willen onthouden. Daarom zegt Hieronymus: “Hij is zelf Gast en Maaltijd, Die eet en gegeten wordt.”61)
Zeer beslist niet! En wel om de volgende redenen:
Nee, om de volgende redenen:
Dat is ongetwijfeld waar. Het gaat echter niet over het waarheidsgehalte van de woorden, maar over de zin en de bedoeling ervan. Het gaat om de vraag of de woorden van Christus naar de letter te kennen geven dat tegelijk met het brood en de wijn het lichaam en het bloed van Christus wezenlijk en metterdaad op aarde tegenwoordig zijn, en echt op een lichamelijke manier met de mond van het lichaam – hoewel onzichtbaar – zowel door de godzalige als door goddeloze mensen worden genuttigd. Daar zeggen we ‘nee’ tegen; en wel om de volgende redenen.
Als iemand dus zegt dat God simpelweg en onbegrensd alles kan doen, valt daaronder niet alleen het goede maar ook het tegendeel daarvan, namelijk het kwade – terwijl dat alleen het terrein van de duivel is, zoals Theodoretus zegt69).
Wat de dingen betreft waarvan gezegd wordt dat ze voor God onmogelijk zijn, zijn sommige gewoonweg niet mogelijk vanwege Gods onveranderlijke natuur, en sommige vanwege een van te voren vastgestelde bepaling vanwege de standvastige en onveranderlijke waarheid van Zijn besluit en wil. God kan wel eenvoudigweg ervoor zorgen dat wat niet is, er komt of dat wat er is, ophoudt er te zijn en dat een lichaam een geest wordt. Hij kan ook uit stenen kinderen van Abraham verwekken70), en ervoor zorgen dat een kameel door het oog van een naald gaat. Daarbij laat Hij dat dier niet zijn zoals hij van nature is, maar dan maakt Hij hem zo smal als hij moet zijn om erdoor te kunnen. Zo kan God ook een rijke doen gaan in het Koninkrijk der hemelen, niet door hem zo te laten blijven, maar door hem te veranderen en te leren dat hij zijn vertrouwen alleen op God stelt.
Het heeft God behaagd dat Zijn Zoon na het menselijk lichaam te hebben aangenomen, daarom tot in eeuwigheid onze Broeder en ons in alles gelijk blijft. Wat betreft de natuurlijke en wezenlijke werkelijkheid van een lichaam zoals God het geschapen heeft, wil Hij niet dat tegennatuurlijke dingen de menselijke aangenomen natuur in Christus omverwerpen, wegnemen en haar begripsomschrijving te niet doen. Het is dan ook niet mogelijk, zegt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme., dat Hij het zó maakt dat het lichaam van Christus tegelijkertijd werkelijk een lichaam en géén lichaam is, tegelijk een afgebakend en een niet-afgebakend geheel. Dat zijn namelijk dingen die elkaar tegenspreken.
Juist dit argument ten aanzien van de almacht van God kan men onze tegenstanders voorhouden. God is immers almachtig, en daarom kan Hij ervoor zorgen dat wij die hier op aarde zijn, het werkelijke lichaam van Christus, dat in de hemel is, genieten en ontvangen.
Nee, want het was alleen een hemelse verschijning of gezicht, zoals daarover in Handelingen 26:1919 Daarom, koning Agrippa, ben ik dat hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest. gesproken wordt, die niet afhing van de aanwezigheid van Christus’ lichaam op aarde. Er wordt immers niet van Christus gezegd dat Hij op aarde met hem sprak, maar vanuit de hemel. En dat deed Hij óf zonder lichamelijke stem door hem de waarheid krachtig in het hart te drukken óf door een stem uit de hemel die als een donderslag in de oren klonk. Uit Handelingen 23:1111 En de volgende nacht stond de Here bij hem en zeide: Houd moed, want zoals gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, moet gij ook te Rome getuigen. blijkt dat het voor ieder duidelijk genoeg was dat hier sprake was van nachtelijk gezicht dat hem in wakende of slapende toestand verscheen – en dan niet voor zijn ogen maar in zijn verstand.
Vanwege enkele bijzondere en buitengewone verschijningen moet men niet afwijken van de algemene regel van het geloof, waarbij men gelooft dat Christus met Zijn lichaam in de hemel is en daar zal blijven tot aan het einde van de wereld. Toch kan men niet ontkennen dat Christus op een bepaald ogenblik is waar Hij wil, zoals het Hem in Zijn majesteit en uitnemendheid behaagt.
Nee, echt niet. We verdedigen Gods almacht juist, omdat we zeggen dat Hij dat níet kan doen. God is immers zo almachtig en alles vermogend dat Hij niet strijdt tegen de waarheid. Hij kan bijvoorbeeld op geen enkele manier maken dat een ding er op een bepaalde tijd is én niet is; en ook niet dat hetzelfde lichaam zijn eigenschappen behoudt, dus zijn eigen begrensdheid, en dat ditzelfde lichaam op dezelfde tijd op veel verschillende plaatsen tegelijk aanwezig is. In dit verband zegt Cyrillus71) dan ook heel terecht: “Alles kunnen vervullen, door alles heen gaan, en in alles volgen – zult u dat aan een andere natuur dan alleen de goddelijke toeschrijven? Nee, ik niet.”
Zo mag men beslist niet spreken, want deze onderscheidingen ten aanzien van het ene en het andere kunnen niet vanuit de Schrift bewezen worden. Vervolgens nemen die onderscheidingen ook de tegenstrijdigheid niet weg, want dan is het alsof iemand zegt dat het lichaam van Christus dood geweest is op de wijze van de dood, en op dezelfde wijze ook levend naar de wijze van de dood maar tegelijk eveneens levend naar de wijze van het leven. Ten slotte nemen die tegenstrijdige wijzen van zijn de tegenstrijdigheid zelf niet weg, want de ene stoot de andere omvér wanneer ze voor hetzelfde object gelden; integendeel, de tegenstrijdigheid wordt er alleen maar door bevestigd!
Men kan dergelijke van elkaar verschillende aspecten niet als argument gebruiken, waarbij dezelfde zaak werkelijk zó is en tegelijk níet is. Dat voeren onze tegenstanders altijd als argument aan, maar dat doet hen dwalen. Men moet immers geen manier van zijn verzinnen die het wezen van die zaak wegneemt! Daarom kan het aangenomen lichaam van Christus dat fysiek en concreet bestaand is, beslist niet tegelijk werkelijk op veel plaatsen tegelijk zijn, niet fysiek en onmetelijk zijn, ook al is het echt met in onuitsprekelijke heerlijkheid gehuld. God is immers waarachtig en onveranderlijk, en Hij wil niet dat ‘ja’ tegelijkertijd ‘nee’ is, want dat gaat tegen de onveranderlijke basisregel in dat ieder ding is óf er niet is.
Nee, want hier worden dingen met elkaar vergeleken die geheel en al van elkaar verschillen. Het oog is er namelijk vanuit zichzelf op ingesteld om het eigen natuurlijke en essentiële instrument te zijn waardoor de levende ziel haar gezichtsvermogen tot uiting laat komen, zonder welke ze dat niet kan realiseren. Het lichaam van Christus is er echter níet van nature op ingesteld om een eigen natuurlijk en essentieel instrument te zijn waardoor de goddelijke natuur haar overal tegelijk tegenwoordig-zijn en niet-zichtbaar zijn realiseert, zonder welk die natuur beslist niet overal tegenwoordig of onzichtbaar zou kunnen zijn.
Vervolgens gaat het niet om het lichaam van Christus op zichzelf of buíten de persoonlijke vereniging met God. Buiten die vereniging om is er immers helemaal geen sprake van het vlees of het lichaam van Christus; het is er nooit geweest en het zal er nooit zijn.
Bovendien ontvangt een natuur niet iets wat tegen haar zelf ingaat of van haarzelf verschilt. Welnu, daarom is het “zeer verschillend en in zichzelf geheel en al tegenstrijdig om ergens op een bepaalde plaats omschreven te worden als aanwezig, en tegelijk overal te zijn”, zegt Vergilius. Dan zou men moeten zeggen dat de menselijke natuur van Christus een begin heeft in haarzelf en niet in de vereniging van beide naturen. Dan zou ze vanwege haar eigen natuur minder zijn dan de engelen, maar in de vereniging van beide naturen gelijk aan de Vader. Dan is ze ten slotte in haar eigen natuur gestorven, maar in of vanwege of ten aanzien van de vereniging van beide naturen is ze níet gestorven.
Nee, want voor zover de menselijke rede of het menselijk verstand na de wedergeboorte geestelijk geworden is, geeft ze aan de schepselen een getuigenis dat wáár is en leert ze ons ten aanzien van het menselijk lichaam goede en zuivere uitgangspunten. Er staat immers geschreven: “Weest niet als een paard, als een muildier zonder verstand” (Psalm 32:99 Weest niet als een paard, als een muildier zonder verstand, welks trots men bedwingt met toom en bit, opdat het u niet te na kome.). Bovendien is God de Auteur en de Oorzaak van alle waarheid, of het nu over redelijke, zedelijke of natuurlijke dingen gaat. Ja, toen Christus na Zijn opstanding wilde bewijzen dat het écht Zijn lichaam was, gebruikte Hij de zichtbaarheid en de tastbaarheid ervan als bewijs; Hij beriep Zich dus op het gezicht en gevoel en het aanraken van de discipelen.72) Zo mag men uit elke aanwezigheid van brood tijdens het Avondmaal echt wel vaststellen dat het om écht brood gaat. Alle zintuigen bevestigen dit immers, en die kunnen toch niet allemaal tegelijk bedrogen worden! Of het zou moeten zijn dat ze in een waan gehouden worden, zoals de twee discipelen die dachten dat de Here een vreemdeling op reis was, en zoals Maria van Magdala, die dacht dat Hij de hovenier was.73)
Helemaal niet! Er kunnen dingen zijn die op gelijke manier met elkaar verenigd zijn, waardoor het ene zich niet verder uitstrekt dan het andere, en het ene niet ergens kan zijn waar het andere niet is. Als het ene zich echter verder uitstrekt dan het andere, moet het grootste dáár zijn waar het kleinste is, maar dat geldt niet andersom, zoals men kan zien bij een ring met een edelsteen. Welnu, omdat de goddelijke natuur van Christus Zijn menselijke natuur vér te boven gaat, is wel Zijn godheid dáár waar Zijn menselijke natuur is, maar dat geldt niet andersom.
De persoonlijke vereniging van Christus’ goddelijke en menselijke natuur geeft ook geen gelijkmaking met of opgaan in de goddelijke natuur of een uitstorten van de goddelijke eigenschappen in de menselijke natuur, zodat die dezelfde eigenschappen heeft als de goddelijke natuur. Nee, het is zó’n vereniging dat de menselijke natuur in de Persoon van het Woord bestaat, zodat ze bij wijze van spreken daarvan een onderdeel is en niet op zichzelf bestaat of buiten het Woord om. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt daarom: “Hieruit volgt niet dat hetgeen in God is, overal als God is.”
Vervolgens weten we dat Christus’ godheid in haar geheel overal is; ze is dus niet ergens gedeeltelijk en ook niet in één plaats. Daarom kan het ook niet zo zijn dat de menselijke natuur die Christus aangenomen heeft, ergens is waar de goddelijke natuur níet is. Het is echter wel zo dat deze menselijke natuur – zoals Zijn nooit te verbreken waarheid dat met zich meebrengt – op haar bepaalde plaats is gesteld.
Het lichaam van de zon en haar licht zijn natuurlijk heel nauw met elkaar verbonden, maar toch komt het lichaam van de zon niet werkelijk op alle plaatsen waar het licht zich verspreidt. Op dezelfde manier zijn ook het oog en het licht met elkaar verbonden, maar het gezichtsvermogen komt tot veel plaatsen waar het oog zelf niet komt.
Ten slotte hebben de oude kerkvaders op het concilie van Chalcedonië heel terecht gezegd dat het onderscheid tussen de naturen van Christus vanwege de persoonlijke vereniging [van beide naturen] niet is weggenomen, maar dat daardoor juist veel meer de kenmerkende eigenschap van beide naturen die in die éne zelfstandige Persoon samenkomen, behouden wordt.
Nee, want de “Zoon des mensen” duidt hier de hele Persoon van Christus aan – Hij die Gods Zoon is. De menselijke natuur moet hier alleen opgevat worden als het deel van die Persoon dat uit de maagd Maria is aangenomen. Van deze Persoon wordt gezegd dat Hij niet alleen mens maar ook God is; het is dus heel vreemd om dit alleen op de menselijke natuur te betrekken. Dan zou men ook immers ook kunnen zeggen dat de menselijke natuur er al voor Abraham was éér ze in het lichaam van een vrouw ontvangen werd.
Het is zeer zeker zó dat de Zoon des mensen in gelijke mate in de hemel was toen Hij op aarde sprak, nadat Hij vanuit de hemel was neergedaald. Christus spreekt over hetzelfde subject, namelijk de Zoon des mensen, dat Hij uit de hemel is neergedaald – dezelfde over wie Hij ook gezegd dat Hij in de hemel was. Als er gezegd wordt dat de Zoon des mensen uit de hemel is neergedaald, gaat het niet over de neerdaling van zijn lichaam uit de hemel, maar dat zijn goddelijke natuur uit de hemel afkomstig is en menselijke vlees of lichaam heeft aangenomen. Daarom kan er gezegd worden dat de Zoon des mensen in de hemel was terwijl Hij ook op de aarde was. Dat betekent niet dat de menselijke natuur van de Zoon in de hemel was, maar wél zijn goddelijke, die altijd hemel en aarde vervult. Het gaat hier om een metonymische manier van spreken, waarbij het geheel bedoeld wordt en een deel ervan de naam krijgt van het geheel – zo zegt Cassianus.74)
Op geen enkele manier! De heerlijkheid heeft de werkelijkheid van het lichaam immers niet opgeheven en dat lichaam ook niet in een geest veranderd, maar wel – zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt – geheel en al aan de Geest onderworpen.75)
Nee. Ons verstand en onze ervaring leren immers het tegendeel. Deze dingen kunnen niet in letterlijke zin gezegd worden, en als dat wel gebeurt, begaat men een grote godslastering zoals die van de mensen in Kafarnaüm. De manier van spreken van deze kerkvaders is dus figuurlijk; daarbij worden de begrippen van het lichaam en bloed en wat ze met zich meebrengen aan het brood en de wijn toegeschreven, en andersom gebeurt dat met de tekenen [van brood en wijn] aan het lichaam en bloed van Christus. Die manier van spreken is bedoeld – al klinkt het wat al te concreet en al gaat het wat al te ver – om daardoor de waarde van het sacrament voor de aanwezigen aan te prijzen. Door deze figuurlijke en beeldende manier van spreken wil men te kennen geven hoe zeker en hoe groot de verborgenheid is van onze gemeenschap met Christus – als een geestelijk eten van Christus, waarbij wij vlees zijn van Zíjn vlees en been van Zíjn benen. Dan zijn we dus werkelijk één met Hem geworden en delen we in al Zijn genadegaven.76) Op een andere plaats zegt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme.77) ook: “Wij kunnen naar Christus die in de hemel is, niet met onze hand reiken, maar we kunnen wel door het geloof bij Hem komen.” En in Tract. in Ioan. 50 zegt hij: “Het lichaam van Christus is naar de hemel gegaan. Iemand zou dan kunnen vragen: Hoe zal ik met mijn handen tot aan de hemel reiken, zodat ik Hem die daar zit, kan vasthouden? Zend uw geloof naar Hem en dan hebt u Hem.” in [zijn commentaar op] Psalm 731 Een psalm van Asaf. Waarlijk, God is goed voor Israël, voor hen die rein van hart zijn. 2 Maar mij aangaande, bijkans waren mijn voeten afgeweken, bijna waren mijn schreden uitgegleden. 3 Want ik was afgunstig op de hoogmoedigen, toen ik de voorspoed der goddelozen zag. 4 Want moeiten hebben zij niet, gaaf en welgedaan is hun lichaam; 5 in de kwelling der stervelingen delen zij niet, en met andere mensen worden zij niet geplaagd. 6 Daarom is de trots hun een halssieraad, het geweld omhult hen als een kleed; 7 hun ogen puilen uit van vet, de inbeeldingen van hun hart lopen over; 8 zij spotten, en boosaardig spreken zij van verdrukking, zij spreken uit de hoogte; 9 ze zetten een mond op tegen de hemel, en hun tong roert zich op de aarde. 10 Daarom wendt zijn volk zich hierheen, en als water in overvloed wordt het door hen geslorpt; 11 zij zeggen: Hoe zou God het weten; zou er ook wetenschap zijn bij de Allerhoogste? 12 Zie, zo zijn de goddelozen, altijd onbezorgd vermeerderen zij het bezit. 13 Maar tevergeefs heb ik mijn hart rein gehouden, mijn handen in onschuld gewassen. 14 De ganse dag word ik geplaagd, mijn bestraffing is er elke morgen. 15 Indien ik gezegd had: Ik zal aldus spreken, zie, dan ware ik afvallig geweest van het geslacht uwer kinderen. 16 Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen, 17 totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde lette. 18 Waarlijk, Gij stelt hen op glibberige plaatsen, Gij doet hen instorten tot puin. 19 Hoe worden zij in een oogwenk tot een voorwerp van ontzetting, zijn zij verdwenen, vergaan door verschrikkingen; 20 gelijk een droom na het ontwaken, o Here, versmaadt Gij, als Gij opwaakt, hun beeld. 21 Toen mijn hart verbitterd was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, 22 toen was ik een grote dwaas en zonder verstand, ik was een redeloos dier bij U. 23 Nochtans zal ik bestendig bij U zijn, Gij hebt mijn rechterhand gevat; 24 Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij in heerlijkheid opnemen. 25 Wie heb ik (nevens U) in de hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde; 26 al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig. 27 Want zie, wie verre van U zijn, gaan te gronde, Gij verdelgt al wie overspelig U verlaat, 28 maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn, de Here Here heb ik tot mijn toevlucht gesteld, en ik wil al uw werken vertellen. schrijft hij dat hij Hem als het ware in zijn hand hield, omdat hij het sacrament van Christus’ lichaam in de hand hield.
Cyprianus zegt dat de sacramenten de namen dragen van de dingen die ze betekenen. En de al genoemde AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt eveneens: “Verwonder u er niet over dat het teken soms de naam krijgt van wat het betekent; zo wordt de steen Christus genoemd, omdat ze Hem uitbeeldt.” Daarom zeggen we ook met Cyprianus dat de gedaante, de uitwendige vorm van brood en wijn niet verandert, maar dat het wezen van het brood en de wijn veranderd wordt in het sacrament van het lichaam en bloed van de Here – wat ze tevoren niet waren. Ook Chrysostomos drukt zich zo uit: “Wat eigen is aan de tekenen, schrijft de apostel toe aan de betekende zaak, met name voor zover dat het geloof en het inzicht van de ziel betreft.”
Wat bedoelen de oude kerkvaders als ze geheel in grote verwondering zijn over de verborgenheid van het Avondmaal, als ze dat een verborgenheid noemen waarvoor men hoort te beven; als ze daarvoor het geloof hoog nodig achten; als ze Gods macht daarin erkennen en grootmaken; als ze zeggen dat men in het lichaam van Christus niet moet letten op de natuurlijke orde; en als ze aan de tekenen enige verandering toeschrijven?
Zij maken hiermee duidelijk dat die verandering van de bestanddelen uit genade plaatsvindt; en dan geldt dat niet zozeer wat in wezenlijke zin hun eigen en natuurlijke materie en vorm betreft, maar het heeft wel te maken met hun bijzondere aard, dus dat wat hun eerste werk, hun doel en hun gebruik is. Die verandering is dan ook de heiliging, de bestemming of het overbrengen van de tekenen van het gewone gebruik naar het heilige en verborgen gebruik dat de verzegeling en het getuigenis van het eeuwige leven geeft. De bestanddelen voeden nu niet alleen het lichaam voor dit leven zoals dat aan onze gewone tafel gebeurt, en geven hun zegeningen; maar ze voeden ook de ziel vanwege Gods instelling, omdat ze sacramenten zijn van het lichaam en bloed van Christus om voor ons vaste en stellige onderpanden te zijn van het lichaam en bloed van Christus en dus van het eeuwige leven dat uit Hem in ons overvloeit. Daarom spreekt Paulus niet eenvoudigweg over Avondmaal en drinkbeker, maar over het Avondmaal en de drinkbeker des Heren. En in 1 Korintiërs 10:44 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus. spreekt hij over een geestelijke rots waaruit de Israëlieten in de woestijn dronken.
Theodoretus zegt dan ook: “De Heer noemt de zichtbare tekenen zijn lichaam en bloed, niet omdat het karakter daarvan verandert, maar omdat Hij genade schenkt aan wat natuurlijk is.” De natuur ontvangt dus de genade, waardoor de bestanddelen sacramenten of geestelijke substanties worden. Dat wil zeggen dat ze uitwendige middelen en werktuigen van de Heilige Geest worden om de gemeenschap met Christus in ons te versterken, te behouden en te vermeerderen.
De kerkvaders verwonderen zich over deze sacramentele, niet-wezenlijke verandering omdat die wonderlijk en bovennatuurlijk is – en die verwondering is heel terecht! Zonder Gods macht kan immers geen aardse en vergankelijke substantie die eigenlijk bedoeld is om het lichaam te voeden, iets heiligs voor ons worden, namelijk hemels en geestelijk voedsel. Het is geen werk van de natuur dat deze tekenen ons hart daadwerkelijk en met kracht ontroeren, en ons het lichaam en bloed des Heren aanbieden om door ons met het hart en door het geloof aangenomen te worden. Zo is het ook geen werk van de natuur dat het water een bad van wedergeboorte wordt.
Deze sacramentele verandering is echter niet wonderlijker of onuitsprekelijker dan een onverbroken zegel op een openbare brief. Het verschil is dat het hier gaat om een goddelijke instelling die vanwege goddelijke zaken is ingesteld, en dat [die brief] een menselijke instelling is om menselijke zaken met kracht te bevestigen. AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt dan ook dat de sacramenten wel achtenswaardig zijn, maar niet wonderlijk alsof ze over wonderbaarlijke zaken gaan.
Vervolgens zeggen dezelfde kerkvaders dat ten aanzien van deze zaken vooral het geloof noodzakelijk is, want daardoor houden we het wáár dat het brood het lichaam des Heren is; dat wil zeggen: dat wij werkelijk door het wettig gebruik van het brood deel krijgen aan het lichaam van Christus.
Ten slotte geven de kerkvaders hiermee aan dat de onuitsprekelijke en werkelijk wonderlijke gemeenschap die we met Christus hebben, hierdoor bekrachtigd wordt – en daarvoor moeten we niet kijken naar de orde van de natuur, omdat het hier gaat om zaken die alle menselijk verstand te boven gaan.
Nee, want het vuur maakt het ijzer wel gloeiend en het dringt in heel dat ijzer ook door, maar het verandert het wezenlijke van het ijzer niet – aldus Theodoretus78). In een gloeiend zwaard behoudt het vuur wel het vermogen van de hitte, zoals het ijzeren mes dat heeft om te snijden. DamascenusJohannes Damascenus (676-749) was een monnik die wel bekendstaat als de laatste Griekse kerkvader. Hij schreef onder meer 'Een nauwkeurige uiteenzetting van het orthodoxe geloof' en strijdschriften tegen de islam, tegen het manicheïsme en tegen andere ketterijen.79) zegt: Het ijzeren mes heeft niet het vermogen van het vuur, want het is de taak van het vuur om te branden, zoals het ijzeren mes de taak heeft om te snijden. Met dit beeld hebben de oude kerkvaders de nauwe vereniging van de twee naturen van Christus willen verklaren, zonder die te vermengen en de eigenschappen van de goddelijke natuur werkelijk in de menselijke natuur te laten overvloeien.
Het ene kan niet met het andere vergeleken worden. Hierboven was sprake van natuurlijke manieren van eenwording, waarbij nieuwe hoedanigheden aan iets worden toegevoegd, of de ene zelfstandigheid met de andere samengaat. Maar hier, bij de instelling van het sacrament door Christus, is alles bovennatuurlijk.
Bovendien is Christus in het Avondmaal er niet om het brood, maar om de mens. Christus heeft de woorden “dit is mijn lichaam” niet gesproken vanwege het brood alsof Hij dat wezenlijk had willen veranderen of zijn lichaam aan het brood had willen meedelen. Nee, Hij heeft de discipelen de belofte gedaan dat zijn lichaam met ons is, waardoor Hij ons als zijn ledematen met Hem verenigt.
Het brood dat Christus met Zijn handen brak en aan de discipelen gaf, is zoals Hij zei “mijn eigen lichaam”. Maar dat is het niet wezenlijk, maar op een verborgen manier of anders gezegd door een sacramentele belofte. Het is een geestelijke aanduiding van iets dat niet denkbeeldig is maar waarachtig en werkelijk. Paulus spreekt hierover in 1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?: “Het brood dat wij breken, [is] een gemeenschap met het lichaam van Christus.” Dat wil zeggen: het is een zegel en krachtig onderpand, een werktuig of middel waardoor gemeenschap met het lichaam van Christus geoefend wordt.
Deze uitleg bevestigt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. als hij zegt: “De Heere is er niet voor teruggeschrokken om te zeggen: 'Dit is mijn lichaam', toen Hij het teken van zijn lichaam gaf.”80) En TertullianusTertullianus (ca. 160-230) staat bekend als een van de grootste 'kerkvaders'. Hij heeft vele belangrijke geschriften nagelaten, waaronder met name strijdschriften tegen heidenen en joden, alsook tegen ketters. Hij was een fel bestrijder van het gnosticisme en legde steeds de nadruk op de feitelijkheid van het christelijk geloof. zegt: “Van het brood dat Hij nam en aan de discipelen gaf, heeft Hij zijn lichaam gemaakt, toen Hij zei: Dit is mijn lichaam, dat wil zeggen: een afbeelding van mijn lichaam.”
De woorden “Deze drinkbeker is mijn bloed” leggen we ook niet anders uit. De zin en bedoeling van Christus’ woorden is dus deze: zo dikwijls jullie, die mijn discipelen zijn en in Mij geloven, dit brood eten en deze drinkbeker drinken, zal het voor jullie een duidelijk gedenkteken en een getuigenis zijn, dat jullie met mijn lichaam dat voor jullie overgegeven is, en met mijn bloed dat voor jullie uitgestort is, werkelijk – maar dus wel op een geestelijke manier – gevoed worden tot het eeuwige leven.
Omdat het woord “betekent” voor Hem terecht wat te weinig zeggend lijkt geweest te zijn. Hij heeft uitdrukkelijk willen duidelijk maken dat de tekenen niet voorgesteld worden om die aan te merken zoals ze op zichzelf zijn. Hij wil juist dat degene die ze ontvangt, met de ogen van het geloof de zaken die daardoor worden uitgebeeld in deze tekenen zal zien en op een geestelijke wijze zal aannemen– alsof het brood en de wijn geen tekenen waren van die zaken, maar de zaken zelf.
Nee; we moeten echter wel zeggen dat de gehele Christus in het Avondmaal aanwezig is, maar niet het geheel van Christus. De mens Christus is werkelijk tegenwoordig:
Ja, dat wel! Het is echter niet zo dat het gehele wezen, dus zowel de stof als de vorm van het brood en de wijn in het lichaam en bloed van de Here verandert, of in het brood wordt opgesloten, of dat aanneemt, of daar concreet in bestaat – zoals een kind dat in de wieg ligt. Het is namelijk niet tegenwoordig in de uitwendige tekenen door er één mee te zijn of zonder in plaatselijke zin ruimte in te nemen. Het is ook niet op de plaats waar het brood is, en evenmin bij het lichaam van de mensen, en het wordt dus ook niet in hun mond genomen. Wat plaats betreft, is het lichaam van Christus immers in de hemel.
Het is echter wel tegenwoordig voor de ziel van de gelovigen en in het geloof van de mens die het Heilig Avondmaal van Christus op een wettige manier gebruikt. Het is namelijk de kracht van het geloof dat de dingen heel nauw met elkaar verenigt, hoe ver ze plaatselijk ook van elkaar gescheiden zijn. Daarmee verwerpen we de concrete en levendmakende aanwezigheid van het lichaam van Christus in het Avondmaal niet, en evenmin de gemeenschap die de gelovigen in de bediening van het sacrament met Hem hebben. We ontkennen alleen de manier waarop die tegenwoordigheid gestalte krijgt, zoals het verzinsel dat ze in het brood is.
Nee, toch niet. Als we het namelijk echt goed begrijpen, zien we dat die tegenwoordigheid geen betrekking heeft op de plaats van het brood, maar op de gemeenschap met de mens, die door de handelingen van het Avondmaal meegedeeld en verzegeld wordt.
Helemaal niet. Het lichaam en bloed van Christus zijn niet zomaar dingen op zichzelf; in deze sacramentele verborgenheid worden ze echter niet opgevat als een gave voor het lichaam, maar voor de geest; niet voor de uitwendige zintuigen, maar voor het geloof – om ze zo alleen met de ziel in geloof te eten en te drinken. De dingen die men hoort, komen tot ons door het gehoor; en wat men ziet, ontvangt men door het gezichtsvermogen – en zo krijgt men ook de dingen die men begrijpt door het verstand, en die men gelooft door het geloof. Deze laatste dingen zijn ook niet in gelijke mate in stoffelijke voorwerpen te vinden. Wat men door het geloof ontvangt, is immers veel zekerder dan wat men uitwendig en zintuigelijk of begripsmatig verkrijgt. Paulus geeft aan hoe het geloof een bepaald iets aanwezig kan laten zijn door het geloof, als hij in Galaten 3:11 O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, wie Jezus Christus toch als gekruisigde voor de ogen geschilderd is? zegt dat Christus hun voor ogen is geschilderd en onder hen is gekruisigd.
Nee, want Christus is in het zegel van Zijn genade niet anders tegenwoordig dan in het woord of de belofte van die genade. Christus is in het Woord, in de doop en in heel het dienstbetoon van de kerk alleen op een geestelijke manier aanwezig en niet op lichamelijke manier hier-en-nu. Hij wordt in de stem van de dienaar die spreekt, niet opgesloten en evenmin in de sacramentele tekenen of onderpanden. Paulus zegt immers in 2 Korintiërs 5:6-76 Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn 7 - want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen. dat wij wel ‘in het lichaam ons verblijf hebben’, maar toch ‘bij de Here onze intrek nemen’, ‘want wij wandelen in het geloof, niet in aanschouwen’ – en dat doen we door de Geest (vgl. vers 1616 Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer.). In Kolossenzen 3:11 Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. lezen we hetzelfde, namelijk dat Christus hierboven is, en in 1 Tessalonicenzen 4:1616 want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan., dat Christus op de dag van het oordeel zal ‘nederdalen van de hemel’. Hij zal niet dagelijks en op elk ogenblik van de dag komen, maar anders dan Hij opgevaren is – namelijk niet zichtbaar en niet nader omschreven – zal Hij op dezelfde manier terugkeren als ze Hem naar de hemel hebben zien opvaren.82) Daarom ook is Christus in het Avondmaal op een geestelijke manier aanwezig – een aanwezigheid die men hemels, goddelijk en bovennatuurlijk zou mogen noemen en niet natuurlijk of lichamelijk.
Dat is Christus Zelf, die zich met al zijn weldaden op een geestelijke manier aan ons aanbiedt om Hem door het geloof aan te nemen. We krijgen in het Avondmaal niet alleen deel aan de kracht, de weldaden en de gaven van Christus, maar wezenlijk ook aan het levendmakende lichaam van Christus.
Niet als het symbool dat sommige kerkvaders het sacramentele lichaam noemen; dat wil zeggen het lichaam zoals het op sacramentele manier wordt opgevat, zoals men bijvoorbeeld zegt dat het lichaam van de Here gezien wordt, getast of gegeten, een lichaam dat op de aarde valt, geschapen is en ook weer verteert. En ook niet het verborgen lichaam zoals de gemeente genoemd wordt83), want dan zouden de gelovigen als het ware de gemeente eten. We willen natuurlijk niet ontkennen dat het verborgen lichaam door de tekenen van brood en wijn worden uitgebeeld – wat ook [in de Schrift] is vastgelegd en bekrachtigd84) – maar dan wel op de wijze van een vergelijking, waarbij de tekenen zien op heel de Mens Christus, en geheel en al op het ware en natuurlijke lichaam van Christus, dat voor ons overgegeven, gekruisigd en begraven is; op zijn bloed zoals Hij dat voor ons uitgestort heeft; en op zijn ware ziel, ja, op heel de Persoon Christus. Zijn mensheid kan immers zonder de godheid van het Woord dat het leven zelf en de fontein van het leven is85), niet voor ons het brood des levens zijn. Zijn mensheid kan van het Woord niet worden afgescheiden, en die mensheid kan ook niet bestaan zonder de godheid, en Zijn genadegaven kunnen er niet zijn zonder heel zijn Persoon. Daarom wordt het ene niet zonder het andere gegeven of ontvangen.
We ontvangen Christus Zelf met al zijn weldaden, zoals die ons zowel door toerekening als werkelijk en op een duidelijke manier geschonken worden.
Als bredere verklaring zeggen we hierbij nog dat in het eenvoudige woord, in het gepredikte woord Christus door middel van de stem verkondigd en met de oren beluisterd wordt. Maar Christus Zelf, die door het gepredikte woord wordt verkondigd, wordt alleen maar met een gelovig verstand aangenomen. Het lichaam wordt in de doop wel met water besprengd, maar de gelovige ziel wordt met het bloed [van Christus] gereinigd – en dit wordt door het water duidelijk gemaakt. Zo wordt ook in het Avondmaal het lichaam wel gevoed met het brood en de wijn, maar de ziel van de gelovige wordt alleen gevoed met het vlees en bloed van de Here, zoals TertullianusTertullianus (ca. 160-230) staat bekend als een van de grootste 'kerkvaders'. Hij heeft vele belangrijke geschriften nagelaten, waaronder met name strijdschriften tegen heidenen en joden, alsook tegen ketters. Hij was een fel bestrijder van het gnosticisme en legde steeds de nadruk op de feitelijkheid van het christelijk geloof. zegt.
Er is in het Avondmaal dus wel een eten met het lichaam, maar toch is het geen lichamelijk eten, maar een geestelijk eten in het geloof, omdat de vereniging met Christus geestelijk, verborgen en bovennatuurlijk is – een vereniging die plaatsvindt door het geloof en in de kracht van de Heilige Geest. Ook de tegenwoordigheid van het lichaam van Christus is dus geestelijk. Zoals ons gezichtsvermogen in één ogenblik met de zon als fysiek hemellichaam wordt ‘verenigd’, zo wordt in veel sterker mate ons geloof met Christus Zelf verenigd, met zijn lichaam dat in de hemel is.
We kunnen daar niets tegenin brengen als men het woordje “met” opvat als: terwijl – dus: wanneer de gelovigen het Avondmaal gebruiken. Dan betekent dat: als een gelovige het Avondmaal gebruikt, dus het brood en de wijn van de Here eet en drinkt, krijgt hij niet alleen deel aan de aardse gaven, maar ook aan de hemelse, namelijk het lichaam en het bloed van Christus. Maar als men met dat woordje “met” ook in of onder bedoelt om daarmee te willen zeggen dat het lichaam van Christus onzichtbaar aanwezig is in, met en onder het brood, dan verwerpen we dat mede-aanwezig zijn heel terecht. Dan zouden we immers bedoelen dat het lichaam van Christus lichamelijk aanwezig is en niet door ruimte en plaats daarvan gescheiden. Dit laatste wordt door de woorden van Christus namelijk niet bedoeld, en als men rechtzinnig wil blijven, kan die conclusie daarom niet getrokken worden.
Tweemaal. De eerste is die van het lichaam en bloed van Christus met het brood en de wijn – dit wordt een sacramentele vereniging genoemd, en die behoort tot de vormgeving van het sacrament. De andere is de vereniging van het lichaam en bloed van Christus met de gelovigen die – in geestelijke zin – de gemeenschap of het deelhebben aan en het genieten van het lichaam en bloed van Christus wordt genoemd. Deze wordt ons meegedeeld onder de tekenen van het Heilig Avondmaal, en geeft ook het doel van het sacrament aan.
Men moet wat dit betreft echter niet gaan verzinnen dat er een vermenging of een overstorten van het vlees van Christus in onze ziel plaatsvindt. Het is namelijk voldoende dat Christus vanuit het wezen van zijn vlees het leven in onze ziel overbrengt, oftewel zijn eigen leven in ons ziel – al betekent dat niet dat het vlees van Christus in ons wordt opgenomen.
Niet op een natuurlijke manier in die zin dat de betekende zaak op dezelfde plaats als het teken aanwezig is. Daarvoor zijn de volgende redenen:
Krachtens Gods instelling zijn het teken en de betekende zaak één door de verhouding waarin ze tot elkaar staan, want Beda zegt: “Het brood ziet op een verborgen manier op het lichaam van Christus en de wijn op zijn bloed.” In geestelijke zin worden ze ons beide tegelijk gegeven door het geloof: de tekenen door hen die het Avondmaal op een wettige manier bedienen, en de betekende zaal door de Vader en de Zoon Christus, door de kracht van de Heilige Geest.
We moeten in dit verband niet aan getal, soort of geslacht denken, maar aan analogie of overeenkomst en een zekere gelijkheid. Terwijl het over verschillende dingen gaat, maar door een bepaalde gelijkheid kan over van elkaar verschillende dingen gezegd worden dat ze één zijn. De filosoof zegt dan ook: “De dingen die op elkaar gelijken, worden door analogie of overeenkomst één genoemd.” Daarom zijn het brood en het lichaam van Christus of het “brood des levens” door overeenkomst één, omdat ze ons beide voeden – het brood voedt ons lichaam, en het lichaam van Christus de gelovige ziel. Daarom zijn ook de wijn die de Here gebruikte en zijn bloed door een zekere gelijkheid één, omdat ze de dorst wegnemen en ons verkwikken – de wijn ons lichaam en het bloed de gelovige ziel.
Nee, dat is niet het geval. Want die vereniging in één Persoon en de sacramentele eenheid verschillen heel veel van elkaar. Bovendien zou de kwaliteit van het brood heel wat beter zijn dan die van de gelovigen, met wie het lichaam van Christus niet persoonlijk maar alleen op een verborgen manier verenigd is.
Ook is er een groot verschil tussen het lichaam van Christus dat niet op veel plaatsen tegelijk kan zijn, en de Heilige Geest die overal is.
Bovendien mag men geen conclusies trekken uit wat buiten de gewone gang van zaken en door wonderen gebeurt, zodat men niet mag beweren dat die normaal zijn in Gods gemeente, zoals bij het Avondmaal van de Here dat naar zijn bevel gehouden wordt.
Ten slotte is de duif die Johannes de Doper uit de hemel op Christus zag neerdalen, niet werkelijk God of de Heilige Geest geweest, en de Geest was daar ook niet in opgesloten. En hetzelfde kan gezegd worden over het blazen van Christus op zijn discipelen, of over de vurige tongen die op ieder van de discipelen zaten. Al deze dingen zijn alleen maar tekenen en onderpanden geweest, zowel in Christus als in de discipelen.
Nee, anders zou men met recht over de mens mogen zeggen: de ziel is het lichaam; en wat Christus betreft: zijn mensheid is de Godheid. Als het over een gloeiend ijzer gaat, zou men dan mogen zeggen: het ijzer is het vuur, of: het vuur is het ijzer. Dat kan niemand echter goedkeuren. De stelling is alleen waar ten aanzien van de Persoon Christus. Deze zelfde Persoon is zowel Mens als God. In het sacrament is echter geen eenheid wat de persoon betreft. Het kan dus niet zo zijn dat de uitspraak ‘deze Mens is God’ op dezelfde manier wáár is als wanneer we zeggen ‘dit brood is het lichaam van Christus’. Ook in een beeldende en sacramentele manier van spreken is het waar, zoals waar Johannes de Heilige Geest zag neerdalen als een duif, omdat de duif een téken was van de Heilige Geest; zo keuren we het ook als we zeggen dat het brood het lichaam van Christus is.
Van een fles wijn zeggen we terecht maar wel op een oneigenlijke manier: dat is wijn. Hier zijn twee zelfstandige dingen als het ware één geworden, zowel het omhulsel als de inhoud. En van een engel die in menselijke gestalte verschijnt, mag men zeggen: dat is een engel – namelijk als iemand die daar ter plekke staat. We hebben echter aangetoond dat we op deze manier niet over het lichaam van Christus in het brood mogen spreken.
Omdat de Here, die het hemels brood en het brood van het eeuwige leven is, hierdoor Zichzelf werkelijk aan zijn kinderen geeft, zoals Hij aan zijn discipelen werkelijk de Heilige Geest gegeven heeft door middel van het blazen met zijn mond als een teken. Zo heeft Hij ook van veel mensen de ziel en het lichaam gezond gemaakt door hen met zijn hand aan te raken. Het gezichtsvermogen heeft Hij hersteld door slijk dat Hij uit zijn speeksel maakte. De besnijdenis van het hart heeft Hij aangebracht door de besnijdenis van zijn lichaam, en de wedergeboorte wordt werkelijkheid gemaakt door zijn doop. Zij die door het ware geloof verheugd zijn door de tekenen die zij in hun lichaam genieten, ontvangen in geestelijke zin de bevestiging van hun gemeenschap met het lichaam en bloed van Christus.
Ja, heel goed, maar men moet niet denken dat dit dan uit twee delen bestaat en zo samen een zelfstandige eenheid vormen, zoals een mens uit ziel en lichaam bestaat, en het lichaam weer uit het hoofd en de rest van de romp. Nee, het Avondmaal is een heilige daad, een goddelijke instelling, waardoor tegelijk en op één tijd maar niet tegelijk op één plaats, verschillende dingen op een verschillende manier voorgesteld en gegeven worden. Het is dan net eender als bij de situatie dat men een onderpand van een bepaald voorwerp geeft en daarmee tegelijk als het ware het voorwerp zelf.
Dat heeft Hij niet gedaan om zijn lichaam zonder bloedstorting aan God de Vader te offeren voor de zonden van levenden en doden. Dat heeft Hij ook niet gedaan om zijn dood op een beeldende manier voor te stellen, maar tot de gedachtenis, oftewel de verkonding van zijn dood. Hij zegt immers: “Doe dit tot mijn gedachtenis” – dat wil zeggen: blijf aan Mij denken in de samenkomsten van de gelovigen90). Dat wordt ook duidelijk uit de woorden van Paulus in 1 Korintiërs 11:2626 Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt., waar hij uitlegt wat “tot mijn gedachtenis” betekent. Hij zegt daar namelijk: “Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.” Dat betekent: u moet de totale gehoorzaamheid van Christus en al zijn weldaden met een dankbaar hart in gedachtenis houden, bekend maken en openlijk belijden dat u dit gelooft en ook omhelst.
Verkondigen houdt niet in dat men door een identieke daad iets wegdringt of op een kunstige manier iets uitbeeldt, maar dat men vertelt en lof prijst. Daarom kan dit werk niet aan de misdienaren worden toegeschreven. Nee, omdat we zolang we in dit lichaam ons verblijf hebben91), ver van de Here in den vreemde zijn, moeten we voortdurend denken aan de Here Jezus die in de hemel is. Hij gebiedt ons ook om dat te blijven doen tot Hij ten oordeel komt; en daarmee geeft Hij ook aan dat de gemeente tot aan de oordeelsdag zal blijven bestaan. Hij zou dit bevel ook beslist niet gegeven hebben, als Hij Zich voorgenomen had lichamelijk bij zijn gelovigen te blijven. De gedachtenis wordt hier tegenover de lichamelijke aanwezigheid gesteld, want men houdt nu eenmaal geen gedachtenis van iets wat nog komen moet of van wat er is, maar wel van wat geweest is.
Het moet niet zomaar een vluchtige herinnering zijn van iets uit het verleden en wat ons verder niets aangaat. Het moet integendeel juist een sterke herinnering zijn, waardoor een gelovige ziel bij het gebruikmaken van dit sacrament Christus en al zijn weldaden door het geloof aanneemt en zich toe-eigent. Zo gedenkt de gelovige aan het vroegere offer dat eenmaal lichamelijk heeft plaatsgevonden, en daaruit verkrijgt hij troost, blijdschap in het hart, vrede in het geweten, vermeerdering van geloof en liefde. Bovendien is hij in zijn hoop zeker van het toekomende leven en de gelukzaligheid om de verdienste van dit offer te beërven. Ten slotte wordt hij ertoe opgewekt om deze grote liefde van Christus goed te overdenken, Hem het offer van zijn lofprijzing te offeren en Hem te danken.92)
Hieruit concluderen we ook dat het Avondmaal niet is ingesteld om een daadwerkelijk en verzoenend offer voor levenden en doden te zijn. Nee, het is een plechtige en eerbiedige openbare dankzegging voor de menswording van Christus, zijn dood, zijn verlossing en voor al zijn weldaden.
Hat gaat er niet alleen om de geschiedenis goed te overdenken, maar ook ernstig over het volgende na te denken:
De eis van Gods rechtvaardigheid en de ernst van de zonde is zo groot dat de verzoening niet kon plaatsvinden dan alleen wanneer iemand de rechtvaardige straf op de zonde kon dragen en hij die betaald had. De toorn van God is immers zo groot dat de eeuwige Vader alleen tevredengesteld wordt door de voorbidding en de dood van Zijn Zoon. Maar ook is Zijn barmhartigheid zo ontzaglijk groot dat Hij Zijn Zoon voor ons heeft gegeven.
De liefde van de Zoon voor ons is zo groot dat Hij deze werkelijke en ontzaglijke toorn op Zich genomen heeft en dat Hij een offer voor ons is geworden, waardoor Hij ons laat delen in zijn lichaam en zijn bloed. Dat moeten we in het gebruiken van het Avondmaal verkondigen en overdenken. Dan zullen we terecht en met ontzetting beseffen hoe groot Gods toorn tegen de zonde is; dan zullen we over onze zonden ook van harte bedroefd zijn en mogen we ons opnieuw verblijden door deze ware troost. Ten slotte zullen we dan onze Here Jezus Christus met ware dankbaarheid met ons hart, onze mond en ons leven grootmaken en prijzen.
Nee, om de volgende redenen: (1) Omdat Hij daar niet in lichamelijke gestalte aanwezig is; (2) Hij heeft Zich door zijn woord ook niet aan het brood gebonden, en daarom moet Hij, zoals Ambrosius zegt, in de verborgenheid aangebeden worden terwijl men het Avondmaal houdt – en dat als God en Mens. Maar dan zo dat we niet aan de tekenen blijven hangen, maar met de ogen van het geloof en met ons harten niet gericht op de plek waar het brood is, maar gericht op de hemel waar Hij aan de rechterhand van God zit.93) Daartoe nodigde men in vroeger tijden de gemeente tijdens de bediening van het Avondmaal ook uit, als men haar opwekte om de harten opwaarts te heffen – sursum corda! De gemeente zocht het lichaam en bloed van de Here niet hier beneden en evenmin in, onder of met het brood dat in haar substantie aanwezig is. Nee, veel meer is het zo dat zij met de hand van het geloof in de hemel het vlees dat voor ons overgegeven en het bloed dat voor ons gestort is, aanraken en tot zich nemen.
De discipelen zijn [bij de instelling van het Avondmaal] ook niet opgestaan om bij Hem neerknielend het brood en de wijn uit zijn hand aan te nemen. In het boekje dat men aan de volgelingen van Clementus toeschrijft, wordt trouwens de gemeente bevolen met schaamte en eerbied tot de tafel te komen.
Wat het opheffen van het sacrament betreft, willen we wel erkennen dat dit de gang van zaken in de eerste christengemeente was. Het sacrament werd op de tafel, die gedekt was met een schone linnen doek, neergelegd totdat het aan de gemeente werd uitgedeeld. Als de dienaar van de gemeente de linnen doek wegnam, stelde hij de verborgenheden oftewel de sacramenten voor ogen van hen die aanwezig waren. Chrysostomos zegt ook in zijn Liturgie dat de dienaar gewoon was om het brood boven de tafel (maar niet boven het hoofd) op te heffen en luid en duidelijk te zeggen: “Het heilige komt de heiligen toe”. Daarin volgde hij de Joodse ceremonie, waar de priester bij het offeren het offer zelf voor zijn borst ophief en heen en weer bewoog94), met als enige doel dat het volk zich zou voorbereiden op de gemeenschap in het offer.
Het heffen van het brood boven het hoofd van de misdienaar is de kern van deze ‘brooddienst’, maar door Christus of door de apostelen is het niet bevolen of in praktijk gebracht en evenmin in de nog zuivere vroegchristelijke gemeente. Daarom is dit terecht in de evangelische gemeenten afgeschaft.
==== 97. Behoort men het brood dat over is van het Avondmaal, niet als heilig te beschouwen; en moet het daarom niet worden opgeborgen, in optochten worden meegedragen of worden aanbeden?
====
Op geen enkele manier! En wel om de volgende redenen:
Dat de Here zijn onzichtbare gaven op een zichtbare manier aan vrijwel alle zintuigen bekend en duidelijk maakt; ze worden gezien, gehoord, gesmaakt en gevoeld – zodat de hele mens met lichaam en ziel ertoe bewogen wordt om met grote blijdschap deze liefelijke maaltijd te houden en te vieren.
Om een krachtig teken, zegel en getuigenis te zijn van onze gemeenschap, vereniging en inlijving in ons Hoofd Christus, en door Hem als middelaar met de Vader en de Heilige Geest95). Over dit doel zegt de apostel: “Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?” (1 Korintiërs 10:1616 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus?) Dit is in beeldende zin gesproken, zoals ook van het evangelie gezegd wordt dat het “een kracht Gods tot behoud” is (Romeinen 1:1616 Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek.); dat wil zeggen: een krachtig werktuig van God. De belofte van de Here heeft hetzelfde doel op het oog: Wie mijn vlees eet, die blijft in Mij, en Ik in hem.
In drie opzichten.
Bij deze vereniging komt de derde uit de tweede voort, en de tweede uit de eerste.
Het is niet een soort akkoordverklaring van eendracht en overeenstemming, dus een vorm van eenheid in de geest en de wil, maar een inwoning, een inlijving en vereniging van onze persoon met die van Christus.98) Het is wel zo dat het ‘delen in’ eigenlijk betrekking lijkt te moeten hebben op de tekenen, zoals de apostel dat in 1 Korintiërs 10:1717 Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood. uitlegt. Chrysostomos zegt ook dat ieder van hen die eet van hetzelfde brood dat gebroken wordt en daarvan een stukje uitgereikt krijgt, deel heeft aan het ene brood. De gemeenschap met de gehele Christus moeten we ons echter door het geloof toe-eigenen. Het deelachtig zijn of het ‘delen in’ is dus een aannemen van het deel, en de gemeenschap is een genieten van het geheel. Over het ‘delen in’ wordt gesproken als het over de tekenen gaat, maar de gemeenschap heeft betrekking op de betekende zaak, dat wil zeggen op de gehele Christus.
Hoe nauw deze gemeenschap is, blijkt uit het woord ‘eenheid’ dat Christus als een verklaring gebruikt als Hij zegt: “Ik bid U, Vader, dat allen die U Mij gegeven hebt, één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn” (vgl. Johannes 17:2121 opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.).
Het woord “gemeenschap” heeft een andere betekenis als het gaat om de gemeenschap in de gebeden en in het breken van het brood, dan wanneer het gaat om het geven van aalmoezen en het uitdelen aan de armen, en om de overeenstemming in de leer (Galaten 2:99 - en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnedenen gaan.).
Wat houdt het in om in gemeenschap met Christus te zijn?
Het is niet alleen Christus belijden of het gemeenschappelijk mens-zijn ervaren, waardoor Hij één geworden is met het gehele menselijke geslacht. Deze menswording is overigens wel het fundament van de vereniging of gemeenschap waarover we nu spreken. Het is ook niet alleen een vereniging met Christus vanuit genegenheid, liefde, overeenstemming en eensgezindheid; en evenmin alleen gemeenschap hebben aan de verdienste van Christus. Maar deze gemeenschap betekent dat Christus in ons is en blijft wonen en leven; en dat wij in Christus blijven en in Hem leven99). We zijn metterdaad – zoals Chrysostomos zegt – en op een natuurlijke wijze – zoals Cyrillus zegt – dus door de gemeenschap van de menselijke natuur van Christus met Hem verenigd en hangen Hem aan, zodat Christus de onze wordt en wij van Christus worden. Zo worden we door Christus gevoed en zijn we in Hem als het ware in Hem ingegrift. Hierdoor worden we meer en meer in een verborgen lichaam en in één geest in toenemende mate leden van zijn lichaam100), been van zijn been en vlees van zijn vlees, totdat wij “de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van Christus” (Efeziërs 4:1313 totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. en 5:3030 omdat wij leden zijn van zijn lichaam.).
Christus, voor wat Hemzelf betreft én voor wat betreft de weldaad en genade die Hij schenkt – dat wil zeggen: de gehele Christus, zoals Hij met al zijn verdiensten in geestelijke zin met het hart beschouwd moet worden.
Nee, zeker niet! De werkelijkheid van Christus’ vlees en zijn hemelvaart kunnen dat niet verdragen. Bovendien zou er dan een schrikbarend wanstaltig lichaam moeten groeien uit zoveel wezens van verschillende lichamen. Nee, deze eenheid wordt door een band gesmeed die geheel en al geestelijk en bovennatuurlijk is, maar die tegelijk op een geheel goddelijke en hemelse manier werkelijk en wáár is.
Als men namelijk ziet op de dingen die verenigd worden, is die vereniging wezenlijk, en als men op de waarheid van die vereniging ziet, is ze daadwerkelijk; maar als men op de manier van vereniging ziet, is ze geestelijk. Dat er een gemeenschap is, blijkt eenvoudig uit Gods Woord en uit de sacramenten, maar wat de gestalte daarvan is die ons daarin wel degelijk beschreven wordt en die sommigen van ons ook willen weten – daarvan zegt de apostel heel duidelijk in Efeziërs 5:2222 Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan de Here. dat het een groot geheimenis is, maar dat toch die twee tot één vlees zullen zijn. Het karakter daarvan is echter van die aard dat wij dat met ons verstand niet kunnen doorzien en niet kunnen begrijpen.
Het kennen en onder woorden brengen van de formele oorzaak van iets én de verborgenheid ervan zijn zaken die elkaar tegenspreken. “Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben”; en “wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen” – zo lezen we in 1 Korintiërs 13:12-1312 Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. 13 Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde. en 2 Korintiërs 5:77 - want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen.. Het is voldoende dat we in deze verborgenheid de werkende oorzaak met het doel ervan en de tweede oorzaken weten. Want van alle handelingen weten wij pas iets af als we de werkende oorzaak weten, zegt AristotelesDe Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v.Chr.) wordt samen met Plato en Socrates beschouwd als een van de grootste filosofen uit de klassieke oudheid. Aristoteles wordt gezien als één van de grondleggers van de logica, onder meer door zijn concept van het syllogisme. in zijn derde boek over de fysica.
De kracht van de Heilige Geest werkt uit dat de mens Christus en zijn verdiensten aanneemt. Het is als met de zenuwen die zich vanuit de hersenen vertakken tot in alle delen van het lichaam. Ze verenigen de romp, de armen, de handen en de voeten met het hoofd en met elkaar, terwijl elk van die ledematen in het geheel haar eigen functie behoudt. Zo zorgt de ene en dezelfde Geest van Christus die ons aanneemt, ervoor dat we in Hem delen. We hangen het Hoofd Christus nog veel nauwer aan dan de ledematen van een natuurlijk lichaam dat elkaar doen. We kunnen dan ook nooit van Hem gescheiden worden, zoals Paulus ons leert in 1 Korintiërs 12:1212 Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus.: “Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus.” Christus is namelijk het Hoofd, en het verborgen lichaam van dit Hoofd is de gemeente.
Vanwege de grote mildheid van onze Zaligmaker wordt Christus Zelf hierdoor de onze, en wij de Zijne. Daardoor hebben Christus en de gemeente voor de rechtbank van de Vader één en dezelfde zelfstandigheid, ja, zij worden als één in Christus gehouden. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er een persoonlijke vereniging in één wezen tot stand komt, maar wel een verborgen vereniging in de eenheid met Christus.
Dezelfde apostel Paulus zegt dat wij allen door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt; dat wil zeggen dat wij tot één lichaam in Christus zouden opgroeien en toenemen ( 1 Korintiërs 12:1313 want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.). En Ireneüs zegt: “Zoals uit droge tarwe geen deeg of brood zónder bevochtiging kan plaatsvinden, zo kunnen wij met vele gelovigen niet met Christus één worden zonder het water vanuit de hemel.
Daarom zegt Paulus in 1 Korintiërs 6:1717 Maar die zich aan de Here hecht, is één geest (met Hem).: “Maar die zich aan de Here hecht, is één geest (met Hem).” Dit wordt de gemeenschap met de Heilige Geest genoemd. En in 1 Johannes 3:2424 En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft. lezen we: “En hieraan onderkennen wij, dat Hij on ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft.” Romeinen 8:99 Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. voegt daaraan toe: “Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe.”
Alle ledematen van het lichaam zijn door een en dezelfde ziel met het hoofd verenigd en zijn daardoor levend. Zo is het ook met de gelovigen; hoewel ze op de aarde zijn en hun Hoofd in de hemel is, worden zij toch allen daadwerkelijk door een en dezelfde Geest die uit het Hoofd voortkomt, met Christus verenigd. “En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde” (Efeziërs 4:1616 En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde.); zie ook Galaten 3:55 Die u de Geest schenkt en krachten onder u werkt, (doet Hij dit) ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof?.
Dat gebeurt niet op een natuurlijke en lichamelijke manier, zoals we wel met het vlees van Adam verbonden zijn; maar door een niet natuurlijk en geestelijk ‘werktuig’, namelijk door het geloof alleen. Dat geloof is in ons gewerkt door de Geest waardoor Christus ons aanneemt101); en zo ontvangen we Christus en nemen Hem aan, en wordt Hij als door een werktuigelijke oorzaak van ons. Over dat middel spreekt de apostel in Efeziërs 3:1717 opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde., waar hij zegt: “… opdat Christus door het geloof in uw harten woning make.” Zo worden we dus door het geloof met Christus verenigd.
Deze vereniging vindt vanuit Christus gezien plaats door de Heilige Geest, en vanuit ons gezien door het geloof. Er is volgens de Schrift voor ons geen andere manier om ons met Christus te verenigen.
Zij die zeggen dat het geloof de formele oorzaak is van onze vereniging met Christus en van onze rechtvaardiging, dwalen dus, omdat het als het ware een geestelijke hand is die ons door de Heilige Geest wordt toegeëigend, waardoor we Christus met al zijn weldaden aannemen.
Het Evangelie en de sacramenten. Daarom wordt ze een “deelhebben aan de prediking van het evangelie” genoemd102), omdat we door de verkondiging van het Evangelie en het gebruik van de sacramenten gemeenschap hebben met Christus en zijn gemeente (1 Johannes 1:33 hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. En ónze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus.).
Ja, heel zeker! Deze vereniging is immers de oorzaak waardoor wij alle zegeningen in Christus hebben. Er is ook geen andere mogelijkheid om die te ontvangen. De wijnrank trekt geen sappen aan dan alleen wanneer ze aan de wijnstok groeit, en de ledematen worden niet aangestuurd vanuit het hoofd behalve wanneer ze met het hoofd verenigd zijn. Zo is het hier ook: we kunnen niet delen in de gaven van Christus dan alleen wanneer we eerst deel aan Hem hebben. De Here zegt immers: “Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als de rank en is verdord.”103) En de apostel zegt: “Hoe zal Hij (…) ons met Hem niet alle dingen schenken?”104) Dezelfde apostel Paulus getuigt ook dat door de gemeenschap van Christus met ons de gemeenschap met al zijn weldaden volgt, want hij zegt: “Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt”, en daarop volgt: “die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing” (1 Korintiërs 1:3030 Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing.). Hier ziet u dus die gemeenschap met zijn weldaden.
Nee, dat doen ze niet, want diezelfde kerkvaders stellen dat Christus met zijn vlees in de hemel is en nergens anders; zie daarvoor Cyrillus in Boek 11, hoofdstuk 21 en 22. Bovendien is de wijze waarop onze vereniging met Christus wordt gerealiseerd, geestelijk van aard en niet lichamelijk. Deze kerkvaders denken hier aan datgene waarmee men zich verenigd weet, namelijk met het waarachtige en natuurlijke lichaam van Christus zelf. Zij bedoelen daarmee niet een gemeenschap zoals die op een natuurlijke manier plaatsvindt, maar het werkelijk deelhebben aan het fysieke lichaam van Christus. In Hem worden we immers, al is Hij in ruimtelijke en plaatselijke zin ver van ons verwijderd, op een geestelijke manier door het geloof ingeplant. Daardoor weten we dat we geheel en al met lichaam en ziel niet alleen met zijn Godheid, maar ook met het wezen van zijn menselijke natuur – zoals de ledematen van het lichaam met het hoofd – verenigd zijn. Zo zijn we in Hem ingeënt door de band van de Geest en door het geloof. Deze vaderen maken ons hiermee tegelijk duidelijk dat Hij door het aannemen van zijn menselijke natuur onze Broeder geworden is – en dat is de grond en het fundament van onze vereniging met Hem. Zo worden we niet alleen naar de geest maar ook naar het lichaam met Christus verenigd. Daarop slaat ook die vermenging van zacht geworden was, waar Cyrillus over spreekt. Overigens is elke vergelijking maar gebrekkig, want het is beslist niet zo dat ons lichaam of het lichaam van Christus vloeiend gemaakt wordt om met elkaar verenigd te worden. Daarom moeten we ook niet denken aan een natuurlijke, fysieke aanraking of samenvoeging, maar alleen aan een geestelijke vereniging, waardoor – zoals die week geworden was met was – ook het vlees van Christus met het onze nauw verenigd wordt. Zij tweeën zullen een vlees zijn – te weten Christus en zijn gemeente.
Zij gaan niet delen in Gods natuur of wezen, want Hij kan daarin niet mede gedeeld worden. Maar ze ontvangen wel bepaalde eigenschappen en uitnemende heerlijke gaven die de Heilige Geest hun schenkt. Die gaven noemt Petrus niet God maar goddelijk, dat wil zeggen dat zij een goddelijke natuur ontvangen. Dit is een geschapen gesteldheid die tegengesteld is aan onze oude en verdorven natuur, en laat zien dat God deze aan de gelovigen heeft toegezegd en hun ook geeft. Deze gaven en eigenschappen omvatten alle dingen die zowel voor dit leven en de godzaligheid bestemd zijn als voor de gelukzalige onsterfelijkheid, wanneer God alles in allen zal zijn.
Ja, de hele persoon van elke gelovige wordt met ziel en lichaam werkelijk met Christus verenigd. En wel om de volgende redenen:
Eerst worden wij door het geloof verenigd met zijn vlees en daarna via het vlees met zijn Godheid.
Daarom moeten we in de praktijk van het geloof en van de godzaligheid de ogen van onze ziel vóór alles en onmiddellijk slaan op het menselijke vlees van Jezus Christus. Dat is als een voorhangsel waardoor men in het heilige der heiligen kwam waar Gods heerlijkheid op het helderst scheen106) – om daarna zijn Godheid te aanschouwen, oftewel in het allerheiligste van het heiligdom zelf te gaan.
**112. Het doel van onze vereniging met het lichaam van Christus is dat wij, daardoor levend gemaakt, voor eeuwig zullen leven. Hoe maakt het lichaam van Christus, dus zijn mensheid, ons dan levend? ====
Niet door een in potentie aanwezige genade zoals de scholastieke theologen daarover spreken, maar alleen door de genade van een persoonlijke vereniging met Hem. Dus niet door een bepaalde in beginsel aanwezige kracht in het vlees, alsof er in het lichaam van Christus daadwerkelijk een levendmakende kracht zou zijn uitgestort of daarmee op zichzelf al was begiftigd, of dat zijn lichaam dat leven in zichzelf en daardoor dus een levendmakende kracht had. Nee, want de kracht om levend te maken is een onmededeelbare eigenschap die alleen God toebehoort. Het is zoals Cyrillus zegt: “Het komt alleen God toe om levend te kunnen maken wat in zichzelf geen leven heeft.”107)
Maar ook het volgende moet gezegd worden:
Wat betreft de zaken die verenigd worden en de realiteit daarvan, is deze vereniging beslist en wezenlijk waar. Wat de manier waarop betreft, is ze echter geheel en al geestelijk.
Door de werking van de Heilige Geest in ons en door het geloof. Zoals ons gezichtsvermogen in een kort ogenblik tot aan de sterren kan komen, zegt AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme.109), zo verenigt het geloof ons nog veel directer met Christus en zijn menselijke natuur die in de hemel is. Dezelfde AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt ook: “Zend uw geloof naar de hemel, en u hebt haar hier op aarde direct bij u.”
Het eerste wat hier in de vraag beweerd wordt is geheel onjuist en ook zondig110). Als men namelijk stelt dat het geloof alleen maar inbeelding, fantasie, een voorstelling in de gedachte of een gevoel in het hart is, dan verschilt het in niets van een inbeelding, een activiteit van het verstand, een mening en een toestemmen van iets. Het verschilt dan ook in niets van het historisch geloof dat ook veel verworpenen hebben en dat ook de duivelen niet onbekend is. Het geloof dat de evangelische beloften in Christus en daardoor Christus Zelf aanneemt en omhelst, is dan geen volle verzekering en vast vertrouwen en ook geen voor-zeker-aannemen. Het geloof is namelijk heel wat anders dan een inbeelding, een speculatie of een zinvolle gedachte. Het geloof is dan ten slotte ook geen hemelse en bovennatuurlijke gave van God zijn naar de kracht van Zijn sterkte, maar een natuurlijke gave; zijn verstand heeft de mens immers van nature. Omdat al de veronderstellingen ongerijmd zijn, is het eerst gestelde niet juist; en daarom geldt dat ook voor het vervolg.
Zoals de tijdsbepalingen het geloof niet kunnen beletten, omdat de verleden en toekomende dingen in geestelijke zin in het nu samenkomen, zo kunnen ook de plaatselijke ruimten niet beletten dat het geloof zaken die plaatselijk ver uit elkaar liggen, in geestelijke zin als tegenwoordig beschouwt en aanneemt. Het geloof is namelijk “de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet”.111) En: “Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhan gel, waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan.”112)
Door verschillende, maar toch wordt daardoor niet het wezen van en de manier waarop deze vereniging uitgelegd, maar gaat het meer om de vruchten die de gelovigen hieruit mogen ontvangen. Men mag daarom deze vergelijkingen niet verder doortrekken dan in overeenstemming is met de bedoeling van de Heilige Geest.
a. Wij zijn van nature wilde druivenranken die beslist niet groeien aan de wijnstok waarover we spreken. Daar moeten we door genade eerst ingeënt zijn om daarna door de wijngaardenier besnoeid te worden; dan pas zullen we langzamerhand onze zuurheid verliezen en aangename zoete vruchten gaan dragen.
b. Na deze geestelijke inenting moeten we veranderen in de aard en het wezen van de wijnstok waarin we geënt zijn; het mag dus niet zo zijn als bij een natuurlijk ingeënt worden gebeurt.
c. We moeten ons ook niet inbeelden dat er een werkelijke uitstorting van het wezen of van de eigenschappen van Christus in ons plaatsvindt, of een samenvoeging daarvan met onze geest zoals de Postellianen en de libertinisten of vrijgeesten doen. Nee, het gaat hier om de kracht waardoor Christus ons die in Hem gerechtvaardigd zijn, door de Heilige Geest verandert en een nieuw geestelijk leven schenkt.
a. Lichamelijk eten en drinken kunnen het leven niet geven, maar ze dienen alleen tot onderhoud van het lichamelijke leven naar het God behaagt. Maar het voedsel en de drank waarover het hier in geestelijke zin gaat, hebben het eeuwige leven in zichzelf.
b. Het natuurlijke eten en drinken wordt op een natuurlijke manier door het lichaam verwerkt en verteerd om zo één met het lichaam te worden, maar het geestelijke eten en drinken zijn onverderfelijk en veranderen ons bij wijze van spreken tot een nieuwe wijze van bestaan, zoals AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt: “U zult niet veranderd worden in Mij, maar Ik zal veranderd worden in u.”
c. Het natuurlijke eten en drinken komen alleen dit leven een korte tijd ten goede, terwijl het ook – tenzij men er matig en met onderscheid mee omgaat – hinderlijk kan zijn en soms ook tot de dood kan leiden. Maar zij die het geestelijke voedsel en de geestelijke drank eten en drinken, ontvangen de onsterfelijkheid, dus het eeuwige leven.
d. Als Christus zijn vlees vergelijkt met voedsel en zijn bloed met drank, en het geestelijke genieten daarvan vergelijkt met eten en drinken, dan wil Hij daarmee niet zeggen dat zijn vlees en bloed in onze ziel of in ons lichaam komt of dat de eigenschappen van zijn ziel of zijn lichaam aan ons worden overgedragen. Nee, Hij bedoelt daarmee dat de vrede in het geweten en het heilige, geestelijke en hemelse leven in ons wordt gewerkt door de gave van de Geest der heiliging.
De manier van spreken is in al die vergelijkingen oneigenlijk, dus we mogen die niet in strikte en letterlijke zin opvatten. We mogen zoals de apostel ons vermaant, geen geestelijke zaken samenvoegen met lichamelijke, maar geestelijke met geestelijke. Dat wil zeggen dat we de woorden moeten aanpassen aan de zaken, en niet de zaken aan de woorden; zie 1 Korintiërs 2:1313 Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken..
Dat zijn er verschillende.
Over ons die in geestelijke zin door het geloof in Christus zijn ingeënt, giet Hij door de kracht van de Heilige Geest of door de werkelijk aanwezige kracht van de Geest in ons het levendmakende vermogen tot in het eeuwige leven. Dat wil zeggen: Hij schenkt ons de tweede vrucht van de zaligmakende kracht die onafscheidelijk met zijn vlees is verenigd. Daardoor maakt Hij ons inwendig levend, Hij vernieuwt en heiligt ons zowel wat ons verstand als onze wil en onze gevoelens betreft; en zo maakt Hij ons gelijk aan zijn menselijke natuur. Zo laat Hij het geestelijke leven en de daarmee verbonden gerechtigheid in ons persoonlijk leven beginnen – een leven dat pas op de jongste dag tot voltooiing zal komen. Tegelijk hiermee schenkt Hij ons alle genadeweldaden die voor ons nodig zijn om het eeuwige leven te verkrijgen en daarvan te genieten. We denken dan aan het ervaren van Gods liefde, de zekerheid van onze verkiezing, de gave van de rechtvaardiging en van de aanneming tot kinderen oftewel de wedergeboorte, het geloof en de goede werken en andere genadige geschenken van zijn Geest. Hij schenkt die aan ieder persoonlijk, zoals Hij dat wil118), totdat we in de hemel met Hem tot in eeuwigheid zullen leven, zoals we daarvan ook lezen in Johannes 15:55 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.: “Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht”, en in Johannes 1:1616 Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade.: “Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade.” We hangen de Here aan en worden een geest met Hem, namelijk door de gelijkvormigheid van verstand, wil en gevoelens en door de vernieuwing van het beeld van God in ons door de Heilige Geest.119) We lezen ook: “[Wij] veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid” (2 Korintiërs 3:1818 En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is.); en ook: “Wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen” (1 Johannes 3:22 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; (maar) wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.); en ten slotte: “die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt” (Filippenzen 3:2121 die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.). Hierom wordt gezegd dat Christus in ons is en in ons leeft, en anderzijds wordt gezegd dat wij in Hem zijn en leven. Daarom zegt Paulus in Galaten 2:2020 Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.: “Toch leef ik, dat is, nier meer mijn ik, maar Christus leeft in mij.” Met deze woorden wordt niet te kennen gegeven dat Gods wezen in ons is of dat de eigenschappen uit de ziel of het lichaam van Christus in onze ziel invloeien zoals dwaalgeesten zich inbeelden. We bedoelen er wel mee dat de kracht van deze gemeenschap met Christus veel sterker is om ons te rechtvaardigen en heilig te maken dan de kracht van onze ziel die met ons lichaam is verenigd, om ons lichaam tot leven te wekken.
Ten slotte vloeit uit deze gemeenschap tussen Christus en de gelovigen de vereniging van de gelovigen met elkaar voort. Die vereniging bestaat niet uit een onderlinge samenvoeging van zielen en lichamen, maar uit de eenheid van geloof en hoop en de band van ware en heilige onderlinge liefde – en wel in die mate dat de gelovigen een van hart en ziel lijken te zijn.120) Daarom wordt ze ook wel de gemeenschap der heiligen genoemd.
Als wij het sacrament gebruiken zoals Hij het heeft ingesteld, moet het een getuigenis zijn van ons in geestelijke zin gevoed worden door Christus. We worden op een geestelijke manier gevoed en onderhouden door het lichaam en het bloed van Christus, zoals zijn eigen belofte luidt: “Eet, drinkt, dat is mijn lichaam.” Dit doel komt dus geheel overeen met wat hiervóór al is gezegd.
De bevestiging van het Nieuwe Testament tussen God en mensen, dat wil zeggen de belofte van het evangelie ten aanzien van de vergeving van de zonden. Daardoor betuigt God dat Hij allen in genade aanneemt en hun de zonden vergeeft omwille van de verdienste, het lijden en de dood van Christus, die vanuit het ware en levende geloof dit sacrament gebruiken. Dat heeft Hij immers Zelf met zijn woorden over “deze drinkbeker” bevestigd.
Zo is het Avondmaal een liefelijk teken van het verbond waarin Gods Zoon Zich met ons verbindt, waardoor Hij ons in zijn goedheid en genade aanneemt, en wij van onze kant met Hem een verbond maken met de verzekering dat we in Hem geloven, zijn weldaden uit genade ontvangen, en dat we liever al ons bezit kwijtraken dan Hem niet te gehoorzamen.
Het sacrament moet ook een pand zijn van onze opstanding. Dat geldt in de eerste plaats de geestelijke opstanding in dit leven die we daarom de eerste opstanding noemen en die betrekking heeft op de ziel.121) Wie daaraan deelheeft, over hem zal de tweede dood geen macht meer uitoefenen.122) Dat geldt vervolgens ook de lichamelijke opstanding op de jongste dag, de dag waarop het lichaam zal opstaan; en dan spreken we over de tweede opstanding, die ons van de eerste dood verlost123), en ook het eeuwige leven en de eeuwige zaligheid schenkt. Die mogen we dan beërven door de kracht van Christus’ opstanding uit de doden. Dan zal gelden wat in Johannes 6:5454 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. staat: “Wie mijn vlees uit en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.”
Ook moet het sacrament een pand zijn van onze geestelijke gemeenschap, waardoor wij zij die delen in het sacrament als het ware tot één lichaam door de Geest van Christus verenigd worden. Zij gaan aan een en dezelfde tafel en genieten daar hetzelfde voedsel en dezelfde drank als leden van een huisgezin en als mede-gasten. Zij zitten daar als homospondei, delend in hetzelfde offer, of als bondgenoten die tot eenzelfde verbond behoren, zoals men vroeger gewoon was om een verbond door een gemeenschappelijk offer te bekrachtigen. Zo komt het ook dat men de verbonden spondas noemde. In 1 Korintiërs 10:1717 Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood. zegt Paulus dan ook: “Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood.” We moeten daarbij wel bedenken dat in het sacrament het niet beslist nodig is dat het een brood is in het enkelvoud, en ook dienen we te beseffen dat hier sprake is van een verborgen lichaam in Christus.
Hieruit volgt opnieuw dat onze gemeenschap met Christus niet van lichamelijke en natuurlijke aard is, omdat de gemeenschap van de kerk of gemeente niet lichamelijk is, maar zich op een verborgen en geheel geestelijke wijze manifesteert.
Het brood ontstaat immers na het malen van veel graankorrels en het daarna bakken van het meel; en de wijn ontstaat door het persen van veel druiven. Zo groeien wij als vele gelovigen tezamen op in één verborgen lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. In Romeinen 12:4-54 Want, gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, 5 zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander. lezen we: “Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, (…), zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander” – we zijn als mensen in Christus Jezus van hetzelfde lichaam.
Deze gemeenschap der heiligen komt voort uit de gemeenschap die wij met Christus als ons Hoofd hebben – zoals oorzaak en gevolg bij elkaar horen. Hieruit volgt vanzelfsprekend ook de overeenstemming in de wil, en daaruit komt de liefde voort, de eendracht en het één van hart en ziel zijn van hen die aan het avondmaal gaan – zoals het toegaat tussen de leden van een verborgen en geestelijk lichaam. Als deze liefde niet in zijn hart voelt, is het voor hem beter zich van het Avondmaal te onthouden.
Het Avondmaal is voor ons ook een voorschrift waaruit we kunnen leren dat we, als de nood dat eist, onze lichamen tot eer van God en tot bescherming van onze naasten moeten opofferen en ons leven daarvoor moeten overgeven. We moeten ons er ook aan gewennen om de bezittingen die God ons gegeven heeft, in liefde en met een voor allen geldende milde vrijgevigheid rijkelijk te schenken aan de armen en allen die hulp nodig hebben. Laat het een aansporing zijn om te volharden in de broederlijke liefde – een liefde die voortkomt uit het heerlijke onderpand van Gods liefde voor ons, arme zondaren. Het moet echter verre van ons zijn om dit zoals bij de wederdopers het belangrijkste doel van het Avondmaal te laten zijn. Het mag ook niet zo zijn dat deze heilige en verborgen zaken alleen een voorschrift tot navolging voor ons zijn en ons alleen enkele verborgen zaken in herinnering brengen.
Nee, zeker niet! Maar het is zoals Origines zegt: de kracht en de vrucht ervan zijn er in overeenstemming met de toestand, de grootte en de omstandigheden van het geloof in hen die tot het Avondmaal komen.
Laat het op de volgende manier bediend worden.
In de openbare samenkomst van de gemeente, en niet voor ieder afzonderlijk in zijn eigen huis of voor hen die thuis ziek op bed liggen. Het moet ook niet gebeuren als men in doodsnood is, terwijl er geen bijeenkomst van de gemeente is en andere gelovigen er niet in kunnen delen. Het bijeenkomen in het Avondmaal is namelijk een kerkelijk gebeuren en moet ook in het openbaar plaatsvinden; het is dus niet zo dat ieder zijn eigen Avondmaal mag houden,126) Het Avondmaal is ook een pand en een bewijs van de gemeenschap der heiligen.127) Ook moet men niet de weg vrijmaken voor de mening dat er in het deelnemen aan het sacrament een verdienstelijk werk schuilt waardoor een verkeerd vertrouwen ontstaat, zoals bij de viering van de roomse eucharistie.
In de tijd van Justinus brachten de diakenen na de bediening van het Avondmaal des Heren wel alles wat overgebleven was naar hen die door ziekte niet in de gemeente aanwezig konden zijn. Ze brachten dat ook wel bij vreemden en bij bisschoppen die ter plaatse een tijdelijk verblijf hadden. Eusebius vertelt128) dat de bisschop van Rome dat gewoon was, maar dan gebeurde dat zonder bijgelovigheid en met als enige doel om een teken te geven van eendracht en overeenstemming in de leer en heel de belijdenis. We moeten er echter niet op letten of men dat vroeger gedaan heeft, maar het gaat om de vraag of men daar goed aan gedaan heeft. Die manier van doen is nu [in ieder geval] veranderd in een schandelijk bijgeloof. Daardoor brengt men het sacrament nu alleen bij degenen die op sterven liggen, en dat om winstbejag. Daarbij maakt men de mensen wijs dat ze dit nodig hebben om zalig te worden. Daarom is de gewoonte om het brood en de wijn van het Avondmaal bij diegenen te brengen die er niet bij tegenwoordig waren, heel terecht in onze gemeenten afgeschaft.
Cyprianus zegt129) ook dat we bij de bediening van dit sacrament niet anders behoren te doen dan wat Christus Zelf gedaan heeft.
De Here heeft ons geen bepaalde tijden voorgeschreven, zoals onder de bediening van de Wet wel een bepaalde dag in een bepaalde maand van het jaar gesteld was om het paaslam te eten. Toch maakt de zaak zelf ons wel duidelijk dat alle christenen dit niet maar één keer per jaar maar juist dikwijls behoren te doen. Het woordje “dikwijls” dat Paulus tot twee keer toe gebruikt in 1 Korintiërs 11:2525 Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis., roept hen op om het lijden van Christus vele malen in hun gedachten te overdenken en daarmee hun geloof te versterken. Zo stellen ze zichzelf beschikbaar om God lof toe te zingen en zijn goedheid uit te roepen. En in de laatste plaats ook om in de onderlinge liefde toe te nemen, want die band tussen hen kunnen ze ervaren in de eenheid van het lichaam van Christus.
AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zegt dat hij het dagelijks gebruik van het sacrament niet kan prijzen of kan afkeuren, maar wel zegt hij: “Toch roep ik u ertoe op dat u het alle zondagen ontvangt. En als het niet dikwijls kan plaatsvinden, dan moeten de mensen toch tenminste drie maal per jaar tot het Avondmaal gaan.”
Het voorbeeld van Christus schrijft ons ook niet voor het Avondmaal in het nachtelijke uur te vieren. Christus heeft naar het voorschrift van de Wet het paaslam dat “ tussen twee avonden” moest worden geslacht, in de nacht ingesteld. Wij leven nu echter niet meer onder het gebod van de oude ceremoniën.
Niet op een lichtzinnige en onwaardige manier. Zoals een medicijn voor het lichaam niet helpt als men het op een verkeerde en ook schadelijke manier gebruikt als men het niet op de juiste tijd, plaats en manier hanteert, niet met de juiste hoeveelheid en niet gericht op deze bepaalde ziekte waar het bij past – zo doet ook het Avondmaal des Heren geen kracht als een heilzaam medicijn voor de ziel, als men het op een verkeerde manier gebruikt; ja, dan is het juist hinderlijk. De apostel zegt immers in 1 Korintiërs 11:2727 Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.: “Wie [dus] op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.”
Twee soorten: er zijn er die het waardig gebruiken, en er zijn er ook die dat onwaardig doen.
Het is een verschil of het gaat over waardig of onwaardig zijn – en waardig of onwaardig aan de tafel des Heren gaan. De apostel spreekt nergens zó dat sommigen het waardig zijn en anderen niet, maar hij spreekt over hen die waardig of onwaardig eten. Zij die waardig het brood eten en uit de drinkbeker drinken, zijn mensen die niet zonder gebreken of zonden zijn. Die zijn er niet, want vanuit onszelf zijn we allen zo’n grote zegen onwaardig, en ook niet in staat om zulke uiterst betekenisvolle geloofsgeheimen te begrijpen. Maar als we daartoe bekwaam zijn, is dat uit God; zie 2 Korintiërs 3:55 Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk..130)
Dat zijn deze mensen:
Nee, maar zij moeten juist weten dat dit zo belangrijke onderpand gegeven wordt, opdat het geloof aangaande de vergeving van de zonden daardoor zal worden aangewakkerd en bevestigd. Hierdoor zal de ziel die met God verzoend is, Hem ook opnieuw aanroepen en Hem met een goed geweten dienen. De ziel moet niet vertrouwen op haar eigen waardigheid, maar als de verloren zoon zijn, die tot zijn vader terugkeert en dan niet trots is op eigen verdiensten en goede werken, maar zijn schuld erkent en beweent. Zo moeten ook wij onze schandelijke zonden met schuld belijden en onze toevlucht nemen tot de barmhartigheid die ons omwille van Christus beloofd is. Van deze barmhartigheid is het Avondmaal een zegel en pand, waardoor Christus getuigt dat ons de vergeving van zonden uit genade geschonken wordt. Dat houdt in dat onze zonden niet vanwege onze waardigheid worden vergeven, maar omdat Hijzelf een offer voor ons geworden is, en wij moeten weten dat dit medicijn bereid is voor zieken, dus voor mensen die hun onmacht belijden. “Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn” (Matteüs 9:1212 Hij hoorde het en zeide: Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn.).
Dat de mens zichzelf beproeven moet, en “dan” – als hij zich namelijk beproefd heeft en ervaart dat hij door Gods genade mag gaan – “ete van het brood en drinke uit de beker”; zi3 1 Korintiërs 11:2828 Maar ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker..
Dat leert Paulus in 2 Korintiërs 13:55 Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk., waar hij zegt: “Stel uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk.” Toch mag men mensen die nog niet krachtig geroepen zijn, niet direct als verworpenen beschouwen; en evenmin mag men zo denken van mensen die na hun geroepen zijn in zware zonden vallen.
De goede beproeving en het ware onderzoeken van zichzelf bestaan dan ook hierin dat ieder zichzelf nauwgezet onderzoekt:
Paulus zegt dat de mens zichzelf moet beproeven, want niemand kan beter en met meer zekerheid oordelen of hij in het geloof is dan hijzelf. Het is vervolgens zo dat niet de onwaardigheid van een ander maar die van onszelf ons veroordeelt. Bovendien weet ook niemand beter wat er in ons hart schuilt of hoe wij ons tegenover God staan dan wijzelf; zie 1 Korintiërs 2:1111 Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods.. Ten slotte wordt uit de woorden van Paulus wel duidelijk dat ieder kan weten wat hem te doen staat. Niemand mag zich inbeelden dat hier een zogenaamd ‘ingewonden’ geloof vereist wordt of dat men blijft leunen op het geloof van een ander. Nee, zegt de apostel, laat ieder zichzélf beproeven en niet zijn medemens. Niemand mag namelijk zijn naaste oordelen en evenmin denken dat de onwaardigheid van een ander hem zou kunnen verhinderen. Ieder moet namelijk voor zichzelf rekenschap geven, zegt Romeinen 14:1212 Zo zal [dan] een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven [aan God]..
Dit is echter geen beletsel voor de dienaars en herders van de gemeente, die de gemeenteleden wél mogen onderzoeken hoe ze in de leer van de godzaligheid zijn gevorderd. En als het nodig is, moet hij hun ook privéonderwijs, raad en troost geven. Dit onderwijs dienst er namelijk voor om het eerste – de beproeving van zichzelf – te ondersteunen. Wij allen en ieder individueel zijn verplicht ons geloof te belijden en aan de dienaars te laten horen wat onze mening is over de leer. Petrus vraagt in 1 Petrus 3:1515 Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze. dan ook dat we “altijd bereid tot verantwoording [moeten zijn] aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is”.
Nee, want niet alle mensen zijn ertoe in staat zichzelf te beproeven, en bovendien weet men niet van allen of zij tot de gemeente behoren of niet. Bovendien is dit niet afdoende voor hen die eerder de wettige boodschap ontvangen hebben dat ze zich vanwege onboetvaardigheid van de tafel moesten onthouden, om weer opnieuw voor waardige disgenoten gehouden te worden. Zij kunnen niet eenvoudigweg aan de tafel des Heren aangaan.
Niet zij die in de gewone zin van het woord zondaren zijn of zij die zwak zijn in het geloof, want het Avondmaal is voornamelijk ingsteld omwille van de zwakgelovigen. De hoofdman heeft heel terecht gezegd: “Here, ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt” (Matteüs 8:88 Doch de hoofdman antwoordde en zeide: Here, ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen.).
Maar zij gaan onwaardig aan, die niet weten wat het Avondmaal inhoudt en in wie in het geheel geen vreze Gods, boetvaardigheid of geloof is; zij die tegen hun geweten in met hun zonden dóórgaan en daarin volharden; zij die op hun eigen kracht en gerechtigheid vertrouwen; zij die aan bijgelovigheid, huichelarij en valse godsdiensten een voedingsbodem geven; zij die dwalingen in het openbaar verdedigen; zij die op scheuringen uit zijn, en vol met twist en nijd zitten; zij die bij hun slechte voornemens blijven of op wraakgierigheid, boosheid, verkeerde lusten en andere zondige begeerten uit zijn; zij die de arme mensen verachten en ten slotte zij die de avondmaalstafel niet als geestelijk en heilig beschouwen maar als gewoon en werelds.
Er zijn verschillende maten en graden in onwaardigheid, en daarom is de straf of het oordeel ook niet in alle gevallen gelijk. De ernstigste mate van onwaardigheid is er als men zonder het minste greintje geloof en boetvaardigheid op de verborgenheden van het geloof af gaat – zoals de ongelovige en verworpen huichelaars en goddelozen doen. Wie zo aan de tafel des Heren gaan, zijn schuldig aan het lichaam en bloed van de Here. De oorzaak van Zijn dood wordt dan hun aangerekend; dat wil zeggen: de dood van Christus dient dan tot hun dood en niet tot hun leven. BasiliusBasilius de Grote (330-379) was één van de drie Cappadocische kerkvaders en als bisschop verbonden aan de stad Caesarea. In theologisch opzicht stond hij aan de zijde van Athanasius en dus tegenover Arius en de zijnen. zegt: “Zij zijn even schuldig aan de dood van Christus als degenen die Hem door hun ongeloof voor wat het lichaam betreft gedood hebben.” Voor hen is het bloed van Christus immers onrein133), en heeft het even weinig waarde als het bloed van een misdadiger. Over hen wordt gezegd: “Wie niet gelooft, zal veroordeeld worden” (Marcus 16:1616 Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden.). Hun staat dus het oordeel te wachten om tot de eeuwige helse pijnen verdoemd te worden.
Een andere mate van onwaardigheid heeft betrekking op de gelovigen, namelijk op hen “die het lichaam des Heren niet onderscheiden”; dat wil zeggen: op mensen die wel niet geheel en al zonder geloof zijn, maar bij wie het toch heel zwak is. Daardoor zijn de liefde en de boetvaardigheid om te geloven, in hen ook niet erg sterk; en daardoor maken ze ook geen onderscheid tussen het verborgen brood des Heren en het gewone voedsel. Het gevolg is dat ze het oneerbiedig aannemen, en niet op de manier zoals de Here het heeft ingesteld. Paulus zegt deze mensen een oordeel aan als hij in 1 Korintiërs 11:2929 Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. zegt: “Wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt.” Dat wil zeggen: zo iemand roept door zijn eten en drinken een oordeel over zich af.
Dat oordeel is niet het oordeel van de eeuwige verdoemenis, maar wel van tijdelijke straffen die de Here hun in dit leven toezendt. Dat blijkt uit de volgende woorden van de apostel waarmee hij enkele voorbeelden van dit oordeel noemt, zoals ziekte en de lichamelijke dood. “Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen” (vers 3030 Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen.). Vooral vers 3232 Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden. is duidelijk waar hij zegt dat wij vooral geoordeeld worden “opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden” en daarom “onder het oordeel des Heren [getuchtigd worden]”. Dit oordeel wordt wel het oordeel van de vermaning en bestraffing genoemd.
Met al de gelovige leden van de gemeente die zichzelf kunnen beproeven en in de verborgenheid van het geloof onderwezen zijn, dus met mensen die de dood des Heren kunnen verkondigen. Voor deze verborgenheid van het geloof is de beproeving van zichzelf vereist samen met de verkondiging van de dood des Heren.
Het sacrament is dus niet bedoeld voor de ongelovigen, niet voor kinderen en ook niet voor zwak- of krankzinnigen. Het is dus niet voor hen die van de verborgenheid van het geloof helemaal niets weten, en evenmin voor hen die niet weten wat de bedoeling is van wat men dan doet. Het sacrament is niet voor onboetvaardige mensen en evenmin voor hen die door het wettige oordeel van de gemeente onder de ban leven. Het is ook niet voor hen die in openbare dwalingen leven of met een bepaalde zonde die algemeen bekend kan zijn – behalve natuurlijk wanneer ze die aan de gemeente beleden hebben met de belofte hun leven te beteren. Het sacrament mag ook niet aan een dode of voor een dode bediend worden. De offergaven van brood en wijn die in vroeger tijd naar heidense gewoonten aan de vrienden van de overledene werden gegeven, zijn nu immers voor de armen. Datzelfde geldt voor de offergaven waarvan Cyprianus zegt dat die voor de martelaars werden geofferd. Daaronder verstaat hij overigens de lofzangen en de dankzeggingen tot God, omdat Hij zijn gemeente van zulke lichten had voorzien.
Nee, want de rechtbank en een wettige krijgsmacht zijn een onderdeel van de burgerlijke samenleving, die door het evangelie niet worden afgeschaft. Constantijn en andere militairen zijn terecht tot het Avondmaal des Heren toegelaten, toen ze in slagorde stonden opgesteld om het grote leger van Licinius aan te vallen. Toen Abraham van zijn veldtocht terugkeerde, heeft Melchizedek hem ontvangen en gezegend.134) Ook vrome mensen kunnen met elkaar van mening verschillen over een erfenis, een contract, een verdrag en andere afspraken die nodig zijn, zonder dat er sprake is van enige haat en het verlangen om elkaar een hak te zetten. Toch moet men hen die in het leger dienen en hen die met elkaar in een rechtszaak verwikkeld zijn, vermanen als ze tot de tafel des Heren naderen – om namelijk alle haat, bitterheid, vijandschap en andere zondige tekortkomingen af te leggen wanneer zij niet op eigen initiatief maar door andere omstandigheden met oorlog en rechtszaken te maken krijgen.
Diakrinein is in eigenlijke zin iets onderscheiden door het van de gewone omgeving af te zonderen en het in ere te houden samen met andere dingen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake in Judas Genesis 14:22 – “Doch Abram zeide tot de koning van Sodom: Ik zweer bij de Here, bij God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde”., waar een onderscheid gemaakt wordt tussen zondaren die nog genezen kunnen worden en halsstarrige zondaren. Zie ook 1 Korintiërs 4:77 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt?, waar we lezen: “Wie onderscheidt u?” oftewel: wie zondert u af? – dus: wie houdt u voor beter? Als we dus het lichaam des Heren onderscheiden, houdt dat in dat we het brood als een kostbaar onderpand van het lichaam van Christus van andere dingen afzonderen en dat met zo’n diepe vroomheid, geloof, boetvaardigheid en eerbied gebruiken als hierbij past. We mogen dus niet tot de tafel toegaan alsof we gewoon brood en gewone drank gaan gebruiken, maar we gaan naar het geheim van iets wat uitnemend kostbaar is.
In het geheel niet. Daarvoor zijn de volgende redenen:
Verschillende kerkvaders en vooral AugustinusAurelius Augustinus (354-430) geldt als de meest invloedrijke kerkvader van het Westen. Aanvankelijk sloot hij zich aan bij de manicheeën, later bij het neoplatonisme, maar op het gebed van zijn moeder en door de prediking van bisschop Ambrosius werd hij in 386 bekeerd tot het christelijk geloof. Bekend is vooral zijn 'Belijdenissen', waarin hij zijn eigen bekering beschrijft. Ook schreef hij belangrijke werken tegen ketterijen als het donatisme en het pelagianisme. zeggen dat het lichaam van Christus ook wel door goddelozen genomen wordt; maar dan wordt onder het woord “lichaam” niet de betekende zaak van het sacrament verstaan, maar het teken. Het lichaam des Heren – dat wil zeggen het lichaam als teken – wordt dus onderscheiden van de betekende zaak van het sacrament.
Ten slotte is de uitvlucht van onze tegenstanders al heel belachelijk, als ze zeggen dat het lichaam van Christus hun gegeven of aangeboden wordt en daarom nemen ze het aan. Als ze het niet aannemen, wordt het hun ook niet gegeven.
Ja, beslist wel, omdat hij de heilige tekenen misbruikt, en dat is een belediging van de betekende zaak. Dat is bij hen die de dienstknechten van Jezus Christus verachten, precies eender, want zij verachten daarmee onze Here Jezus Christus zelf, en ook zijn Vader; zie Lucas 10:1616 Wie naar u hoort, hoort naar Mij; en wie u verwerpt, verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, verwerpt Hem, die Mij gezonden heeft.: “wie u verwerpt, verwerpt Mij.” De belediging die een men een gezant aandoet, geldt ook de vorst die hem gezonden heeft. Wie bijvoorbeeld de plakkaten of de brieven van de koning bespuwt of verscheurt, wordt gehouden voor iemand die de waardigheid van de koning beledigd heeft. Ten slotte is degene die het brood en de wijn onwaardig neemt, daaraan schuldig, omdat hij het lichaam van Christus dat hem aangeboden wordt, niet op een geestelijke wijze aanneemt en ook niet eet [of drinkt].
De kerk oordeelt niet over de verborgen dingen en ziet dus ook niet wat er in het binnenste van het hart is, maar ze spreekt wel haar oordeel uit in overeenstemming met het richtsnoer van Gods wet. Daarom is het goed als de dienaar van het Woord God Zelf laat oordelen hoe het in het hart van ieder gesteld is. Degene die een vroom leven leidt, zonder schulden is en van wie geen openbare zonden bekend zijn, mag hij toelaten. Daartegenover is hij wel verplicht om degenen die verstrikt zijn in dwalen en tegen de fundamenten van de leer ingaan, van de tafel te weren – en daarvan is de kerkenraad al van te voren op de hoogte. Deze plicht van de dienaar des Woords om van de tafel te weren geldt ook voor lasteraars, ketters, afgodendienaars, dronkaards, bedriegers, leeglopers, rovers, tirannen, overspelers, hoerenlopers, vloekers, vuilsprekers of andere mensen die een onbehoorlijk leven leiden dat niet met het evangelie in overeenstemming is, en ook voor hen bij wie men geen tekenen van leedwezen over de zonde en bekering kan bespeuren. Voor al deze mensen gelden de volgende woorden:
Procul hinc, procul este profani!
dat wil zeggen:
Ga weg van hier, jullie goddelozen!
Christus Zelf verbiedt het grote ernst om het heilige niet aan de honden te geven (Matteüs 7:66 Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren.). En men mag “ook geen deel [hebben] aan de zonden van anderen” (1 Timoteüs 5:2222 Leg niemand overijld de handen op, heb ook geen deel aan de zonden van anderen, houd u rein.). Daarom zegt Chrysostomos dat hij zijn lichaam veel liever uit elkaar wil laten scheuren dan willens en wetens het lichaam en bloed van de Here te geven aan een goddeloos persoon die zich niet bekeert. Paulus getuigt ook dat de leden uit de gemeente van Korinte vanwege dit misbruik ernstig geplaagd werden, en dat er vele zieken en overledenen onder hen waren (1 Korintiërs 11:3030 Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen.).
Nee, beslist niet! Maar zij die de tafel des Heren verachten, zondigen heel erg om de volgende redenen:
Nee, want we zijn dan bij Christus lichamelijk tegenwoordig. De sacramenten hebben afgedaan als de kerk van Christus zelf lichamelijk bij Hem tegenwoordig is en langs de weg van het geloof zo ver gebracht mag zijn om Hem zelf van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen.